ECLI:NL:PHR:2014:1959
Nr. 13/05119 Zitting: 16 september 2014 Mr. Aben Conclusie inzake: [verdachte] 1. Het gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft bij arrest van 25 april 2013 de verdachte ter zake van 1. tweede alternatief “handelingen plegen ter voorbereiding van een inlichting en/of een voorwerp als bedoeld in artikel 98 van het Wetboek van Strafrecht zonder daartoe gerechtigd te zijn opzettelijk verstrekken aan en/of ter beschikking stellen van een buitenlandse mogendheid, terwijl hij weet dat het een zodanige inlichting betreft” en 2. “opzettelijk een voorwerp als bedoeld in artikel 98 van het Wetboek van Strafrecht, zonder daartoe gerechtigd te zijn, onder zich houden” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. Voorts bevat het arrest enkele bijkomende beslissingen.
F-16 Capabilities en Air-Air weapons employment en 2v1 ACM (contract & comm.); en ○ een document (meerkeuzetoets) onder de vermelding:
TOP MLU zonder daartoe gerechtigd te zijn, onder zich heeft gehouden.”
Ten tweede omdat er een kopie is gemaakt van het A4'tje, welke kopie in het procesdossier van de zaak tegen de verdachte is gevoegd, waardoor sprake is van “blijvende” processchade. Die schade dient volgens het Internationaal Gerechtshof te worden gerepareerd door alle consequenties van de illegale handeling te doen uitwissen, hetgeen betekent dat het A4'tje van het bewijs dient te worden uitgesloten, aldus de verdediging. Ten derde omdat de aanhouding van [getuige 1] in strijd is met artikel 31 van het Verdrag van Wenen. En ten slotte omdat het openbaar ministerie, toen het besloot tot aanhouding van [getuige 1] en voeging van de kopie van het A4'tje in het procesdossier, wist c.q. kon weten dat de kans zeer groot was dat [getuige 1] - vanwege het feit dat hij als diplomatieke ambtenaar niet verplicht was om als getuige op te treden - in de onderhavige strafzaak nimmer gehoord zou kunnen worden.
Het hof overweegt dienaangaande het volgende.
Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een situatie waarin een diplomaat bij betrapping op heterdaad wordt aangehouden en een schrijfmap, waarin zich mogelijk staatsgeheime informatie bevindt, in beslag wordt genomen teneinde te voorkomen dat een misdrijf - in het onderhavige geval het zonder daartoe gerechtigd te zijn opzettelijk onder zich houden van staatsgeheime informatie als bedoeld in artikel 98c van het Wetboek van Strafrecht - wordt gepleegd.
Echter, zelfs wanneer de aanhouding van [getuige 1] en de inbeslagname van het A4'tje als onrechtmatig moet worden aangemerkt, dan is het hof van oordeel dat het niet de verdachte is die door de niet-naleving van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen. In dat geval behoeft overeenkomstig het tweede lid van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering als regel geen rechtsgevolg te worden verbonden aan een verzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.
Ten aanzien van de vraag om welke redenen de strafrechter gebruik kan maken van de bevoegdheid tot toepassing van bewijsuitsluiting als rechtsgevolg van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 19 februari 2013 (LJN BY5321) onder meer overwogen (r.o. 2.4.5 en 2.4.6): “In gevallen waarin het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM niet (rechtstreeks) aan de orde is, maar sprake, is van een ander belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel dat in aanzienlijke mate is geschonden, kan toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk worden geacht als middel om toekomstige vergelijkbare vormverzuimen die onrechtmatige bewijsgaring tot gevolg hebben te voorkomen en een krachtige stimulans te laten bestaan tot handelen in overeenstemming met de voorgeschreven norm. Een dergelijke toepassing van bewijsuitsluiting als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden kan in beeld komen als sprake is van een vormverzuim dat resulteert in een zeer ingrijpende inbreuk op een grondrecht van de verdachte. (...) Toepassing van bewijsuitsluiting is voorts niet onder alle omstandigheden uitgesloten als sprake is van de - zeer uitzonderlijke - situatie (...) waarin het desbetreffende vormverzuim naar uit objectieve gegevens blijkt zozeer bij herhaling voorkomt dat zijn structureel karakter vaststaat en de verantwoordelijke autoriteiten zich, vanaf het moment waarop dit structurele verzuim hun bekend moet zijn geweest, onvoldoende inspanningen hebben getroost overtredingen van het desbetreffende voorschrift te voorkomen. De enkele stelling dat zich zodanig structureel verzuim voordoet is daartoe niet toereikend en behoeft de rechter in de desbetreffende procedure geen aanleiding te geven daarnaar een onderzoek in te stellen. Het ligt daarbij op de weg van de verdediging aan de hand van buiten de voorliggende zaak reeds bekende gegevens te onderbouwen dat zich zodanig structureel verzuim voordoet.”
