Zaaknr. 14/00586 mr. E.M. Wesseling-van Gent Zitting: 17 oktober 2014 Conclusie inzake: [de man] (de man) tegen [de vrouw] (de vrouw) In deze (partner)alimentatiezaak is aan de orde of het hof bij het bepalen van de draagkracht van de man een gemeenschappelijke rekening-courant schuld en een schuld van de man aan zijn ouders buiten beschouwing mocht laten. 1. Feiten en procesverloop 1.1 Partijen zijn op 26 augustus 2008 te Sittard-Geleen met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk is één thans nog minderjarig kind (hierna: het kind) geboren. Partijen oefenen samen het ouderlijk gezag over het kind uit. Het kind heeft het hoofdverblijf bij de man. 1.2 Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Maastricht op 14 maart 2012, heeft de vrouw de rechtbank – voor zover thans van belang – verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en te bepalen dat de man aan de vrouw maandelijks een bedrag van € 536,57 betaalt als partneralimentatie. 1.3 De man heeft een verweerschrift tevens antidotaal rekest ingediend, waarin ook hij heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en hij voorts heeft bestreden de draagkracht te hebben om de verzochte partneralimentatie te kunnen voldoen. 1.4 Na verdere stukkenwisseling heeft de rechtbank de zaak behandeld ter zitting van 18 januari 2013, waar beide partijen en hun advocaten zijn verschenen. 1.5 De rechtbank heeft bij beschikking van 6 februari 2013 – zakelijk weergegeven – de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat de man, uitvoerbaar bij voorraad, aan de vrouw een bedrag van € 90,- per maand als partneralimentatie dient te betalen. Het meer of anders gevorderde is afgewezen. 1.6 De man is, onder aanvoering van drie grieven, van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch en heeft daarbij verzocht de beschikking van de rechtbank voor zover het betreft de door de man te betalen partneralimentatie alsmede de daarop betrekking hebbende uitvoerbaar verklaring bij voorraad te vernietigen en, in zoverre opnieuw rechtdoende, het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie alsnog af te wijzen, althans die vast te stellen op een bedrag dat het hof juist acht. 1.7 De vrouw heeft bij verweerschrift op de incidentele vordering verzocht het verzoek van de man tot schorsing van de uitvoerbaar verklaring bij voorraad af te wijzen als ongegrond en onbewezen. 1.8 Het geschil in de hoofdzaak met betrekking tot de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw is afgesplitst ter afzonderlijke behandeling en beslissing en ter griffie van het hof geadministreerd onder zaaknummer HV 200.124.166/01. 1.9 Het geschil met betrekking tot het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar verklaring bij voorraad heeft het zaaknummer HV 200.124.166/02 gekregen. In die zaak heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden op 1 mei 2013 in aanwezigheid van de man, bijgestaan door zijn advocaat, de advocaat van de vrouw en de stichting Bureau Jeugdzorg, vertegenwoordigd door de gezinsvoogd. De vrouw is met bericht van verhindering niet ter zitting verschenen. Vervolgens heeft het hof bij beschikking van 23 mei 2013 het verzoek van de man tot schorsing van de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van de beschikking van de rechtbank met betrekking tot de partneralimentatie afgewezen. 1.10 In het geschil in de hoofdzaak met betrekking tot de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw (zaaknummer HV 200.124.166/01) heeft de vrouw bij verweerschrift – zakelijk weergegeven – verzocht het verzoek van de man tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank op het punt van de partneralimentatie af te wijzen. Tevens heeft zij daarbij incidenteel appel ingesteld en het hof verzocht de beschikking van de rechtbank ten aanzien van de partneralimentatie te vernietigen en de man te verplichten maandelijks een bedrag van € 287,- aan haar te voldoen. 1.11 De man heeft het incidenteel appel bestreden. 