13/05569 mr. G.R.B. van Peursem Zitting 17 oktober 2014 Conclusie inzake: [eiser] (hierna: [eiser]) tegen [verweerster] (hierna: [verweerster]) Konden partijen in deze zaak na drie aansluitende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en een daar weer op aansluitende vierde arbeidsovereenkomst meteen bij het aangaan van deze vierde overeenkomst een vaststellingsovereenkomst sluiten ter beëindiging van die laatste arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden na verloop van ongeveer één jaar om zo art. 7:668a lid 1 sub b BW uit de ketenregeling te omzeilen? Volgens de kantonrechter kan dat niet, maar het hof ziet dat anders. Het daartegen gerichte cassatiemiddel van [eiser] slaagt mijns inziens ([verweerster] heeft zich gerefereerd in cassatie).
(2005), nr. 103. Dit is wel een “kennelijke vergissing”, hier is naar mij voorkomt [eiser] bedoeld. Deze grief luidde: “Ten onrechte overweegt de kantonrechter al hetgeen in rechtsoverweging 9 en 10 staat vermeld.” In rov. 9 past de kantonrechter zoals we bij de beoordeling van onderdeel 2 nog zullen zien, op juiste wijze art. 7:902 BW toe. In rov. 10 van het kanongerechtsvonnis staat dat zelfs als art. 7:902 BW wel zou opgaan (de ktr. meende terecht van niet), dat dan de overeenkomst nietig is wegens strijd met de openbare orde of goede zeden (zodat alsdan de uitzondering van art. 7:902 BW niet op zou gaan, zo is de onuitgesproken nadere gevolgtrekking uit rov. 10 van het kantonvonnis). Zie bijv. Broekema-Engelen, T&C Burgerlijk Wetboek, art. 7:902, aant. 1 sub b, Asser/Van Schaik 7-VIII* 2012 [153, 156], Groene Serie Bijzondere Overeenkomsten, Van den Heuvel & Maclean, art. 7:902, aant. 3, zie ook HR 21 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1711, NJ 1997/570 m.nt. CHJB (Fysiotherapeuten), HR 5 april 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0194, NJ 1992/ 244 m.nt. PvS en HR 14 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0503, NJ 1992/ 245 m.nt. PvS, de kritische noot onder het in de onderhavige zaak bestreden arrest van het Bossche hof van R.L. van Heusden (JAR 2013/231) en A.C. van Schaik, De overeenkomst ter voorkoming van onzekerheid, NTBR 2014/34, afl. 8. Van Heusden wijst er in zijn JAR noot op dat (zo art. 7:902 BW al van toepassing zou zijn hier, wat niet het geval
- is)dit artikel o.g.v. PG, genoemd Fysiotherapeuten-arrest en literatuur (M. van Zijst, De vaststellingsovereenkomst in strijd met dwingend recht (diss.) Amsterdam, 2001, p. 59 (die overigens voor afschaffing van art. 7:902 BW pleit), de NJ noot van Van Schilfgaarde onder genoemd HR NJ 1992/244 arrest en A. Stege, De vaststellingsovereenkomst in de cao, SMA 2002, p. 515) niet is bedoeld om pp. de mogelijkheid te bieden van dwingend recht af te wijken, indien op voorhand duidelijk is dat hetgeen pp. voor ogen hebben daarmee strijdig is. Dat lijkt mij precies wat in onze casus aan de hand is. Zie ook voor een toelichting op dit onderscheid tussen de twee categorieën MvA, TK 1992/1993, 17 779 nr. 95b, pp. 3 en 4. en dezelfde Van Heusden, De vaststellingsovereenkomst in strijd met dwingend arbeidsrecht; een panacee tegen knellende kaders?, TAP 2014/2, pp. 118 e.v. gaat na zijn annotatie in dit artikel nog eens uitvoerig in op het Bossche arrest in onze zaak en geeft op pp. 122-124 drie redenen waarom hier geen sprake kan zijn van een in weerwil van dwingend arbeidsrecht geldende vaststellingsovereenkomst:
- a)het is volgens deze auteur geen vaststellingsovereenkomst, maar voor zover al kan worden gezegd dat dat wel zo zou zijn, dan is deze hooguit gericht op voorkoming van een eventuele beëindigingsdiscussie en art. 7:902 BW is alleen gericht op beëindiging van onzekerheid of geschil in weerwil van dwingend recht,
- b)een vaststellingsovereenkomst mag niet gericht zijn op doorkruising van dwingend recht en