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat in verband met de door haar gesignaleerde viervoudige schending van het Verdrag van Wenen in de onderhavige zaak sprake is van laatstgenoemd geval.
De verdediging heeft de stelling dat sprake is van een vormverzuim van structurele aard evenwel niet aan de hand van buiten de voorliggende zaak reeds-bekende gegevens onderbouwd. Nu het hof niet is gebleken van een structureel verzuim, wordt het verweer dan ook verworpen.”
Mij is gister en nog door het Ministerie van Veiligheid en Justitie verzekerd dat aan de liaison officier in Moskou is doorgegeven dat het rechtshulpverzoek haast heeft. Hij heeft het verzoek voorgelegd aan de Russische autoriteiten. De Russische autoriteiten zouden echter een attaché niet toestaan om als getuige in een strafzaak op te treden. Daarenboven zijn zij boos vanwege de aanhouding van [getuige 1], die voorafgaand aan zijn aanhouding in een diplomatieke auto reed, en vanwege het feit dat [getuige 1] een uur is vastgehouden en dat kopieën zijn gemaakt van de documenten die hij bij zich had.
Mr. Knoops deelt in reactie daarop mede:
Zolang de Russische autoriteiten niet officieel hebben geweigerd om medewerking te verlenen aan het rechtshulpverzoek, zal de verdediging geen afstand kunnen doen van deze getuige. Nog niet staat vast dat hernieuwde oproeping van de getuige nutteloos of overbodig is. De verdediging verzoekt de advocaat-generaal daarom nog een poging te wagen.
De advocaat-generaal deelt mede dat hij het met het oog op het recht van de verdachte op een eerlijk proces noodzakelijk acht dat nog een poging wordt gewaagd.
Het hof verzoekt - na kort onderling beraad – de advocaat-generaal het daarheen te geleiden dat de getuige [getuige 1] wordt opgeroepen voor de terechtzitting van 15 april 2013 te 10.00 uur.”
Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld deelt de advocaat-generaal ter toelichting op zijn aan het hof gezonden e-mailberichten d.d. 14 en 15 april 2013 mede:
Ik verwacht niet dat de getuige [getuige 1] ooit zal verschijnen. De liaison officier in Moskou heeft al het mogelijke gedaan. Hij heeft de indruk gekregen dat de Russische autoriteiten op geen enkele wijze medewerking willen verlenen aan het verzoek. Er is steeds gezegd dat er een brief zal worden verzonden, maar dat is niet gebeurd.
Mr. Knoops deelt in reactie daarop mede:
De verdediging doet formeel geen afstand van deze getuige. De verdediging refereert zich ten aanzien van de vraag of de getuige opnieuw moet worden opgeroepen evenwel aan het oordeel van het hof.
De voorzitter deelt mede dat nu de verdediging geen verzoek tot hernieuwde oproeping van de getuige [getuige 1] heeft gedaan, het hof daar thans geen beslissing over zal nemen.”
De verdediging heeft geen afstand gedaan van deze getuige, maar zich ter terechtzitting van 15 april 2013 ten aanzien van hernieuwde oproeping van [getuige 1] gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het hof constateert dat de vele inspanningen die de advocaat-generaal zich heeft getroost om deze getuige ter terechtzitting te laten verschijnen, vruchteloos zijn gebleven. Nu het naar het oordeel van het hof onaannemelijk is dat de getuige (binnen een aanvaardbare termijn) ter terechtzitting zal verschijnen, ziet het hof af van hernieuwde oproeping van de getuige.”
Het hof stelt vast, zoals reeds hiervoor is overwogen, dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest de defensie-attaché van de Ambassade van de Russische Federatie in Den Haag, [getuige 1], te horen, ondanks dat het openbaar ministerie alles in het werk heeft gesteld om een verhoor ter terechtzitting in hoger beroep van die getuige te bewerkstelligen.
