14/00493 Mr. F.F. Langemeijer 7 november 2014 Conclusie inzake: [de man] tegen [de vrouw] In deze zaak is verlof verleend tot tenuitvoerlegging van een kinderalimentatiebeschikking door middel van lijfsdwang. Is voldaan aan de vereisten van art. 587 Rv? 1De feiten en het procesverloop 1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende: 1.1.1. Uit het huwelijk van eiser tot cassatie (hierna: de man) en gedaagde in cassatie (hierna: de vrouw) zijn twee kinderen geboren op 26 april 2001. 1.1.2. Bij echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 4 mei 2005 is, voor zover hier van belang en uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking (17 juni 2005) aan de vrouw € 100.- per kind per maand dient te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. 1.1.3. Bij beschikking van die rechtbank van 25 februari 2008 is een verzoek van de man tot nihilstelling althans vermindering van de kinderalimentatie afgewezen. In een aanvullend convenant van 23 maart 2009 zijn partijen overeengekomen dat de man vanaf 1 april 2009 naast de geldende kinderalimentatie een extra bedrag van € 100,- per maand aan de vrouw zou betalen om de alimentatieachterstand af te lossen. 1.1.4. De man heeft sinds juni 2006 niet aan zijn betalingsverplichtingen jegens de vrouw voldaan, met uitzondering van een betaling van € 92,93 in december 2007. In juli 2012 bedroeg de betalingsachterstand ter zake van de kinderalimentatie: € 15.898,55. 1.2. Bij dagvaarding van 12 juli 2012 heeft de vrouw − kort gezegd − verlof gevraagd om de beschikking van 4 mei 2005, voor zover deze betrekking heeft op de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, ten uitvoer te leggen bij lijfsdwang en de man voor een periode van ten hoogste zes maanden in gijzeling te doen stellen totdat de verschuldigde bijdrage zal zijn voldaan. 1.3. Bij vonnis van 7 augustus 2012 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem de vrouw het gevraagde verlof verleend, met dien verstande dat de gijzeling eerst zal mogen plaatsvinden vanaf dertig dagen na betekening van dit vonnis en ten hoogste negentig dagen zal duren. 1.4. De man is hiervan in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het hof heeft bij arrest van 22 oktober 2013 het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd. Na een weergave van de relevante wettelijke bepalingen in rov. 3.5, heeft het hof in rov. 3.6 vooropgesteld dat rechterlijke uitspraken moeten worden nagekomen. Gelet op het vrijheidsbenemende karakter van dit dwangmiddel, dient lijfsdwang slechts te worden ingezet als een ultimum remedium. In verband met het beroep van de man op art. 588 Rv (betalingsonmacht), heeft het hof overwogen dat de draagkracht van de man om de vastgestelde onderhoudsbijdrage te betalen vaststaat op grond van de genoemde beschikkingen van 4 mei 2005 en 25 februari 2008 in combinatie met de omstandigheid dat de man nadien geen wijziging van alimentatie heeft verzocht. De man heeft weliswaar gesteld dat hij geen inkomsten heeft, maar hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zich deze niet zou kunnen verwerven door arbeid (rov. 3.8). 1.5. In rov. 3.10 heeft het hof de vergeefse incassopogingen van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) besproken. Uit de brieven van het LBIO van 12 maart en 24 april 2012 blijkt dat de man toen nog steeds niet was ingeschreven in het bevolkingsregister van een gemeente en dat incasso volgens het LBIO niet mogelijk is. Hieraan doet volgens het hof niet af dat de man zich tijdens de appelprocedure alsnog heeft laten inschrijven, namelijk op een adres waar hij in feite niet verblijft. Volgens het hof blijven verhaalsmogelijkheden illusoir. Na afweging van de wederzijdse belangen en het belang van de kinderen in rov. 3.12 - 3.14, heeft het hof de voorgenomen toepassing van lijfsdwang niet buiten proportie geacht. 1.6. Namens de man is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. In cassatie heeft de vrouw geen verweer gevoerd. 2Bespreking van de cassatiemiddelen Wettelijk kader 2.1. Zoals het hof voorop heeft gesteld behoren rechterlijke uitspraken waarin een onderhoudsverplichting is vastgesteld te worden nagekomen. Indien het gaat om de tenuitvoerlegging van een veroordeling tot betaling van een geldsom, kan een schuldeiser executoriaal beslag laten leggen op goederen van de schuldenaar, zo nodig onder een derde. Naast de middelen tot tenuitvoerlegging waarvan iedere schuldeiser gebruik kan maken, heeft de schuldeiser die de nakoming van een door de rechter vastgestelde onderhoudsverplichting wil afdwingen een vereenvoudigde mogelijkheid tot beslaglegging op loon of andere periodieke uitkeringen die de schuldenaar van een derde te vorderen heeft (zie art. 479b - 479g Rv). Indirecte tenuitvoerlegging (in de vorm van een krachtig pressiemiddel tot nakoming van de rechterlijke uitspraak) is mogelijk in de vorm van lijfsdwang, nadat daartoe afzonderlijk verlof door de rechter is verleend. 