14/02201 Mr. P. Vlas Zitting, 7 november 2014 Conclusie inzake: [de man] (hierna: de man) tegen [de vrouw] (hierna: de vrouw) Deze zaak betreft de vermogensrechtelijke afwikkeling van het door echtscheiding ontbonden huwelijk tussen partijen. In cassatie is aan de orde de vraag of het hof terecht heeft geoordeeld dat het door de man ingestelde incidenteel appel geen bespreking behoeft, en dat een rekening-courantschuld van de man niet dient te worden betrokken in de verrekening op de voet van art. 1:141 lid 3 BW. 1Feiten en procesverloop 1.1 De feiten en het procesverloop komen in het kort op het volgende neer. Partijen zijn op 20 mei 1992 gehuwd na het opmaken van huwelijkse voorwaarden, waarin onder meer is bepaald dat partijen zijn gehuwd met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen en waarin een periodiek verrekenbeding is opgenomen. De man is zelfstandig ondernemer en is directeur/groot aandeelhouder van de besloten vennootschap KJ Management BV (hierna: de BV). De vrouw was tijdens het huwelijk werkzaam in de onderneming van de man. De man heeft op 4 mei 2007 een verzoek tot echtscheiding ingediend, alsmede tot het treffen van nevenvoorzieningen ter zake van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de gemeenschappelijke zaken van partijen. 1.2 Bij beschikking van 14 maart 2008 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de behandeling van het verzoek tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aangehouden. De echtscheiding is op 15 april 2008 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. In haar beschikking heeft de rechtbank overwogen dat vast staat dat partijen nimmer uitvoering hebben gegeven aan de verplichting tot verrekening zoals opgenomen in de huwelijkse voorwaarden, zodat deze verplichting op grond van art. 1:141 lid 1 BW in stand is gebleven en zich uitstrekt over het saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is, alsmede over de vruchten daarvan. De rechtbank heeft overwogen dat ingevolge art. 1:141 lid 3 BW het bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. Volgens de rechtbank hebben partijen geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan van het bepaalde in art. 1:141 lid 3 BW dient te worden afgeweken. Tussen partijen staat vast dat als peildatum in het kader van de verrekening 25 november 2006 moet worden genomen. De rechtbank heeft de behandeling aangehouden en partijen in de gelegenheid gesteld nadere stukken in het geding te brengen. 1.3 Bij beschikking van 22 december 2008 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoek tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden opnieuw aangehouden. De rechtbank heeft overwogen dat partijen het niet eens zijn geworden over de te verrekenen waarde van de aandelen in de BV en geoordeeld dat partijen alsnog een accountantsrapport dienen te overleggen waaruit de waarde van de aandelen van de BV per 25 november 2006 blijkt. 1.4 Nadat een accountantsrapport in het geding is gebracht, heeft de man gesteld het niet eens te zijn met de waardebepaling van de aandelen en met de inhoud van dat rapport. Bij beschikking van 9 september 2010 heeft de rechtbank geoordeeld dat de benoeming van een deskundige op de voet van art. 194 Rv geïndiceerd is en partijen in de gelegenheid gesteld een voorstel te doen voor een te benoemen deskundige. 1.5 Bij beschikking van 17 februari 2011 heeft de rechtbank een deskundige, P. de Blok AA RV, kantoorhoudende bij RSM Kooij + Partners te Utrecht, benoemd die zijn oordeel diende te geven over de waarde van de aandelen in de BV. Iedere verdere beslissing is aangehouden. 1.6 Nadat de deskundige het waarderingsadvies inzake de aandelen in de BV op 29 juni 2012 heeft uitgebracht, heeft de rechtbank de behandeling voortgezet. Bij beschikking van 8 februari 2013 heeft de rechtbank onder meer bepaald dat de man ter zake van verrekening uit hoofde van de huwelijkse voorwaarden aan de vrouw dient te betalen een bedrag van € 59.279,50, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 4 mei 2007. Volgens de rechtbank is het deskundigenrapport voldoende onderbouwd en kan de door de deskundige aan de aandelen toegekende waarde (€ 362.516,-) als uitgangspunt worden genomen, waarop het tussen partijen vaststaande saldo van de rekening-courant schuld (€ 157.828,-) in mindering moet worden gebracht alsmede de latente aanmerkelijk belangheffing van 25% over de waarde van de aandelen per 25 november 2006 (€ 86.129,-). Het te verrekenen vermogen voor de aandelen in de BV bedraagt volgens de rechtbank derhalve € 118.559,-, zodat de man de helft daarvan (€ 59.279,50) aan de vrouw dient te betalen. 1.7 De vrouw is bij het gerechtshof Den Haag in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van de rechtbank van 9 september 2010 en 8 februari 2013. De man heeft een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend. De vrouw heeft een verweerschrift in incidenteel appel ingediend. Vervolgens zijn zowel van de zijde van de vrouw als van de zijde van de man nog stukken ingekomen bij het hof. De zaak is op 6 december 2013 mondeling behandeld ten overstaan van het hof. Beide partijen waren ter zitting aanwezig, bijgestaan door hun advocaten. Van de zijde van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd. 1.8 Bij beschikking van 29 januari 2014 heeft het hof, kort weergegeven, de bestreden beschikking van 8 februari 2013 vernietigd voor zover deze betrekking heeft op het ter zake van verrekening uit hoofde van de huwelijkse voorwaarden aan de vrouw te betalen bedrag en bepaald dat de vrouw op grond van het verrekenbeding een opeisbare vordering op de man heeft van € 140.068,50, en de man veroordeeld tot betaling van dat bedrag aan de vrouw, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 4 mei 2007. 