Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. M.E. van Hilten Advocaat-Generaal Conclusie van 31 juli 2014 inzake: HR nr. 10/01243bis Minister van Financiën HvJ nr. C-480/12 Hof nr. P08/00850DK Derde Kamer A tegen Douanerecht 1 januari 2005 - 31 december 2005 [X] B.V. 1Inleiding: wat eraan vooraf ging 1.1 Over de vraag of een goed – in casu een dieselmotor – aan het douanetoezicht is onttrokken indien het onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer (hierna kortweg: regeling douanevervoer) is geplaatst en ruim twee weken na het verstrijken van de termijn daartoe bij het kantoor van bestemming wordt aangebracht, heb ik mij eerder uitgelaten. Mijn eerste conclusie in deze zaak dateert van 10 mei 2011, ECLI:NL:PHR:2012:BQ6098. Ik concludeerde toen tot het stellen van een prejudiciële vraag. De Hoge Raad stelde er twee. 1.2 Bij zijn arrest van 12 oktober 2012, nr. 10/01243, ECLI:NL:HR:2012:BQ6098, BNB 2013/102 m.nt. Van Slooten (hierna: HR BNB 2013/102) verzocht de Hoge Raad het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) uitspraak te doen over de volgende prejudiciële vragen: “1. a. Moeten de artikelen 203 en 204 CDW in samenhang gelezen met artikel 859 (in het bijzonder onder 2, letter
(2005)geldt op grond van artikel 7, lid 1, onder a, van de Zesde richtlijn dat als ‘invoer van een goed’ in de zin van de omzetbelasting wordt beschouwd, het binnenkomen in de Gemeenschap van – kort gezegd – een niet-communautair goed. Op grond van het tweede lid van artikel 7 vindt de invoer plaats in de lidstaat waar het goed de Gemeenschap binnenkomt, maar in afwijking hiervan bepaalt artikel 7, lid 3, van de Zesde richtlijn (thans artikel 61 van de btw-richtlijn), gelezen in samenhang met artikel 10, lid 3, van die richtlijn (thans artikel 71, eerste alinea, van de btw-richtlijn) dat het belastbare feit invoer wordt uitgesteld tot, en plaatsvindt in de lidstaat op het grondgebied waarvan het goed wordt onttrokken aan de in deze bepalingen genoemde ‘regelingen’. 4.3.3 Artikel 10, lid 3, van de Zesde richtlijn luidt (cursivering MvH): “(…) Wanneer goederen vanaf hun binnenkomst in de Gemeenschap onder een van de in artikel 7, lid 3, van de richtlijn bedoelde regelingen worden geplaatst, vindt het belastbare feit plaats (…) op het tijdstip waarop de goederen aan deze regelingen worden onttrokken. 4.3.4 Artikel 7, lid 3, bepaalt, op zijn beurt (cursivering MvH): “(…) wanneer een onder lid 1, onder
- a)bedoeld goed vanaf het binnenkomen in de Gemeenschap onder een van de in artikel 16, lid 1, onder B onder a), b),
- c)en d), bedoelde regelingen, onder een regeling voor tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten of onder een regeling voor extern communautair douanevervoer wordt geplaatst, [vindt] de invoer van dat goed plaats in de lidstaat op het grondgebied waarvan het goed aan die regelingen wordt onttrokken.” 4.3.5 Uit het arrest Liberexim, volgt voorts dat voor de invulling van het begrip ‘onttrekken’ in de zin van de btw, aansluiting moet worden gezocht bij de uitlegging van het gelijkluidende begrip in het douanerecht, immers: “55 Uit punt 47 van het reeds aangehaalde arrest D. Wandel blijkt dat dit begrip onttrekking moet worden opgevat als elk handelen of elk nalaten dat tot gevolg heeft dat de bevoegde douaneautoriteit, al is het maar tijdelijk, geen toegang heeft tot onder douanetoezicht staande goederen en de in de communautaire douanewetgeving voorziene controles niet kan uitvoeren.” 