13/03880 Mr. Hammerstein 5 september 2014 Conclusie inzake: [eiseres] tegen [verweerster] Inleiding en procesverloop
(2)dat de rechtspersoon [eiseres] voor het eerst is ingeschreven op 7 juni 2005 en dat de onderneming is gevestigd sedert 1 januari 1993 en door de rechtspersoon wordt gedreven sedert 31 mei 2005. 14. Middel II is gericht tegen de rov. 4.9.3 en 4.9.4. In de eerste overweging heeft het hof gemotiveerd waarom de ontvangst van de overgelegde faxen en brieven niet is komen vast te staan, zodat deze buiten beschouwing moeten blijven. [eiseres] klaagt onder meer dat deze overweging onbegrijpelijk is, omdat aan de faxen en brieven ook bewijskracht toekomt indien de ontvangst daarvan niet is komen vast te staan. De bestreden overwegingen impliceren evenwel dat dit hier naar het oordeel van het hof niet het geval is. [eiseres] licht in het geheel niet toe waarom dit aan het hof als feitenrechter voorbehouden oordeel onbegrijpelijk zou zijn. Ik heb bij de klachten ook geen vindplaatsen aangetroffen waaruit zou kunnen volgen dat dit oordeel onbegrijpelijk is. De stukken zijn ook zo onoverzichtelijk dat het niet mogelijk is op eenvoudige wijze een dergelijke vindplaats op te sporen. Voorts heeft het hof in rov. 4.9.4 gemotiveerd waarom [eiseres] haar stellingen dat de gedeclareerde werkzaamheden ook werkelijk zijn verricht, onvoldoende heeft onderbouwd. De klachten beogen uw Raad ertoe te bewegen al die feitelijkheden nog eens te beoordelen, maar daartoe is de cassatieprocedure niet geschikt. Ik zie in de klachten ook geen aanknopingspunten voor een begrijpelijkheidstoets. Voor zover het middel de rechtsklacht bevat dat het hof ten onrechte aan [eiseres] heeft verweten dat zij pas in hoger beroep specificaties heeft overgelegd, kan deze niet tot cassatie leiden. Zij berust op een verkeerde lezing. Het hof heeft immers alleen een vraagteken gezet bij de late overlegging en de daarvoor gegeven reden in het kader van de beoordeling van de geloofwaardigheid van de stellingen van [eiseres]. Dat behoort tot de vrijheid die het hof heeft bij zijn waardering van de feiten, zodat hierover in cassatie niet met vrucht kan worden geklaagd. Nu het hof zijn oordeel toereikend heeft gemotiveerd, kan het middel geen doel treffen. 15. Middel III keert zich tegen rov. 4.12.3. Daarin heeft het hof overwogen dat [eiseres] niet voldoende heeft gesteld om aan te nemen dat zij met [verweerster] had afgesproken dat niet [betrokkene 2] in privé doch [verweerster] het voorgeschoten bedrag van de successieaanslag aan [eiseres] zou terugbetalen. Volgens het hof heeft [verweerster] niet een voldoende specifiek of relevant bewijsaanbod te dier zake gedaan. De klachten houden het volgende in:
- a)Onbegrijpelijk is dat het hof de faxen van 9 oktober 2000 en 25 april 2005 buiten beschouwing laat omdat [verweerster] de ontvangst daarvan heeft betwist. Ook dan komt volgens haar aan de faxen bewijskracht toe.
- b)Onbegrijpelijk is dat het hof twijfelt aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [betrokkene 3] “doordat [eiseres] onvoldoende kenbaar en duidelijk zou hebben betwist dat [verweerster] [betrokkene 3] nooit heeft gezien of gesproken”. Volgens [eiseres] doet dit niet af aan de betrouwbaarheid van de verklaring van deze getuige.