1.9 De man heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof. De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend. 2Bespreking van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel bestaat uit drie klachten. Klacht I is gericht zich tegen het oordeel van het hof in rov. 8 dat, nu de vrouw haar grieven ter zake van de in de BV opgebouwde pensioenaanspraken heeft beperkt, in die zin dat zij thans geen afstorting meer vordert, het incidenteel appel van de man (dat ziet op de waardering van de opgebouwde pensioenvoorziening in de BV in verband met afstorting bij een pensioenverzekeraar en de invloed daarvan op de waarde van de aandelen) geen verdere bespreking behoeft. De klacht is voorts gericht tegen het oordeel van het hof in rov.14, dat de man in hoger beroep de door de rechtbank vastgestelde waarde van de aandelen niet heeft bestreden op grond waarvan het hof in navolging van de rechtbank is uitgegaan van een in de verrekening in aanmerking te nemen waarde van de aandelen van € 362.516,-. De klacht (onder 2.4) voert aan dat het hof kennelijk ervan is uitgegaan dat de grieven van de man (grief I en/of grief II in incidenteel appel) voor de in eigen beheer opgebouwde pensioenrechten uitsluitend zien op de situatie dat de man veroordeeld zou zijn of worden tot afstorting van de in eigen beheer opgebouwde pensioenafspraken. De klacht betoogt dat deze lezing onjuist, te beperkt dan wel onbegrijpelijk is gemotiveerd, zulks in het licht van het debat van partijen in de procedure bij het hof. 2.2 De klacht is naar mijn mening terecht voorgesteld. Uit de grieven I en II in het incidenteel appel van de man alsmede uit de toelichting daarop, alsmede uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof op 6 december 2013, blijkt niet dat de man zijn incidenteel appel heeft beperkt tot de situatie dat hij veroordeeld zou zijn (of in appel zou worden) tot afstorting van de in eigen beheer opgebouwde pensioenafspraken. Grief I in het incidenteel appel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de waarde van het te verrekenen vermogen € 118.559,- bedraagt, zonder rekening te houden met de onjuiste waardering van de commerciële waarde van het opgebouwde pensioen in eigen beheer. Volgens de toelichting op deze grief heeft de deskundige de waarde van de opgebouwde pensioenreserve in eigen beheer ten onrechte gewaardeerd op de fiscale waarde in plaats van de commerciële waarde, waaronder wordt verstaan de waarde die een pensioenverzekeraar zou berekenen. Volgens de grief wordt met alleen de fiscale waarde rekening gehouden met een te lage claim op de vennootschap, terwijl uitgegaan had moeten worden van een hogere claim gebaseerd op de commerciële waarde. De waarde van de aandelen in de BV zou volgens de man naar beneden moeten worden bijgesteld, ongeacht of nu wel of niet tot afstorting van de pensioenrechten zou moeten worden overgegaan. 2.3 Het hof heeft in rov. 6 van de bestreden beschikking overwogen dat de vrouw haar verzoek de man te veroordelen tot pensioenafstorting heeft ingetrokken. In rov. 8 heeft het hof vervolgens geoordeeld dat het incidenteel appel van de man dat ziet op de waardering van de opgebouwde pensioenvoorziening in de BV in verband met de afstorting bij een pensioenverzekeraar en de invloed daarvan op de waarde van de aandelen geen verdere bespreking behoeft, omdat van afstorting geen sprake meer is. Noch uit de grieven I en II en de toelichting daarop, noch uit andere processtukken in hoger beroep, blijkt dat de man zijn incidenteel appel heeft beperkt tot de situatie van afstorting van de in eigen beheer opgebouwde pensioenaanspraken. Bezien tegen deze achtergrond, is het in rov. 8 vervatte oordeel van het hof dat het incidenteel appel van de man geen verdere bespreking behoeft, onbegrijpelijk. 2.4 Ook voor zover de klacht is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 14 dat de man – kort gezegd – de in hoger beroep door de rechtbank vastgestelde waarde van de aandelen niet heeft bestreden, slaagt de klacht. Gelet op hetgeen door de man is aangevoerd in zijn verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel, is zonder nadere motivering, welke ontbreekt, onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat de man de door de rechtbank vastgestelde waarde van de aandelen niet heeft bestreden. Of hetgeen de man aldaar heeft aangevoerd een voldoende bestrijding is van de door de rechtbank vastgestelde waarde van de aandelen, is verweven met waarderingen van feitelijke aard en kan in cassatie verder niet worden getoetst, doch het hof heeft zulks geheel in het midden gelaten door niet te responderen op de desbetreffende stellingen van de man. 2.5 Klacht II is gericht tegen rov. 12-14 en 28, waarin het hof – kort gezegd – heeft geoordeeld dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.