13/02643 mr. Keus Zitting 14 maart 2014 Conclusie inzake: [de vrouw] (hierna: de vrouw) verzoekster tot cassatie advocaat: mr. C.G.A. van Stratum tegen [de man] (hierna: de man) verweerder in cassatie mrs. R.P.J.L. Tjittes en L. van den Eshof In deze alimentatiezaak gaat het om de berekening van de draagkracht van de man. De man is directeur-grootaandeelhouder (hierna: dga) van een besloten vennootschap, een holding met deelnemingen in twee andere besloten vennootschappen. Voor het bepalen van de draagkracht heeft het hof acht geslagen op de inkomsten die de man in de vorm van salaris verwerft en heeft het dat salaris vastgesteld op een percentage van de aan de holding toekomende management fee. De vrouw stelt zich op het standpunt dat ook rekening zou moeten worden gehouden met in de holding c.q. de deelnemingen besloten liggende winsten, die in de vorm van dividend zouden kunnen worden uitgekeerd.
(2012), p. 150; A. Heida, Directeur-grootaandeelhouder, echtscheiding en partneralimentatie, Dossier 2000, p. 23-30, in het bijzonder p. 27-29; HR 31 maart 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0702, NJ 1989/508, rov. 3.1; hof Amsterdam 26 juni 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ3844, rov. 4.6; hof ’s-Gravenhage 5 november 2008, ECLI:NL:GHSGR:2008:BG4993, RFR 2009/
- Vgl. conclusie A-G Langemeijer onder 2.3 voor HR 12 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3365, NJ 2000/102, alsmede hof ’s-Gravenhage 13 februari 2008, ECLI:NL:GHSGR:2008:BC6688, rov.
- Een andere optie wordt vermeld door B.M. Mens, Alimentatie en winst uit onderneming, Trema 1996, p. 368-372, in het bijzonder p. 372: “
- interen op het vermogen: als het aandelenkapitaal hoger is dan het wettelijk minimum kan de schuld in rekening-courant worden afgelost op de overmatige reserve” . Vgl. B.M. Mens, Alimentatie en winst uit onderneming, Trema 1996, p. 368-372, in het bijzonder p. 372: “Soms leidt dit tot de stelling dat de BV constructie weggedacht kan worden en de gehele winst als inkomen van de ondernemer kan worden gezien voor welke opvatting in het kader van de alimentatie-vaststelling wel grond is als de BV vorm is gekozen om belastingbetaling uit te stellen en vermogen in het bedrijf op te bouwen en de ondernemer in dit voornemen is geslaagd.” Zie A.N. Labohm, Flex BV en alimentatie - De BV is geen pinautomaat van de bestuurder, EB 2012, p. 166-
- Vgl. A-G Wuisman in zijn conclusie onder 2.4.2 voor HR 12 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4206, RvdW 2007/869, die enerzijds de beoordelingsvrijheid van de alimentatieplichtige ondernemer erkent, maar anderzijds die beoordelingsvrijheid beperkt acht door diens verantwoordelijkheid voor de belangen van de alimentatiegerechtigde. Vooral indien van de kant van de alimentatiegerechtigde op redelijke gronden het verweer is gevoerd dat uit de onderneming meer inkomsten zijn te halen, is het volgens Wuisman aan de alimentatieplichtige ondernemer om duidelijk te maken dat en waarom die mogelijkheid er niet is. Stb. 2012, 299 en Stb 2012, 300; zie voor de inwerkingtreding Stb. 2012,
- Artikel 2:373 lid 1 sub c, d en e en lid 4 BW. Men bedenke dat het hier gaat om gebonden reserves. Winst kan echter ook in de vorm van een zogenaamde vrije reserve op de balans verschijnen. In dergelijke gevallen kan wel tot uitkering worden overgegaan; vgl. E.D.G. Kiersch, T&C BW