14/03179 mr. Keus Zitting 26 september 2014 Conclusie art. 80a RO inzake: [de man] (hierna: de man) verzoeker tot cassatie tegen [de vrouw] (hierna: de vrouw) verweerster in cassatie 1. Partijen zijn op 1 november 2004 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 22 augustus 2013, die op 29 november 2013 in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven, heeft de rechtbank Den Haag de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. 2. Bij diezelfde beschikking is de door de man verschuldigde partneralimentatie bepaald op € 425,- per maand, met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking telkens bij vooruitbetaling te voldoen. 3. In hoger beroep heeft de vrouw het hof Den Haag onder meer verzocht de haar toekomende partneralimentatie nader te bepalen op een bedrag van € 1.168,80 per maand totdat de echtscheiding definitief is en op € 1.015,80 per maand na de scheiding, althans op een bedrag als het hof vermeent te behoren. In incidenteel appel heeft de man verzocht de partneralimentatie op nihil te stellen, omdat de vrouw zou samenwonen met haar nieuwe partner als waren zij gehuwd (art. 1:160 BW). 4. Bij beschikking van 9 april 2014 heeft het hof Den Haag de partneralimentatie voor de vrouw met ingang van 29 november 2013 vastgesteld op € 969,- per maand. Het beroep van de man op art. 1:160 BW is door het hof met de navolgende overwegingen verworpen: “10. Tussen partijen staat vast dat de vrouw en haar huidige partner een duurzame affectieve relatie hebben. Ter zitting van het hof heeft de man gepersisteerd bij zijn stelling dat de vrouw en haar huidige partner samenwonen en hij wijst in dit kader met name op de volgende omstandigheden: - sinds december 2012 heeft de man de woning van de vrouw niet meer mogen betreden en bij het halen en brengen van de minderjarige zag hij de partner van de vrouw vaak in de tuin zitten; - sinds augustus 2013 betaalt de man geen huur meer voor de vrouw en sinds de inschrijvingsdatum de lagere alimentatie. Ondanks deze aanzienlijke achteruitgang heeft de vrouw haar levensstijl kunnen voortzetten; - de vrouw heeft geen pogingen ondernomen om een goedkopere huurwoning te zoeken en de man trekt daaruit de conclusie dat de vrouw in de woning wil (blijven) samenwonen met haar nieuwe partner; - alle vakanties en weekenden worden samen doorgebracht; - waar de partner van de vrouw staat ingeschreven is niet relevant. 11. Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat er geen sprake is (geweest) van een samenleven van de vrouw met haar huidige partner in de zin van artikel 1:160 BW. Uit de door de man aangevoerde omstandigheden volgt naar het oordeel van het hof niet dat sprake is van een wederzijdse verzorging, gemeenschappelijke huishouding en samenwoning van de vrouw met haar huidige partner. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het aannemelijk is dat de nieuwe partner van de vrouw, die kennelijk eveneens in een echtscheidingsprocedure is verwikkeld met alle financiële gevolgen van dien, thans financieel niet in staat is om de verplichting op zich te nemen financieel voor de vrouw te zorgen. Tevens merkt het hof op dat het binnen een affectieve relatie niet ongebruikelijk is om samen te winkelen en/of boodschappen te doen, gezamenlijk activiteiten te ondernemen, soms de nacht in elkaars woning door te brengen, al dan niet samen met de kinderen een vakantie door te brengen en aanwezig te zijn bij wederzijdse familieaangelegenheden.” 5. De man heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. Hij heeft drie cassatiemiddelen voorgedragen, waarvan de middelen 1 en 3 zijn gericht tegen rov. 11, en meer in het bijzonder tegen de daarin voorkomende zinsnede “die kennelijk eveneens in een echtscheidingsprocedure is verwikkeld met alle financiële gevolgen van dien, thans financieel niet in staat is om de verplichting op zich te nemen financieel voor de vrouw te zorgen”. Naar de kern genomen betogen beide middelen dat de omstandigheid dat de nieuwe partner de vrouw financieel wellicht minder heeft te bieden dan de man (waarvoor overigens geen enkel bewijs is geleverd) aan toepassing van art. 1:160 BW niet in de weg staat en dat de eis van wederzijdse verzorging niet impliceert dat de nieuwe partner van de vrouw tot financiële verzorging van de vrouw in staat moet zijn. 6. Ik acht deze klachten in die zin gegrond, dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.