4.3.6 In de Wet zijn deze richtlijnbepalingen verwerkt in artikel 18. Op grond van artikel 18, lid 1, onderdeel c, van de Wet is invoer: “het in Nederland beëindigen van, dan wel het in Nederland onttrekken van goederen aan een douaneregime;” 4.3.7 Ingevolge artikel 18, lid 2, van de Wet moet in dit verband onder ‘douaneregime’, worden verstaan: “a. tijdelijke opslag als bedoeld in artikel 50 van het Communautair douanewetboek; b. de douanebestemmingen, bedoeld in artikel 4, onderdeel 15, onder b, c en d, van het Communautair douanewetboek; c. de douaneregelingen, bedoeld in artikel 4, onderdeel 16, onder b, c, d, e en, voor zover het betreft een volledige vrijstelling van rechten bij invoer, f, van het Communautair douanewetboek.” 4.3.8 Het niet voldoen aan verplichtingen die voortvloeien uit een douaneregeling is in deze bepalingen – noch die van de richtlijn, noch die van de Wet – als invoer omschreven. De conclusie lijkt dan ook gerechtvaardigd dat het ontstaan van een douaneschuld op grond van artikel 204 van het CDW geen omzetbelastingschuld ter zake van invoer met zich brengt. Zonder belastbaar feit kan immers geen belasting verschuldigd worden. In de onderhavige procedure komen zowel de Commissie – zij het met een slag om de arm, zie punt 61 van haar schriftelijke opmerkingen – als A-G Jääskinen tot deze slotsom. Ook ik heb de visie verdedigd dat het niet als belastbaar feit (invoer) definiëren van hetgeen op grond van artikel 204 van het CDW een douaneschuld doet ontstaan, met zich brengt dat in gevallen waarin artikel 204 van het CDW van toepassing is, aan heffing van omzetbelasting niet kan worden toegekomen bij gebrek aan een belastbaar feit. 4.3.9 Dat blijkt onjuist. 4.3.10 Het HvJ kiest namelijk een andere weg en komt tot een omzetbelastingschuld, ook in ‘artikel 204-gevallen’. Ik citeer de mijns inziens centrale overwegingen uit arrest C‑480/12 die het HvJ brengen tot het oordeel dat – ik parafraseer – het ontstaan van een douaneschuld op de voet van artikel 204 van het CDW ook leidt tot een omzetbelastingschuld bij invoer: “51 Voorts volgt uit artikel 866 van de uitvoeringsverordening dat dit goed, wanneer een douaneschuld bij invoer is ontstaan krachtens (…) met name artikel 203 of 204 van het douanewetboek, en de rechten bij invoer zijn betaald, als communautair wordt aangemerkt, zonder dat een aangifte voor het vrije verkeer behoeft te worden gedaan. 52 In casu staat het bijgevolg aan de verwijzende rechter om, rekening gehouden met hetgeen is overwogen in punt 45 van het onderhavige arrest, na te gaan of het goed dat in het hoofdgeding aan de orde is, al dan niet is onttrokken aan de regeling extern douanevervoer, wat eventueel tot het ontstaan van een douaneschuld leidt krachtens artikel 203 of artikel 204 van het douanewetboek. 53 (…) 54 Indien dat goed echter reeds aan deze regelingen is onttrokken op de datum van de wederuitvoer ervan vanwege het ontstaan van een douaneschuld, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan, zou het moeten worden geacht te zijn ingevoerd in de zin van artikel 2, punt 2, van de Zesde richtlijn. 55. Gelet op een en ander dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 7, lid 3, eerste alinea, van de Zesde richtlijn in die zin moet worden uitgelegd dat btw verschuldigd is wanneer de betrokken goederen aan de in dat artikel bedoelde douaneregelingen zijn onttrokken, zelfs indien een douaneschuld uitsluitend op grondslag van artikel 204 van het douanewetboek is ontstaan.” 4.3.11 In deze overwegingen schept het gebruik van de term ‘onttrekken’ in de context van artikel 204 van het CDW verwarring: bij toepassing van artikel 204 is er toch juist geen onttrekking? En als er onttrokken wordt, wordt toch niet aan artikel 204 toegekomen? Hoe kan dan sprake zijn van een onttrekking indien een douaneschuld uitsluitend op de grondslag van artikel 204 is ontstaan? 