- c)Onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat [eiseres] ter zake van de onderhavige stelling geen voldoende specifiek en relevant bewijsaanbod heeft gedaan. Dit bewijsaanbod is immers gedaan in de memorie van grieven onderaan bladzijde 6 en kon alleen betrekking hebben op de onderhavige kwestie. 16. De onderdelen a en b stellen uitsluitend de uitleg van de gedingstukken en de waardering van de feiten of van het bewijs aan de orde. Die zijn voorbehouden aan het hof als rechter die over de feiten oordeelt, en kunnen in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Onbegrijpelijk zijn deze oordelen niet. 17. Onderdeel c ligt niet zo eenvoudig. In de memorie van grieven staat aan het slot het volgende bewijsaanbod: “Appellante biedt uitdrukkelijk aan haar stellingen met alle middelen rechtens te bewijzen, zonder onverplicht enige bewijslast op zich te nemen, in het bijzonder door het doen horen van getuigen, waaronder in ieder geval [betrokkene 1] en [betrokkene 3].” Dit is een algemeen bewijsaanbod, maar wat [betrokkene 3] betreft is het ook wel specifiek. Het middel betoogt terecht dat dit aanbod moeilijk op iets anders betrekking kon hebben dan op de kwestie van het successierecht, zeker nu een schriftelijke verklaring van [betrokkene 3] was overgelegd. Het oordeel dat [eiseres] ter zake van deze stelling geen voldoende specifiek en relevant bewijsaanbod heeft gedaan, is dan ook onbegrijpelijk. Ten aanzien van de kwesties die in de rov. 4.9.5. en 4.10.4. aan de orde waren, heeft het hof het bewijsaanbod in de eerste plaats gepasseerd omdat [eiseres] onvoldoende heeft gesteld (“nog daargelaten dat…”). Bij de verwerping van het bewijsaanbod in de onderhavige overweging bezigt het hof een andere formulering. In het licht van hetgeen door [eiseres] is gesteld en de overgelegde verklaring van [betrokkene 3], is ook niet goed verdedigbaar dat niet aan de stelplicht zou zijn voldaan. Het verwijt dat [eiseres] de betwisting van de verklaring van [betrokkene 3] door [verweerster] op haar beurt onvoldoende kenbaar en duidelijk heeft betwist, heeft iets circulairs. Voor zover de verwerping van het bewijsaanbod mede op dit verwijt is gebaseerd, is het oordeel evenzeer onbegrijpelijk. Niet duidelijk is wat [eiseres] aan haar eerdere stellingen en de overgelegde verklaring had kunnen en moeten toevoegen. Dit is bij uitstek een van de onderwerpen die in het kader van de bewijslevering nader aan de orde had kunnen komen. Bovendien lijkt het erop - maar [eiseres] stelt dit in cassatie niet - dat het hof voorbij heeft gezien aan hetgeen zij in haar reactie bij het pleidooi van 11 december 2012 op pagina 9 heeft gesteld en aan de daarbij overgelegde productie 10A. Zoals hierboven onder 13 tot uitdrukking is gebracht, valt te bezien of dat het hof kan worden verweten. Slotsom is evenwel dat de klacht moet slagen. 18. Het is niet geheel uitgesloten dat [eiseres] op een of meer onderdelen van zijn vordering tegen [verweerster] gelijk heeft. [eiseres] heeft veel materiaal aangedragen, waarover de rechters in twee feitelijke instanties een oordeel hebben gegeven. [eiseres] erkent in hoger beroep zelf dat zij in eerste aanleg onvoldoende heeft gesteld. Zij verwijt dat aan haar advocaat. In hoger beroep heeft zij het tij niet volledig kunnen keren. Het hof heeft haar feitelijke stellingen ontoereikend geacht en dat oordeel kan in cassatie nauwelijks nog met succes worden bestreden. De cassatierechter is daartoe niet geroepen. Ik lees in het arrest van het hof bovendien serieuze twijfel aan de geloofwaardigheid van de stellingen van [eiseres]. Het ligt ook niet erg voor de hand dat gedurende een periode van zes jaar zakelijke adviezen worden verstrekt zonder dat voor die werkzaamheden facturen zijn verzonden. Dat partijen deze ongebruikelijke