Het hof is echter van oordeel dat geen sprake is van de situatie waarin de verdediging niet in de gelegenheid is geweest om de betrouwbaarheid van een tot het bewijs gebezigde getuigenverklaring te toetsen. [getuige 1] heeft in de onderhavige zaak immers in het geheel geen verklaring afgelegd. Het enkele feit dat de verdediging [getuige 1] - die mogelijk een voor de verdachte ontlastende verklaring zou kunnen afleggen - niet heeft kunnen horen omtrent zijn contacten met de verdachte, zijn interpretatie van de aantekeningen op het op 17 maart 2011 onder hem in beslag genomen en zich in het dossier bevindende A4'tje en het proces-verbaal van bevindingen betreffende het uitluisteren van de deels hoorbare geluidsopname van het gesprek dat hij op 17 maart 2011 met de verdachte heeft gevoerd, leidt naar 's hofs oordeel niet tot de conclusie dat geen sprake is van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM.
De verdachte heeft namelijk alle ruimte gekregen om de onderzoeksresultaten en de visie van het openbaar ministerie op de inhoud van het A4'tje en het proces-verbaal van bevindingen betreffende de geluidsopname, alsmede op de overige gebeurtenissen, te betwisten. Het hof merkt daarbij nog op dat de aantekeningen op het A4'tje alsook het proces-verbaal van bevindingen betreffende de geluidsopname door het hof worden geïnterpreteerd aan de hand van het gehele procesdossier. Een verklaring van [getuige 1] - zo die was afgelegd – zou slechts één van de elementen zijn geweest voor die interpretatie.
Het verweer wordt derhalve verworpen.”
De mate waarin die schade kan ontstaan, is bepalend voor het niveau van rubricering. In bijlage 2 bij het Vir-bi is de mogelijke schade aan de bedoelde belangen in het geval van gegevens met betrekking tot de krijgsmacht nader omschreven als "aantasting van de slagkracht of de veiligheid van de strijdkrachten". De MIVD spreekt in diverse, in deze zaak uitgebrachte ambtsberichten over een "operationeel risico" dat met compromittering van de in de tenlastelegging genoemde informatie wordt gelopen. De getuigen [getuige 2] (commodore-vlieger bij de Koninklijke Luchtmacht b.d.), 'A' (vlieg- en wapeninstructeur bij de Koninklijke Luchtmacht), en [getuige 3] (voormalig hoofd van de sectie/afdeling F-16 avionica en wapentechniek van de Koninklijke Luchtmacht), hebben ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat daarbij moet worden gedacht aan schade aan de effectiviteit van een missie en aan de veiligheid van de F-16 vlieger (formatie).
Volgens artikel 11 van het Vir-bi behoudt gerubriceerde informatie die krachtens een internationaal verdrag of overeenkomst is verkregen de aan die informatie toegekende rubricering. De partijen bij het Noord-Atlantisch Verdrag dienen volgens het eerste artikel van het Verdrag tussen de Partijen bij het Noord-Atlantisch Verdrag inzake de beveiliging van gegevens d.d. 6 maart 1997 (Trb. 1998, 187) zorg te dragen voor de beveiliging en bescherming van als zodanig aangemerkte gerubriceerde gegevens die hetzij afkomstig zijn van de NAVO, hetzij door een lidstaat aan de NAVO worden voorgelegd, hetzij afkomstig zijn van een lidstaat en aan een andere lidstaat worden aangeboden ter ondersteuning van een NAVO-programma -project of - contract. De getuige [getuige 3] heeft in zijn notitie d.d. 7 maart 2013 aangegeven dat landen ook op grond van een zogeheten Memorandum Of Understanding - die de Verenigde Staten met elk land dat van hen gerubriceerde informatie ontvangt ondertekenen - gehouden zijn om compromittering van gerubriceerde informatie tegen te gaan.
De hiervoor genoemde getuige 'A' en de getuige 'B' (Hoofd Afdeling Jachtvliegtuig Operaties van de Koninklijke Luchtmacht) hebben ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat de rubricering van het brondocument bepalend is voor de rubricering (in formele zin) van een document dat daaraan ontleende informatie bevat (paragraaf 12 respectievelijk 65).
Of in materiële zin sprake is van staatsgeheime informatie als bedoeld in artikel 98 e.v. van het Wetboek van Strafrecht, is blijkens de wetsgeschiedenis ter beoordeling aan de rechter (Memorie van Antwoord bij het ontwerp van wet houdende nadere voorzieningen met betrekking tot de bescherming van gegevens, waarvan de geheimhouding door het belang van de Staat wordt geboden, Kamerstukken I 1950/51, 1554, p. 1). De formele rubricering van het document is daarbij niet van doorslaggevend belang. In de onderhavige zaak is het hof bij die beoordeling aangewezen op de zich in het dossier bevindende ongezwarte tekstgedeelten van de documenten, de toelichtingen die de MIVD (na raadpleging van het Commando Luchtstrijdkrachten, hierna: CLSK) in de ambtsberichten op het staatsgeheime karakter van de in die documenten vervatte en gezwarte informatie heeft gegeven, en de verklaringen van getuigen.