4.3.12 Lezing van de betreffende overwegingen in andere taalversies maakt echter duidelijk dat het gebruik van de term ‘onttrekking’ hier misschien niet helemaal gelukkig gekozen is. Bij vergelijking van de Nederlandse (authentieke) versie van vorengeciteerde overwegingen met hun Franse, Duitse en Engelse evenknieën, valt namelijk op dat in die taalversies telkens een andere formulering wordt gebruikt dan (het equivalent van) de in artikel 203 van het CDW gebezigde term ‘onttrekken’. Dat geldt evenzeer voor de artikelen 7, lid 3 en 10, lid 3, van de Zesde richtlijn in die talen. Anders gezegd: in de Nederlandse tekst suggereert het gebruik van de ‘onttrekken’ in bedoelde richtlijnbepalingen en vorengeciteerde overwegingen een synoniem met het onttrekken van artikel 203 van het CDW, maar uit andere taalversies volgt dat van synoniemen geen sprake is. 4.3.12.1 Zo is een onttrekking de Franse versie van artikel 203 van het CDW ‘soustraction à la surveillance douanière’. Onttrekken in de zin van de artikelen 7, lid 3 en 10, lid 3, van de Zesde richtlijn is het Frans echter ‘sortir de ces régimes’, een term die ook wordt gehanteerd in de overwegingen in arrest C-480/12 over de vraag of een douaneschuld in de zin van artikel 204 van het CDW ook een omzetbelastingschuld oplevert (‘sortie du régime’). 4.3.12.2 In het Engels is een onttrekking in de zin van artikel 203 een ‘removal from customs supervision’, maar vindt invoer in de zin van artikel 7, lid 3 en 10, lid 3, van de Zesde richtlijn plaats wanneer goederen ‘cease to be covered by the procedure’. Die laatste term wordt ook gehanteerd in de Engelse versie van de vorenaangehaalde overwegingen van arrest C-480/12. 4.3.12.3 In het Duits, ten slotte, is een onttrekking in de zin van artikel 203 ‘Entziehen der zollamtlichen Überwachung’, terwijl in de artikelen 7, lid 3 en 10, lid 3, van de Zesde richtlijn en in de vorenaangehaalde overwegingen, de term ‘nicht mehr diesen Regelungen unterliegt’ wordt gehanteerd. 4.3.13 Ik leid hieruit af dat het in vorengeciteerde (Nederlandse) overwegingen 51-55 gebruikte ‘onttrekken’ geen onttrekken is in de betekenis die het HvJ daaraan in het arrest Liberexim (en Wandel) gaf, maar veeleer een ‘niet meer onder de regeling vallen’. Daarmee lijkt mij in elk geval een deel van de in punt 4.3.11 geconstateerde verwarring weggenomen. 4.3.14 Centraal in de geciteerde overwegingen 51-55 van arrest C-480/12 staat mijns inziens artikel 866 van de UCDW. Daarin is bepaald dat: “(…) worden deze goederen, wanneer een douaneschuld krachtens artikel 202, 203, 204 of 205 van het Wetboek is ontstaan en de rechten bij invoer zijn betaald, als communautaire goederen aangemerkt, zonder dat een aangifte voor het vrije verkeer wordt gedaan.” Met dit als uitgangspunt lees ik de redenering van het HvJ aldus, dat als eenmaal ingevolge – voor zover hier van belang – artikel 204 van het CDW rechten bij invoer zijn betaald ter zake van een in de EU binnengebracht doch onder een douaneregeling geplaatst goed, het desbetreffende goed daarmee in het vrije verkeer is en het goed zich ‘dus’ ook niet meer onder de desbetreffende regeling kan bevinden. De goederen zijn niet onttrokken in de zin van artikel 203 van het CDW maar vallen (toch) niet meer onder de regeling, zij ‘sont sorti du régime’ c.q. ‘have ceased to be covered’ c.q. ‘liegen nicht mehr dieser Regelung unter’. Dat betekent dat die regeling kennelijk moet zijn beëindigd. En dat kan niet anders betekenen dan dat omzetbelastingtechnisch van invoer sprake moet zijn, hetgeen weer omzetbelastingschuld ter zake van invoer oplevert. Een logische redenering, die mij eigenlijk wel overtuigt 4.3.15 Via deze route leidt artikel 204 van het CDW derhalve tot een niet meer onder een douaneregime