1.12 De mondelinge behandeling in die zaak heeft op 19 september 2013 plaatsgevonden. Bij die gelegenheid zijn gehoord de man en de vrouw, bijgestaan door hun advocaten, de stichting Bureau Jeugdzorg, vertegenwoordigd door de gezinsvoogd en de Raad voor de Kinderbescherming, vertegenwoordigd door mr. W.A.J. Bekker. 1.13 Het hof heeft bij beschikking van 31 oktober 2013 in het principaal en incidenteel appel de beschikking van de rechtbank – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – vernietigd, onder meer wat betreft de partneralimentatie, en in zoverre opnieuw rechtdoende, de door de man te betalen partneralimentatie bepaald op € 65,- per maand met ingang van 28 februari 2013, de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen. 1.14 De man heeft tegen deze beschikking tijdig cassatieberoep ingesteld. Op p. 1 van het cassatieverzoekschrift is een voorbehoud gemaakt tot het aanvullen van het cassatiemiddel wegens het ontbreken van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 september 2013. Van dat voorbehoud is geen gebruik gemaakt. De vrouw heeft in cassatie geen verweer gevoerd. 2Bespreking van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel, dat m.i. uit zes onderdelen en diverse subonderdelen bestaat, is gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.24 en 3.25, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld: “3.24. De man stelt dat hij rente betaalt op een gemeenschappelijke rekening-courant schuld bij de Rabobank, die op 4 februari 2013 € 2.683,10 bedroeg. De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd bestreden. Het hof overweegt dat de man niet verklaard heeft om welke reden de betreffende schuld is aangegaan en hoe hoog deze schuld bij aangaan was. De man heeft voorts ter zitting verklaard dat nog onduidelijk is in hoeverre de betreffende schuld voor zijn rekening komt, nu de huwelijksgemeenschap van partijen nog verdeeld moet worden. Op grond van het voorgaande houdt het hof geen rekening met deze schuld. 3.25 De man heeft voorts gesteld dat hij een schuld aan zijn ouders van € 10.000,-- met een rente van 4,8% per jaar, dient te voldoen, welk bedrag is aangewend voor het verbeteren van de voormalige echtelijke woning. De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd bestreden. Het hof is van oordeel dat de man tegenover de betwisting door de vrouw het bestaan van deze schuld onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Voorts heeft de man, indien wel zou worden uitgegaan van het bestaan van de schuld, niet nader onderbouwd dat sprake is van een aflossingsverplichting en evenmin, dat feitelijk wordt afgelost of rente wordt betaald. Het hof overweegt tot slot dat uit het door de man als productie 6 overgelegde testament van de vader van de man blijkt dat de betreffende schuld in de nalatenschap wordt verrekend met het erfdeel van de man. Ook dit wijst niet op een daadwerkelijke aflossingsverplichting op dit moment. Op grond van het voorgaande houdt het hof geen rekening met deze schuld.” 2.2 In de onderdelen 1-3 wordt opgekomen tegen rechtsoverweging 3.24 over de rekening-courantschuld. Gezien de in het cassatieverzoekschrift opgenomen kopjes stellen de klachten een drietal thema’s (“Aflossing is niet vereist”, “Geen reden voor schuld vereist” en “Verdeling van de huwelijksgemeenschap”) aan de orde en wordt nog een veegklacht geformuleerd. De onderdelen 4-6 zijn gericht tegen rechtsoverweging 3.25 over de schuld van de man aan zijn ouders. Ook deze onderdelen zijn gegroepeerd rond een drietal thema’s (“Dwingendrechtelijke bewijskracht van authentieke akten”, “Aflossing is niet vereist” en “Onbegrijpelijke lezing van het testament”) en worden afgesloten door een veegklacht. Hieronder worden de klachten van de diverse onderdelen waar mogelijk samen besproken. 2.3 Daarbij kan het volgende tot uitgangspunt worden genomen. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de rechter bij de vaststelling van alimentatie grote vrijheid geniet en dat hij bij het vaststellen van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en de draagkracht van de onderhoudsplichtige een zelfstandige taak heeft. Het is daarbij aan de onderhoudsplichtige om de rechter ervan te overtuigen dat hij onvoldoende draagkracht heeft. Bij betwisting daarvan dient hij de nodige bescheiden te overleggen waaruit een en ander blijkt. 