De ter terechtzitting in hoger beroep gehoorde getuige [getuige 3] heeft omtrent het materiële begrip staatsgeheim verklaard dat onderscheid dient te worden gemaakt tussen het vliegtuig zelf enerzijds, en de daaraan toegevoegde militaire avionica en bewapening anderzijds. [getuige 3] heeft verklaard dat onder meer de effectiviteit van het wapensysteem, de daarbij behorende avionica en de specifieke mogelijkheden en beperkingen daarvan, alsook de specifieke wapens waarover de verschillende NAVObondgenoten beschikken staatsgeheime informatie betreffen. Hetzelfde geldt volgens de getuigen [getuige 3], [getuige 2] en 'A' voor de wijze waarop die middelen worden ingezet, de tactische en operationele aspecten, alsook de effectiviteit van die inzet. Ook aanvals- en verdedigingsplannen in het algemeen zijn staatsgeheim, aldus de getuige [getuige 2]. Ten slotte is de (door bondgenoten overgedragen alsook op operationele ervaring en eigen inlichtingenbronnen gebaseerde) kennis over de beperkingen (ook) van potentieel vijandelijke systemen staatsgeheim, vanwege het belang voor de eigen benaderingstactieken, aldus de getuigen [getuige 2], 'A' en [getuige 3].
11.2.2 Beoordeling van het staatsgeheime karakter van de in de tenlastelegging genoemde documenten Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat op een cd-rom, die zich tezamen met de huisraad van- de verdachte in een container bevond die door de verdachte naar Dubai was verscheept, diverse documenten zijn aangetroffen die volgens het CLSK en de MIVD staatsgeheime informatie bevatten. Die documenten houden het volgende in.
F-16 Capabilities In het document 'F-16 Capabilities', dat bestaat uit 28 dia's, worden blijkens, het ambtsbericht van de MIVD d.d. 26 september 2011 (p. 1424 e.v.) en sommige van de ongezwarte tekstgedeelten van het document beperkingen beschreven van navigatie - en wapensystemen waarmee een F-16 kan zijn uitgerust en waarmee een jachtvlieger rekening dient te houden.
Op elke dia van het document is - zowel aan de onderzijde als aan de bovenzijde - de rubricering "NATO SECRET' aangebracht.
Air - air weapons employment In het document ' Air - air weapons employment', dat bestaat uit 73 dia's met bijschriften, wordt blijkens het ambtsbericht, van de MIVD d.d. 26 september 2011 (p. 1432 e.v.) en de ongezwarte tekstgedeelten van het document ingegaan op de inzet van F-16 wapensystemen tijdens luchtgevechtsmissies.
Het bijschrift bij de eerste dia luidt: 'Slides are nonclass, information will be up to secret!'. Als een feit van algemene bekendheid heeft te gelden dat de letterlijke betekenis van die zin luidt: "Dia's zijn niet geclassificeerd, informatie zal zijn tot aan geheim!' (http://www.vandale.nl). Het hof begrijpt hieruit dat de informatie op de dia's zelf niet als gerubriceerde informatie diende te worden beschouwd, maar dat de (mondelinge, en) schriftelijke toelichting op de dia's - zoals die in de bijschriften bij afzonderlijke dia's is vervat - wel als gerubriceerde informatie diende te worden beschouwd, zoals ook de getuige 'A' ten overstaan van de rechter-commissaris heeft verklaard (paragraaf 28).
2vl ACM (contract & comm.) Het document '2vl ACM (contract & comm.)', dat bestaat uit 29 dia's, beschrijft blijkens het ambtsbericht van de MIVD d.d. 26 september 2011 (p. 1509 e.v.) en de ongezwarte tekstgedeelten van het document tactische procedures die dienen te worden gevolgd tijdens luchtgevechtsmissies waarbij twee Nederlandse jachtvliegers worden geconfronteerd met één tegenstander.
Op de derde dia van het document staat: 'Classification NATO SECRET' .
TOP MLU (...) test Het document 'TOP MLU (...)’ test bevat blijkens het ambtsbericht van de MIVD d.d. 26 september 2011 (p. 1518 e.v.) informatie over de capaciteiten van de Midlife Update versie van de F-16.