handelwijze hebben afgesproken, is volgens de feitenrechters niet komen vast te staan. Het hof ziet ook aanleiding aan de authenticiteit van belangrijke stukken te twijfelen. We zijn hier volledig in het domein van de feitenrechter aan wie dergelijke oordelen zijn voorbehouden. Dit cassatieberoep heeft in zoverre geen kans van slagen, zonder dat de cassatierechter daarmee een oordeel geeft over het feitelijke gelijk van een van partijen. Hoewel het eerste middel naar mijn mening een interessante processuele vraag opwerpt, geeft het geen ruimte voor een genuanceerd oordeel in cassatie. Ik concludeer derhalve tot verwerping van de klachten met toepassing van artikel 81 RO, met uitzondering van de hierboven onder 17 besproken klacht. Het voorwaardelijk incidentele beroep 19. Zie ik het goed, dan is het incidentele beroep ingesteld onder de voorwaarde dat enige klacht uit middel I of middel II van het principale beroep gegrond wordt bevonden. Nu naar mijn oordeel het principale beroep ten aanzien van deze beide middelen moet stranden, wordt de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld, niet vervuld. Ik geef dus ten overvloede mijn mening daarover. De klacht dat het hof had behoren te beslissen over het bezwaar van [verweerster] tegen de ingediende pleitnota, treft doel als juist is dat [verweerster] de desbetreffende akte ook heeft genomen. Ik heb al vermeld dat uit de stukken zelf zonder meer kan worden afgeleid dat [eiseres] een geheel andere productie heeft overgelegd dan die zij bij de uitwisseling van de pleitnota’s aan [verweerster] had getoond. Naar mijn opvatting druist dit zo zeer in tegen de goede procesorde dat die productie buiten beschouwing had moeten blijven. Als uw Raad dit oordeel deelt, kan het slagen van het incidenteel middel van cassatie ertoe leiden dat aan de subonderdelen c en verder van het eerste middel in het principale beroep het belang ontvalt, zodat het niet behandeld behoeft te worden. Slotsom 20. Mijn conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest . De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Wnd. A-G. HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:BE7628, NJ 2009/474. Zie ook de conclusie van de A-G Huydecoper in nr. 48: het gaat erom wat voldoende onder de aandacht van de rechter en de wederpartij is gebracht. Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent, 4 2012 [117-119]. NJ 2010/128 met noot van HJS. R.H. de Bock, Tussen waarheid en onzekerheid: over het vaststellen van feiten in de civiele procedure, Tilburg 2011. Van de rechter kan niet worden verlangd dat deze van een persoonlijk opgesteld schotschrift kennis neemt op dezelfde manier als van een processtuk. In zoverre dient verplichte rechtsbijstand wel degelijk als een middel om een ordelijk proces tot stand te brengen. Daarop heeft het voorwaardelijk ingestelde incidentele cassatieberoep betrekking. In de onderdelen wordt steeds verwezen naar de reacties bij de pleitnota van [eiseres] d.d. 11 december 2012. Pagina 10 en verder van deze reactie zijn als onderdeel van productie II bij processtuk 14 overgelegd. De daaraan voorafgaande pagina’s zijn ook bij processtuk 14 overgelegd, maar achteraan, na de overige producties. Dat de successierechten zijn betaald, is niet betwist. Zie productie 9 bij de conclusie van antwoord in conventie. De vraag is alleen of dat een schuld van de vennootschap oplevert. De vordering voor 140 uur advieswerkzaamheden (die volgens [eiseres] in werkelijkheid 280 uur zouden hebben bedragen) lijkt nogal uit de lucht gegrepen. Ik heb navraag laten doen bij het hof. De rolgegevens luiden als volgt: “21/08/2012: akte appellant 18/09/2012: akte geïntimeerde 02/10/2012: partijen voor fourneren (akte azv. app d.d. 21 augustus 2012 alsnog geweigerd: retour gezonden)”.