vallen van goederen en daarmee tot een omzetbelastingschuld. De artikelen 7, lid 3 en 10, lid 3, van de Zesde richtlijn, hebben – anders gezegd – een ruimer toepassingsbereik dan enkel ‘onttrekken’, ook al suggereert de Nederlandse tekst van de bepalingen dit. 4.3.16 Naar het mij voorkomt kan dit ‘ophouden onder de regeling te vallen’ worden gerangschikt onder het bepaalde in artikel 18, lid 1, onder c, van de Wet als een ‘beëindigen van het douaneregime’. Daarmee is dan het plaatje rond en blijkt het bepaalde in artikel 204 van het CDW toch te passen in het belastbare feit invoer in de zin van de omzetbelastingregelgeving. 4.3.17 Dit betekent dat in casu ook omzetbelasting verschuldigd is in verband met het verzuim de dieselmotor tijdig aan te brengen bij het kantoor van bestemming. 4.3.18 Dat betekent dat het beroep in cassatie van de Minister van Financiën slaagt en tot cassatie leidt. 4.4 Aftrek van voorbelasting 4.4.1 Douanerecht en omzetbelasting blijken dus ook gelijk op te lopen ten aanzien van de verschuldigdheid in verband met een niet voldoen aan verplichtingen die uit het gebruik van een douaneregeling voortvloeien. 4.4.2 Dit neemt niet weg dat het doel van heffing van omzetbelasting bij invoer – anders dan dat van douanerechten – is, te bewerkstelligen dat op ingevoerde goederen uiteindelijk een gelijke belastingdruk rust als op (het verbruik van) ‘binnenlandse’ producten. Het is een compenserende heffing, geen protectionistische. Op goederen die het land (of beter gezegd: de EU) verlaten, behoort geen omzetbelasting te drukken: die goederen worden immers in de EU niet geconsumeerd. 4.4.3 Nu feitelijk vaststaat dat de dieselmotor is wederuitgevoerd, meen ik dan ook dat per saldo geen omzetbelasting behoort te drukken op de dieselmotor en dat de op de voet van artikel 18, lid 1, onderdeel c, juncto artikel 204 van het CDW verschuldigd geworden omzetbelasting in aanmerking komt voor restitutie c.q. aftrek bij de ondernemer voor wie de dieselmotor is bestemd (zie artikel 15, lid 1, onderdeel c, sub 1, van de Wet). Ervan uitgaande dat aan dit begrip ‘bestemd voor’ uit artikel 15, lid 1, onderdeel c, sub 1 van de Wet, dezelfde betekenis kan worden toegekend als het gelijkluidende begrip dat in artikel 23 van de Wet wordt gehanteerd, valt uit het arrest van de Hoge Raad van 4 oktober 2013, nr. 11/03207, ECLI:NL:HR:2013:781, BNB 2013/241 m.nt. Van Slootenaf te leiden dat dit de ondernemer is die de dieselmotor ofwel in het kader van zijn bedrijfsactiviteiten heeft betrokken uit een derde land, ofwel deze gebruikt in het kader van zijn bedrijfsactiviteiten. Het is mij niet helemaal duidelijk of dat in casu belanghebbende is. 5Conclusie De conclusie strekt tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie van de minister van Financiën. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Ook gepubliceerd in NTFR 2012, 2457 m.nt. Kalshoven en V-N 2012/53.16. Verordening (EEG) nr. 2913/92 van 12 oktober 1992. De situatie in onderhavige zaak verschilt van die welke onderwerp was van de procedure die heeft geleid tot het arrest van de HR van 13 juni 2014, nr. 12/05479, ECLI:NL:HR:2014:1373, V-N 2014/34.19. Daarin stelde de Hoge Raad prejudiciële vragen (onder andere) over de uitlegging van het derde gedachtestreepje van de aanhef van artikel 859 van de UCDW. In die zaak waren de goederen en bijbehorende documenten evenwel niet aangebracht. Zie punt 3.1.3 van HR BNB 2013/102. Het HvJ duidt dit in punt 24 van zijn arrest aan als ongeldig verklaring van de plaatsing onder de douaneregeling actieve veredeling. De inspecteur van de Belastingdienst/[P]. Geschrift geregistreerd bij het HvJ op 6 februari 2013. Geschrift geregistreerd bij