- c)de strekking van het arbeidsrecht verzet zich hier ook tegen toepassing van art. 7:902 BW. Het onderdeel rept steeds van rov. 3.7.2, maar dat komt in het bestreden arrest niet voor; duidelijk is gedoeld op rov. 7.3.2. Zie bijv. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014, nr. 313. HR 1 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5609, NJ 2013/172 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai. Voor een overzicht van de ontwikkeling in het denken over art. 3:40 BW zie de conclusie van A-G Wissink voor dit arrest. HR 7 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5401, NJ 2000/652 m.nt. J. Hijma (Parkeerexploitatie/Amsterdam) betrof een casus waarbij de gemeente zich contractueel had verplicht tot een bij de Wegenwet verboden prestatie. De rechtbank had geoordeeld dat de voor de gemeente kenmerkende prestatie dwingt tot een met de wet strijdige beperking in het gebruik van de weg, nu het geen beperking betreft die krachtens de artikelen 6 en 14 van de Wegenwet is toegestaan. De rechtbank oordeelde dat, gelet op de aard en strekking van deze dwingende wetsbepalingen, die tot doel hebben de onbeperkte toegankelijkheid van openbare wegen zoveel mogelijk te waarborgen, dit strijd oplevert met de openbare orde en leidt tot de nietigheid van de overeenkomst op grond van art. 3:40 lid 1 BW. De Hoge Raad heeft de tegen dit oordeel gerichte motiveringsklacht afgewezen. HR 11 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001: AB1555, NJ 2002/364 m. nt. J. Hijma (Wet tarieven gezondheidszorg) betrof de vraag of een behandelovereenkomst tot het verrichten van implantatie in strijd was met bepalingen in de Wet tarieven gezondheidszorg en om die reden nietig was. Geoordeeld wordt dat WTG niet het aangaan van de behandelovereenkomst verbood, alleen het in rekening brengen van een niet-rechtsgeldig tarief. Vervolgens kwam de vraag aan de orde of de overeenkomst nietig was wegens strijd met de openbare orde. Hoewel de overeenkomst niet strookte met het budgetstelsel zoals neergelegd in de WTG, kan volgens Uw Raad niet gezegd worden dat de overeenkomst strijd opleverde op zo fundamentele beginselen van de rechtsorde, dat sprake is van strijd met de openbare orde. TRA annotator C.J. Frikkee meent in haar noot onder het ten cassatie staande arrest onder 3 ook dat dit in strijd komt met de openbare orde of goede zeden, zie TRA 2013/94. De s.t. zijdens [eiser] wijst in 56 daarvoor nog op T&C, art. 7:610 BW, aant. 7, wat er op neerkomt dat bij strijd met driekwart-dwingend recht volgens de wetgever sprake is van nietigheid, zulks op advies van de SER. Van Heusden, a.w., TAP 2014/2 onder 4.2, Frikkee’s annotatie in TRA 2013/94 onder 7 en A.R. Houweling, VAAN AR update, 5 september 2013, sub 3, 2e alinea. Kort samengevat overweegt het hof daar dat [verweerster] stelt dat [eiser] altijd op zijn 61e met vroegpensioen wilde en toen hij niet daarvoor in aanmerking bleek te komen [verweerster] hem ter wille is geweest om hem nog een tijd in dienst te houden, maar dan wel meteen een einddatum wilde overeenkomen. Punt d. uit de preambule is alleen opgenomen op [eiser] WW-aanspraken zo veel mogelijk te sauveren. [eiser] stelt volgens het hof nooit zelf over vroegpensioen te zijn begonnen, al in november 2010 de vaststellingsovereenkomst zou hebben getekend en pas veel later de arbeidsovereenkomst, welk onbepaalde tijdscontract hem op initiatief van [verweerster] is voorgelegd en dat hij geen keus had bij ondertekening, omdat hij anders per 18 februari 2011 werkloos zou worden. In de s.t. zijdens [verweerster] wordt bepleit dat na verwijzing aan deze aspecten aandacht behoort te worden besteed, hetgeen in de daar bepleite visie zou kunnen uitmonden in een qua resultaat vergelijkbare beslissing als gegeven door het Bossche hof. Typo staat zo in het arrest.