Het document is niet voorzien van een rubricering, doch had volgens het CLSK en de MIVD moeten zijn voorzien van de rubricering 'SECRET - NETHERLANDS EYES ONLY' omdat de test is ontleend aan het gerubriceerde naslagwerk 'TOP F-16'.
Op grond van de hiervoor vermelde inhoud van de documenten, die door de verdediging niet is betwist, de tot het bewijs gebezigde ambtsberichten waarin door de MIVD de risico's van compromittering van voornoemde informatie zijn toegelicht, en de tot het bewijs gebezigde verklaring van de getuige 'A', stelt het hof vast dat compromittering van de gezwarte informatie de slagkracht of de veiligheid van de strijdkrachten kan aantasten en aldus een operationeel risico met zich meebrengt. De gezwarte informatie betreft derhalve informatie waarvan de geheimhouding door het belang van de staat en/of zijn bondgenoten wordt geboden en dient als staatsgeheime informatie te worden aangemerkt.
Het hof overweegt dienaangaande het volgende.
Het hof heeft in paragraaf 11.2.2 vastgesteld dat op de documenten 'F-16 Capabilities', 'Air-air weapons employment' en '2vl ACM (contract & comm.)'' is aangegeven dat sprake is van gerubriceerd materiaal. In paragraaf 11.2.4 heeft het hof overwogen dat, hoewel niet alle documenten op de door het Ministerie van Defensie voorgeschreven wijze van een 'rubricering zijn voorzien, van die documenten voor een ieder kenbaar is dat zij gerubriceerde informatie bevatten. Het hof heeft vastgesteld dat het document 'TOP MLU (...) test' niet van een rubricering is voorzien, maar dat de verdachte over dat document heeft verklaard dat hij weet dat hij dat niet op een cd-rom had mogen zetten en dat hij daarvoor zijn verantwoordelijkheid neemt. Het hof heeft in laatstgenoemde paragraaf voorts geconcludeerd dat de verdachte reeds ten tijde van het onder zich nemen van de betreffende documenten doordrongen was van het feit dat hij geen gerubriceerd materiaal onder zich mocht nemen.
Het vorenstaande brengt naar het oordeel van het hof mee dat geen sprake is van een situatie waarin de verdachte niet het verwijt kan worden gemaakt dat hij beter had behoren te weten, noch van een voor een geslaagd beroep op rechtsdwaling vereiste verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging.
Aangezien er ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, is de verdachte strafbaar.”
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, AG Bewijsmiddel 6.
Wenen 18 april 1961, Trb. 1962, 101 (authentieke versies in de Engelse en Franse taal); Trb. 1962, 159 (Nederlandse vertaling); in werking getreden op 24 april 1964, voor Nederland op 7 oktober 1984 (Trb. 1984, 108, p. 28-29).
Vgl. ICJ, United States of America v. Iran, Judgement of 24 May 1980, ICJ Reports 1980, r.o. 86.
Door de steller van het middel worden genoemd: ICJ, 14 February 2002, Democratic Republic of the Congo v. Belgium (Yerodia) paras. 50-51 en 76-77 en ICJ, 3 February 2012, Germany v. Italy: Greece intervening.
Vgl. HR 7 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1678, NJ 2000/539, m.nt. Schalken, HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629, NJ 2011/169, m.nt. Schalken, HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9070.
Genoemd worden HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5539, NJ 2013/145, HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1251, NJ 2013/451 en HR 12 november 2013, ECLI:HR:2013:1154.
Bewijsmiddel 9.
Kamerstukken I 1950/51, nr. 1554, nr. 59 (Memorie van Antwoord op het Voorlopig Verslag van de commissie van Rapporten).
Zie in dit verband A. Heijder, ‘Enkele aspecten van de strafrechtelijke bescherming van staatsgeheimen’, in: Naar eer en geweten. Liber amicorum J. Remmelink, Gouda Quint 1987, p. 183-184. Hierin noemt de auteur het (toen geheten) classificatievoorschrift slechts een intern voorschrift voor ambtenaren en andere belanghebbenden. Voorts wijst de auteur erop dat ook feiten die geen ‘stempel’ kunnen krijgen, zoals troepenbewegingen, gegevens kunnen zijn in de zin van art. 98 e.v. Sr.
Vgl. HR 4 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4664, NJ 2007/144.
Vgl. HR 31 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8322, NJ 2006/602. Zie ook: J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Kluwer 2012, p. 354-358.