het HvJ op 6 februari 2013. Geschrift ingediend op 5 februari 2013. Geschrift ingediend op 6 februari 2013. Geschrift ingediend op 14 februari 2013. Ik merk op dat het beroep in cassatie is ingesteld door de Minister van Financiën. Inmiddels is er weer een staatssecretaris van Financiën. Hij zet de procedure voort. In zijn schriftelijke opmerkingen beperkte Griekenland zich tot de tweede prejudiciële vraag, te weten of een douaneschuld in de zin van artikel 204 van het CDW ook een btw-schuld bij invoer doet ontstaan. MvH: Ik merk op dat in de Engelse versie van het arrest het meervoud wordt gehanteerd (‘goods’). De Franse en Duitse versie hanteren de term koopwaar (althans respectievelijk ‘marchandise’ en ‘Ware’). De procestaal is immers Nederlands. In de Franse versie van het arrest “le circuit économique”, in de Engelse versie “the economic networks” en in de Duitse “Wirtschaftskreislauf” (zie de citaten in punt 4.1.4 van deze conclusie). Ook A-G Jääskinen gaat kennelijk van deze uitlegging uit, waar hij in punt 43 van zijn conclusie in de onderhavige zaak veronderstelt dat het risico dat goederen in het handelsverkeer van de Unie verdwijnen, de reden is waarom het HvJ in gevallen van diefstal en niet-naleving van de materiële voorwaarden van een douaneregeling, artikel 203 van het CDW van toepassing acht. Nu uit het arrest SEK niets blijkt omtrent het tegendeel, ga ik ervan uit dat de fietsendragers die op het tweede transport wél meegingen dezelfde fietsendragers waren als die bij het eerste transport waren achtergebleven. Het arrest SEK – dat is beslist in een samenstelling van de zetel die deels (twee rechters, onder wie de rechter-rapporteur) gelijk was aan die welke arrest C-480/12 wees – roept bij mij de nodige vragen op, die echter buiten het bestek van deze conclusie vallen. Zo rijst niet alleen de vraag waarom in het arrest SEK op geen enkele manier wordt gerefereerd aan het arrest C-480/12, dat toch enigszins vergelijkbare materie betreft – hoewel in het arrest SEK niet werd gevraagd naar eventuele toepasbaarheid van artikel 203 van het CDW. Voorts valt mij een zekere gelijkenis op tussen het arrest SEK en het – overigens met betrekking tot artikel 204 van het CDW gewezen – arrest van 15 juli 2010, DSV, C-234/09. Daarin waren goederen twee maal aangegeven voor de regeling communautair douanevervoer. De eerste zending was ‘goed gegaan’. De tweede keer betrof het (dus) niet-bestaande goederen. Voor het HvJ was dit aanleiding te oordelen dat aan artikel 204 niet kon worden toegekomen, omdat de regeling voor niet-bestaande goederen was aangegaan. In de zaak SEK was de gang van zaken in wezen omgekeerd; de eerste plaatsing betrof niet-aanwezige goederen. Pas bij de tweede zending waren de fietsendragers daadwerkelijk mee-vervoerd. Ten slotte lijkt het arrest SEK tot de slotsom te leiden dat ter zake van dezelfde fietsendragers twee maal geheven is: eenmaal bij SEK ter zake van de onttrekking (haar verzoek om terugbetaling is geweigerd, zie punt 20 van het arrest SEK) en eenmaal bij de ontvanger in verband met de aangifte voor het vrije verkeer. Dat lijkt me, gezien artikel 866 van de Uitvoeringsverordening CDW niet juist. Het komt mij voor dat na de onttrekking de fietsendragers niet nogmaals (belast) in het vrije verkeer kunnen worden gebracht. Zie in dit verband ook HvJ 6 september 2012, Döhler, C-262/10, punten 46 en 47. MvH: in punt 42 overweegt de A-G dat het begrip onttrekking ruim wordt uitgelegd en dat het niet kunnen verkrijgen van toegang niet tijdelijk is als langer dan twee weken onbekend is waar de goederen zich bevinden. In punt 43 neemt Jääskinen aan dat de reden voor toepassing van artikel 203 van het CDW gelegen is in