← Nederland

ECLI:NL:PHR:2014:207

Nr. 13/03378 Zitting: 28 januari 2014 Mr. Aben Conclusie inzake: [verdachte]

  1. Het gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft bij arrest van 21 december 2012 de verdachte ter zake van “doodslag, voorafgegaan, vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof beslist ten aanzien van het beslag, op de wijze vermeld in het arrest.
  2. Namens de verdachte heeft mr. M.R. Backer, advocaat te Den Haag, beroep in cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.
  3. Het eerste middel klaagt over het oordeel van het hof dat [slachtoffer] door het aangetroffen mes om het leven is gebracht, in het bijzonder voor zover het hof zich daarbij heeft gebaseerd op het vezel- en textielonderzoek.
  4. Het middel berust op een onjuiste lezing van de bestreden uitspraak. De steller van het middel ziet eraan voorbij dat het hof niet enkel op basis van de bevindingen van de vezeldeskundige de conclusie heeft getrokken dat het mes is gebruikt bij het strafbare feit. Het hof heeft weliswaar in zijn overwegingen betrokken dat de vezelsporen op het mes overeenkomen met de vezelsporen van de kleding van [slachtoffer], maar dat het mes is gebruikt bij het strafbare feit heeft het hof onder meer ook gebaseerd op de omstandigheid dat [slachtoffer] door een messteek om het leven is gekomen, het mes zeer nabij zijn lichaam is gevonden, en op dat mes bloedsporen zijn aangetroffen waarvan het DNA-profiel overeenkomt met dat van [slachtoffer], het slachtoffer. Onbegrijpelijk is dat oordeel allerminst en gelet op de overige bewijsmiddelen toereikend gemotiveerd.
  5. Het middel faalt.
  6. Het tweede middel klaagt dat het hof ongemotiveerd is afgeweken van twee door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunten.
  7. Anders dan de steller van het middel betoogt is geen sprake van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. De betreffende passages uit de pleitnota betreffen argumenten in het betoog van de verdediging dat niet de verdachte, maar een ander de dader is en vormen onderdeel van (het) door de verdediging gepresenteerde alternatieve scenario(‘s). Het hof heeft zich voor de verwerping daarvan uitdrukkelijk aangesloten bij de overwegingen van de rechtbank in het vonnis onder punt XII.
  8. Het middel faalt.
  9. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
  10. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.
  11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, AG

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.