14/02067 Mr. L. Timmerman Zitting: 5 september 2014 Conclusie inzake: Coöperatieve Rabobank Soest Baarn Eemnes U.A. (hierna: Rabobank) verzoekster tot cassatie tegen mr. J.V. Maduro, in haar hoedanigheid van curator in de faillissementen van: - [A] B.V, - [B] B.V., - [C] B.V. (hierna: de curator) verweerster in cassatie 1Feiten en procesverloop 1.1 Rabobank heeft bij faxbericht van 30 december 2013 een verzoek gericht aan de rechter-commissaris in de faillissementen van [A] B.V., [B] B.V. en [C] B.V. Rabobank verzocht om de door de curator in die faillissementen gestelde termijn ex art. 58 lid 1 Fw te verlengen. Bij brief van 10 januari 2014 heeft Rabobank de rechter-commissaris aan dat verzoek herinnerd (zie de beschikking van 22 januari 2014, eerste alinea). 1.2 De rechter-commissaris heeft het verzoek van Rabobank bij beschikking van 22 januari 2014 afgewezen. 1.3 Rabobank heeft bij faxbericht van 27 januari 2014 aan de rechter-commissaris verzocht om zijn beslissing van 22 januari 2014 aan te vullen. Volgens Rabobank was de rechter-commissaris in die beslissing niet op haar volledige verzoek ingegaan (zie de beschikking van 6 februari 2014, eerste alinea). 1.4 De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 6 februari 2014 geoordeeld dat dit nadere verzoek geen gronden bood voor een andersluidend oordeel. De rechter-commissaris oordeelde wederom dat het verzoek van Rabobank tot verlenging van de termijn ex art. 58 lid 1 Fw, niet toewijsbaar was. 1.5 Rabobank heeft tegen de beschikkingen van de rechter-commissaris van 22 januari 2014 en 6 februari 2014 tijdig cassatieberoep ingesteld. De curator voert in cassatie verweer en heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. 2Bespreking van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel bevat twee onderdelen (onderdelen 1 en 2). De beide onderdelen bestaan op hun beurt uit twee subonderdelen. 2.2 Onderdeel 1.1 richt zich tegen het oordeel van de rechter-commissaris dat de door de curator in haar e-mail van 30 september 2013 aan Rabobank gestelde termijn, een termijn is als bedoeld in art. 58 lid 1 Fw. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en in elk geval onbegrijpelijk is of onvoldoende gemotiveerd. 2.3 De aan de orde zijnde e-mail van de curator aan Rabobank d.d. 30 september 2013 vermeldt onder meer (aldus het inleidende verzoekschrift van Rabobank, p. 4, eerste alinea): “tot slot over de verkooptermijn die u in uw brief noemt. Hiermee kan ik mij niet verenigen. Deze faillissementen zijn reeds op 16 juli 2013 respectievelijk 20 augustus 2013 uitgesproken. De bank heeft reeds in juli aangegeven zelf de verkoop van de OG ter hand te zullen nemen en van de bestuurder, alsmede uit de stukken, begrijp ik dat de bank al langer bezig is de OG te doen verkopen. Nu nog een aanvullende termijn van 6 maanden acht ik onwenselijk, te meer nu zich al verschillende belangstellenden hebben aangemeld bij mij en ook naar de bank zijn doorverwezen. Een termijn tot uiterlijk 31 december 2013 acht ik derhalve redelijk ter verdere uitoefening van uw rechten.” 2.4 De rechter-commissaris stelt in zijn beschikking van 22 januari 2014 vast dat de curator in de genoemde e-mail aan Rabobank een termijn heeft gesteld van drie maanden “ter verder[e] uitoefening van (haar) rechten”. Naar oordeel van de rechter-commissaris heeft de curator daarmee een termijn gesteld als bedoeld in art. 58 lid 1 Fw. Dat een dergelijke termijn gesteld is, blijkt volgens de rechter-commissaris uit de genoemde zinsnede, “zeker wanneer die zinsnede wordt geplaatst in de context van de verdere inhoud van de e-mail en de discussie tussen de curator en Rabobank.” Dit oordeel geeft – in tegenstelling tot hetgeen het onderdeel betoogt – geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, gezien onder meer de hierboven geciteerde passage uit de e-mail van 30 september 2013, ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Overigens lijken de klachten ook belang te missen. Niet in te zien is immers hoe de stelling van Rabobank dat de curator aan haar geen termijn heeft gesteld als bedoeld in art. 58 lid 1 Fw, afbreuk kan doen aan de beslissing van de rechter-commissaris tot afwijzing van het verzoek van Rabobank tot verlenging van de termijn als bedoeld in art. 58 lid 1 Fw. 2.5 Het onderdeel betoogt mede dat het stellen van een termijn ex art. 58 lid 1 Fw niet te rijmen zou zijn geweest met de tussen de curator en Rabobank gemaakte afspraak “dat de materiële verkoopinspanningen weliswaar door Rabobank zullen worden verricht maar dat de koop zelf (formeel) door de Curator zal worden gesloten […].” Volgens het onderdeel betreft art. 58 lid 1 Fw namelijk het stellen van een termijn voor executoriale verkoop door de pand- of hypotheekhouder. Ook dit betoog is tevergeefs. Art. 58 lid 1 Fw, eerste volzin, bepaalt dat de curator aan de pand- en hypotheekhouders een redelijke termijn kan stellen “om tot uitoefening van hun rechten overeenkomstig het vorige artikel over te gaan.” In het onderhavige geval heeft de rechter-commissaris – zoals vermeld – vastgesteld dat de curator in haar e-mail van 30 september 2013 aan Rabobank een termijn heeft gesteld van drie maanden “ter verder[e] uitoefening van (haar) rechten”. Naar oordeel van de rechter-commissaris heeft de curator daarmee een termijn gesteld als bedoeld in art. 58 lid 1 Fw. Zoals vermeld geeft dat oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Een en ander geldt ook indien dat oordeel bezien wordt in het licht van de stellingen van het onderdeel en de door het onderdeel (in nrs. 39 en 14 t/m 20) aangeduide bijlagen bij het inleidende verzoekschrift. 2.6 Ook onderdeel 1.2 klaagt dat het oordeel dat de curator in haar e-mail van 30 september 2013 een termijn heeft gesteld als bedoeld in art. 58 lid 1 Fw, onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is. Het onderdeel beroept zich onder meer op hetgeen vermeld is op pagina 4 (derde alinea) van het inleidende verzoekschrift, alwaar verwezen wordt naar een e-mail van de curator aan Rabobank d.d. 1 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.