2.4 Een en ander brengt naar eveneens vaste rechtspraak mee dat de beslissing van de rechter in cassatie dan ook slechts beperkt toetsbaar is en dat aan de motivering van alimentatiebeschikkingen geen hoge eisen kunnen worden gesteld. Wel geldt dat dergelijke beschikkingen zodanig moeten worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geven in de gedachtegang die aan die beslissing ten grondslag ligt, zodat deze voor partijen en derden controleerbaar en aanvaardbaar wordt. De omvang van de motiveringsplicht wordt mede bepaald door de omstandigheden van het geval, waaronder het partijdebat. De rechter behoeft in beginsel niet in te gaan op alle door partijen aangevoerde stellingen of in de beschikking alle uitgevoerde berekeningen op te nemen. Hij dient wel de essentiële stellingen van partijen te behandelen en uit de beschikking moet blijken welke gegevens hij bij de berekeningen heeft gebruikt. 2.5 Vaste rechtspraak is voorts dat bij de draagkrachtberekening alle schulden in aanmerking moeten worden genomen – ook indien daarop niet wordt afgelost – en dat, indien de rechter in afwijking van deze hoofdregel een grond aanwezig acht om aan bepaalde schulden meer of minder gewicht toe te kennen, voldoende inzicht moet worden gegeven in de gedachtegang die tot die beslissing heeft geleid. Deze rechtspraak is door de Hoge Raad dit jaar herbevestigd: “Bij de bepaling van de draagkracht van een onderhoudsplichtige dient de rechter rekening te houden met alle uitgaven die voor die bepaling van die draagkracht in redelijkheid van belang kunnen zijn. Op de draagkracht zijn in beginsel alle schulden van de onderhoudsplichtige van invloed, ook schulden die zijn ontstaan na het tijdstip waarop de onderhoudsplicht is komen vast te staan en ook schulden waarop niet wordt afgelost (zie bijv. HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1843, NJ 2008/402). Weliswaar kan de rechter redenen aanwezig oordelen om in afwijking van deze hoofdregel aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen, maar in dat geval dient hij dit oordeel te motiveren. In dit verband valt te denken aan schulden die na het vaststellen van de onderhoudsplicht onnodig werden aangegaan, of aan schulden ten aanzien waarvan de onderhoudsplichtige de mogelijkheid heeft zich te bevrijden of een regeling te treffen (zie HR 29 september 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6360, NJ 1979/143).” 2.6 Het in afwijking van de hoofdregel niet (geheel) meewegen van een schuld bij het bepalen van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, leidt dus tot een aanscherping van de motiveringsplicht van de rechter. Als voorbeelden van dergelijke schulden noemt de Hoge Raad schulden die na het vaststellen van de onderhoudsplicht onnodig werden aangegaan, of aan schulden ten aanzien waarvan de onderhoudsplichtige de mogelijkheid heeft zich te bevrijden of een regeling te treffen. 2.7 Indien de rechter bij de vaststelling of wijziging van alimentatie een redelijke mate van zekerheid heeft dat zich in de toekomst een omstandigheid zal voordoen, die voor die uitkering van belang is, staat het hem vrij daarmee reeds op voorhand rekening te houden. Ook dit is vaste rechtspraak. Tenzij sprake is van een omstandigheid die ertoe zal leiden dat de uitkering op een toekomstig tijdstip op nihil moet worden gesteld, gelden daarbij de normale motiveringseisen. 2.8 De onderdelen 1-2 klagen – verkort weergegeven – dat het hof heeft miskend dat niet is vereist dat op een schuld wordt afgelost en dat een reden voor schuld evenmin is vereist. De klacht dat het hof heeft geoordeeld dat niet wordt afgelost, mist feitelijke grondslag en faalt om die reden. Voor het overige stuiten de onderdelen af op hetgeen het hof heeft geoordeeld met betrekking tot de omstandigheid voor wiens rekening de desbetreffende schuld komt. 2.9 Zoals uit het voorgaande blijkt, worden bij de bepaling van de draagkracht van de alimentatieplichtige al diens schulden in aanmerking genomen. De (advocaat van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.