← Nederland

ECLI:NL:PHR:2014:190

14/00362 Mr. P. Vlas Zitting, 14 maart 2014 Conclusie inzake art. 80a RO: [eiser] tegen Liander N.V.

  1. [eiser] is huurder geweest van een café met bijbehorende woning in [plaats]. De bovenverdieping van het pand heeft hij onderverhuurd aan [betrokkene], regelmatige bezoeker van het café. Op 1 november 2010 is op de bovenverdieping een hennepplantage aangetroffen en is vastgesteld dat op de toevoerleiding waardoor het betrokken pand van elektriciteit werd voorzien, vóór de meterkast een illegale aansluiting was gemaakt waardoor de hennepplantage van elektriciteit werd voorzien. Deze illegale aansluiting bevond zich in een kruipruimte onder het café. Tussen [eiser] en Liander heeft vanaf enig tijdstip in 1996 een overeenkomst bestaan op grond waarvan Liander elektriciteit die [eiser] van een derde betrok, transporteerde naar het pand. Na ontdekking van de illegale aansluiting heeft Liander het transport van elektriciteit naar het door [eiser] gehuurde pand direct onderbroken en de elektriciteitsmeter verwijderd. Liander heeft [eiser] aansprakelijk gesteld voor de schade geleden door de illegale aansluiting en de illegaal afgenomen elektriciteit.
  2. De rechtbank Haarlem heeft bij vonnis van 15 februari 2012 de vordering van Liander toegewezen. Het hof Amsterdam heeft bij arrest van 8 oktober 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:3455) het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Volgens het hof is [eiser] tekortgeschoten in de nakoming van zijn uit de overeenkomst met Liander voortvloeiende zorgplicht (rov. 3.6). Het hof is verder van oordeel dat [eiser] bij uitstek in de gelegenheid was om het maken en het gebruik van de illegale aansluiting te verhinderen, zodat de omstandigheid dat hij dit niet heeft gedaan in de verhouding tot Liander voor zijn rekening komt (rov. 3.9). Ten slotte heeft het hof ten aanzien van de omvang van de schadevergoedingsplicht geoordeeld dat [eiser] geen voldoende concrete feiten heeft gesteld en te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden.
  3. [eiser] heeft tegen het arrest van het hof tijdig cassatie ingesteld. Het cassatieberoep bestaat uit twee middelen die zijn gericht tegen rov. 3.6 t/m 3.10 van het bestreden arrest. Deze middelen rechtvaardigen geen behandeling in cassatie, omdat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Middel I betoogt in de kern genomen dat het hof in rov. 3.7 (abusievelijk verwijst het middel naar de niet-bestaande rov. 4.7) heeft miskend dat de frauduleuze aansluiting vóór de elektriciteitsmeter is geplaatst op openbaar terrein, althans op een terrein dat niet viel onder het door [eiser] gehuurde perceel. Het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 3.7 overwogen dat de stelling van [eiser] dat sprake was van een illegale aansluiting onder de openbare weg voor het café haaks staat op de onbestreden vaststelling door een fraudespecialist van Liander dat de betrokken aansluiting zich bevond in een kruipruimte onder het café. Volgens het hof strekt de zorgplicht van [eiser] zich tot die kruipruimte uit, mede in aanmerking genomen dat [eiser] niet heeft aangevoerd dat die kruipruimte uitsluitend vanaf de openbare weg en niet vanuit het café toegankelijk was.
  4. Middel II faalt waar het middel voortbouwt op middel I. Voor zover middel II betoogt dat het hof bij de begroting/schatting van de schade op de voet van art. 6:97 BW in strijd heeft gehandeld met art. 6 EVRM jo. art. 47 EU Handvest grondrechten, faalt het evenzeer. Het hof heeft in rov. 3.9 overwogen dat [eiser] bij uitstek in de gelegenheid was om het maken en het gebruik van de illegale aansluiting te verhinderen en dat dit tekortschieten in de verhouding tot Liander voor [eiser]’ rekening komt. In grief IV heeft [eiser] uitsluitend aangegeven dat hij niet toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn zorgplicht tegenover Liander en dat er geen juridische grondslag is te vinden voor de vastgestelde schade en de toewijzing van de vordering. Het hof heeft geoordeeld dat deze grief faalt, omdat het hof heeft vastgesteld dat [eiser] wel is tekortgeschoten in de genoemde zorgplicht. Van een schending van hoor en wederhoor bij de schatting van de schade op de voet van art. 6:97 BW is, anders dan het middel betoogt, geen sprake, terwijl de beslissing van het hof voorts niet onjuist of onbegrijpelijk is.
  5. De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.