14/00183 mr. G.R.B. van Peursem Zitting 7 november 2014 Conclusie inzake: [de man] (hierna: de man) tegen [de vrouw] (hierna: de vrouw) (verstek verleend) In deze verdelingszaak is in cassatie de vraag of het hof rechtsverwerking kon aannemen zijdens de man. Volgens het hof heeft de man na een de feitelijke verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap uit 2000 acht jaar geen rechtens aantoonbare actie ondernomen om tot een nadere verdeling te komen en daarmee bij de vrouw het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat hij had berust in de feitelijke afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap, de status quo. In cassatie voert de man onder meer aan dat het hof de begrippen rechtsverwerking en gerechtvaardigd vertrouwen onjuist heeft toegepast, althans dat de daartoe gehanteerde motivering niet passabel is. Ook zou het hof geen recht hebben gedaan aan art. 3:182 BW, dat een verdeling definieert, door de eisen van art. 3:33 BW daar niet in te betrekken.
(2014), nr. 426 met veel verdere verwijzingen, Tjittes, a.w. voetnoot 10, par. 18, het standaardarrest HR 29 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1827, NJ 1996/89 (v.d. Bos/Provincial) ( rov. 3.3), herhaald in HR 24 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2635, NJ 1998/621 (W/P), zie ook HR 24 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9601, NJ 2003/267 (Staat/Piek) en meer recent bijv. HR 18 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY0543, NJ 2013/317 (P1 /Maastricht en Q-park) m.nt. M.R. Mok (rov. 4.1.1). Gelet op de tekst en strekking van het PS: mocht jij met spookverrekeningen c.a. komen, “prima maar ik heb nog andere te regelen dingen op de plank liggen, maar ik zeg daarbij dat ik die liever tot het verleden wil laten behoren. De keus is aan jou.”, acht ik niet onbegrijpelijk dat het hof daaruit afleidt dat de man aanvankelijk gedurende acht jaar berustte, hoewel hij nog “te regelen dingen op de plank” had liggen die hij evenwel “liever tot het verleden wil laten behoren”. Dat past heel wel in de hiervoor geschetste gedachtegang van het hof. Dat behoefde volgens mij geen nadere uitleg. HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279, NJ 2013/201, zie ook GS Verbintenissenrecht, art. 6:217 BW, aant. 2.19.
- In de voorafgaande rov 4.2.2 was overwogen dat in een feitelijke verdeling met wederzijdse instemming niet besloten ligt dat pp. een verdeling ex art. 3:182 BW zijn overeengekomen, omdat zo’n feitelijke verdeling niet zonder meer betekent dat pp. het ook eens zijn over financiële consequenties van die feitelijke verdeling (het ontstaan van vorderingen uit over- en onderbedeling). Daarop volgt de geciteerde rov 4.2.
- In diens noot onder HR 16 november 1956, NJ 1957/619, aangehaald door Tjittes, a.w. voetnoot 10, par.
- Grief I: “Ten onrechte heeft de rechtbank Arnhem in haar vonnis van 27 januari 2010 bewijs opgedragen van haar stelling dat de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap heeft plaatsgevonden en op welke wijze dat is geschied, in het bijzonder dat partijen zijn overeengekomen dat de aflossing van de schuld aan Vola vanaf 15 februari 2000 geheel voor rekening van de man zou zijn gekomen en dat de spaarpolis bij Aegon per 15 februari 2000 aan de man is toegedeeld, zonder nadere verrekening tussen partijen.” Grief II: “Ten onrechte heeft de Rechtbank Arnhem in haar vonnis van 8 december 2010 overwogen in rechtsoverweging 2.5: “De rechtbank is van oordeel dat de vrouw niet geslaagd is in het door haar te leveren bewijs. Uit de door de vrouw overgelegde brieven van 27 januari 2000 en 21 februari 2000 volgt slechts dat de overeenkomsten uit het voorjaar 1999 niet geheel zijn uitgevoerd, dat de advocaat van de vrouw en concept echtscheidingsconvenant heeft opgesteld en dat de man zich niet meer gehouden acht aan hetgeen naar aanleiding van het viergesprek is overeengekomen. Met “de overeenkomsten uit het voorjaar 1999”wordt kennelijk verwezen naar de door de man overlegde (verschrijving zo in origineel, A-G) opdracht aan Spaarbeleg om de spaarovereenkomst over te zetten op naam van de vrouw van 14 mei 1999 (productie 1 bij dagvaarding) en de door de vrouw overgelegde handgeschreven overeenkomst van 14 mei 1999 waarbij partijen deelafspraken hebben gemaakt over de boedelverdeling (productie 9 bij conclusie van antwoord in reconventie). De vrouw heeft niet weersproken dat deze afspraken slechts zien op een aantal vermogensbestanddelen van de huwelijksgoederengemeenschap en tussen partijen staat vast dat zij deze afspraken over en weer niet zijn nagekomen. De brief van 27 augustus 1999 geeft slechts een mededeling van de vrouw weer aan haar toenmalige advocaat, dat er overeenstemming tussen partijen zou zijn bereikt. Dat er daadwerkelijk tussen partijen overeenstemming is bereikt over het concept echtscheidingsconvenant blijkt uit deze brieven niet. De vrouw heeft het concept echtscheidingsconvenant niet in het geding gebracht en de man heeft verklaard dat hij dit stuk niet eerder dan in 2008 heeft gezien. Vast staat dat het concept echtscheidingsconvenant niet door partijen is ondertekend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen reeds is verdeeld, dat partijen zijn overeengekomen dat de aflossing van de schuld aan Vola vanaf 15februari 2000 geheel voor rekening van de man zou zijn en dat de spaarpolis bij Aegon per 15 februari 2000 aan de man is toegedeeld, zonder nadere verrekening tussen partijen.”