het feit dat het ingevoerde goed wordt verondersteld in het handelsverkeer van de Unie terecht te zijn gekomen. Hoewel uit punt 56 van het arrest Liberexim (geciteerd in punt 4.1.8 van deze conclusie) nog wel iets van een ‘economisch circuit’ kan worden afgeleid, is punt 20 van het arrest Honeywell Aerospace mijns inziens wat dit betreft nietszeggend. Die overweging luidt: “20 Dat [MvH: een onttrekking] is het geval wanneer, zoals in het hoofdgeding, het kantoor van vertrek van de omstreden zending die onder de regeling extern communautair douanevervoer was geplaatst, heeft vastgesteld dat deze zending niet bij het kantoor van bestemming is aangebracht en dat de douaneregeling voor de betrokken zending niet is beëindigd.”. Ik merk op dat in het arrest Hamann niet feitelijk is vastgesteld hoe lang de periode was waarin de goederen zich in een ‘douanevacuüm’ bevonden. Het lijkt mij echter dat het vervoer van een entrepot in Duitsland naar het kantoor van uitgang uit Duitsland veel minder tijd dan twee weken in beslag zal hebben genomen. Uit de feiten uit het arrest BAT leid ik af dat het daarin ging om een situatie waarin heel kort een paar keer (tijdens het vervoerstraject tussen 9 en 16 juli 1992) de documenten waren weggenomen. 17 januari 2010 en 1 februari 2010, zie punten 14 en 18 van het arrest SEK. Zie ook punt 6.8.9 van mijn conclusie van 10 mei 2011. Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993. Ik merk volledigheidshalve op dat A-G Jääskinen tot de slotsom komt dat artikel 356, lid 3, van de UCDW niet toepasbaar is indien geen steekhoudende verklaring is verstrekt voor de (duur van
- de)termijnoverschrijding. Zo’n verklaring is niet verstrekt: belanghebbende heeft immers in het geheel geen verklaring gegeven voor de termijnoverschrijding (vgl. punt 3.1.3 van HR BNB 2013/102. Vgl. ook punt 46 van de schriftelijke opmerkingen van de Commissie. Zie ook de punten 3.1.2 en 3.1.3 van HR BNB 2013/102. Hof Amsterdam, 4 februari 2010, nr. P08/00850DK, ECLI:NL:GHAMS:2010:BL3962. En de btw-richtlijn. Thans artikel 30, eerste alinea, van de btw-richtlijn. In de woorden van de Zesde richtlijn: “een goed dat niet voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 9 en 10 van het (…) [EG-Verdrag]”, dat wil zeggen een goed dat niet van oorsprong is uit de Gemeenschap (artikel 9, thans artikel 28 VWEU) en dat niet in het vrije verkeer is gebracht (artikel 10, thans artikel 29 VWEU). De term niet-communautair goed ontleen ik aan artikel 4, lid 8, van het CDW, gelezen in samenhang met lid 7 van die bepaling. Thans is deze bepaling opgenomen in artikel 60 van de btw-richtlijn. Dit zijn: a. Goederen die bij de douane worden aangebracht en eventueel tijdelijk worden opgeslagen; b. Goederen die in een vrije zone of vrij entrepot worden geplaatst’; c. Goederen die komen te vallen onder een stelsel van douane-entrepots of onder een stelsel van actieve veredeling; d. Goederen die in de territoriale zee worden toegelaten en bestemd zijn voor – kortgezegd – boor- of werkeilanden. MvH: bedoeld is het arrest van 1 februari 2001, Wandel, C-66/99, punt 47. MvH: deze bepaling noemt (
- b)binnenbrengen van goederen in een vrije zone of een vrij entrepot; (
- c)wederuitvoer van goederen uit het douanegebied van de Gemeenschap; (
- d)vernietiging van goederen. MvH: artikel 4, onderdeel 16, CDW noemt onder (
- b)douanevervoer, onder (
- c)douane-entrepot, onder (
- d)actieve veredeling, onder (
- e)behandeling onder douanetoezicht en onder (
- f)tijdelijke invoer. Zie punt 8.3 van mijn conclusie van 10 mei 2011 in deze zaak. MvH: overweging 45 betreft de beantwoording van de eerste vraag. Zie onder meer het arrest Hamann, punt 29. Zie ook V-N 2013/53.17.