2.2. De wettelijke regeling gaat ervan uit dat de schuldeiser zelf het vonnis of de beschikking waarin de onderhoudsbijdrage is vastgesteld ten uitvoer laat leggen. Omdat dit in de praktijk voor veel particulieren moeilijk te doen is, en mede gelet op het belang van het kind dat de tenuitvoerlegging niet (opnieuw) tot spanningen tussen de gescheiden ouders leidt, biedt de overheid in veel landen aan de onderhoudsgerechtigden ondersteuning bij de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen waarin een onderhoudsbijdrage is vastgesteld. In Nederland heeft deze ondersteuning vorm gekregen in art. 1:408 BW. Op verzoek van de gerechtigde, de onderhoudsplichtige of van hen beiden neemt het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) de invordering van de onderhoudsgelden op zich. De executoriale titel wordt daartoe door de onderhoudsgerechtigde in handen gesteld van het LBIO. De overhandiging daarvan machtigt het LBIO tot invordering, zo nodig door executie. Op het LBIO rust een verplichting om bij de tenuitvoerlegging adequaat en voortvarend te handelen. 2.3. Art. 585 Rv bepaalt dat de rechter op verlangen van de schuldeiser de tenuitvoerlegging bij lijfsdwang kan toestaan van, onder meer, beschikkingen waarbij een uitkering is bevolen tot levensonderhoud dat krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is verschuldigd, daaronder begrepen hetgeen verschuldigd is voor de verzorging en opvoeding van een minderjarige. In de vakliteratuur is opgemerkt dat deze vorm van indirecte tenuitvoerlegging is bedoeld voor degenen die zich aan geregelde arbeid onttrekken, telkens van werkgever veranderen om aan loonbeslag te ontkomen en/of aanwezige vermogensbestanddelen op naam van derden zetten. De gewone executiemiddelen schieten in dergelijke gevallen tekort. Lijfsdwang wordt beschouwd als een krachtige prikkel tot het alsnog nakomen van de betalingsverplichting en niet als een straf (punitieve sanctie) wegens niet-nakoming daarvan. Lijfsdwang is naar zijn aard een ver strekkend dwangmiddel, dat met terughoudendheid dient te worden toegepast. 2.4. Art. 5 EVRM laat ruimte voor een rechtmatige vrijheidsbeneming op grond van het niet naleven van een overeenkomstig de wet door een gerecht gegeven bevel of teneinde de nakoming van een door de wet voorgeschreven verplichting te verzekeren. Door art. 1 van het Vierde Protocol bij het EVRM is hieraan toegevoegd de regel dat aan niemand zijn vrijheid mag worden ontnomen op de enkele grond dat hij niet in staat is een contractuele verplichting na te komen. Bij lijfsdwang wegens het niet nakomen van een wettelijke onderhoudsverplichting, is art. 1 Vierde Protocol niet van toepassing. Zie in gelijke zin: art. 11 IVBPR. 2.5. De toepasselijkheid van art. 5 EVRM brengt mee dat de vrijheidsbeneming moet worden getoetst aan de eisen van proportionaliteit en van subsidiariteit (is niet een minder belastend middel beschikbaar om het beoogde doel − de incasso van de verschuldigde onderhoudsbijdrage − te bereiken?). In de nationale wet zijn deze beginselen tot uitdrukking gebracht in art. 587 Rv: “De rechter verklaart een vonnis, beschikking of akte als bedoeld in art. 585 slechts uitvoerbaar bij lijfsdwang, indien aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden en het belang van de schuldeiser toepassing daarvan rechtvaardigt.” De maatstaf van art. 587 Rv is niet in strijd met art. 5 en 6 EVRM. 2.6. Art. 588 Rv bepaalt dat uitvoerbaarheid bij lijfsdwang niet wordt uitgesproken indien de schuldenaar buiten staat is aan de verplichting waarvoor tenuitvoerlegging bij lijfsdwang wordt verlangd, te voldoen. De formulering van deze wettelijke bepaling is ontleend aan art. 1 Vierde Protocol EVRM. Het nationale recht gaat verder dan waartoe deze verdragsbepaling ons land verplicht: art. 588 Rv is ook van toepassing wanneer het gaat om de tenuitvoerlegging van een wettelijke onderhoudsverplichting. Voordien was al een verwante bepaling in de wet opgenomen. In de vakliteratuur wordt wel aangenomen dat de stelplicht hier bij de schuldeiser ligt: de partij die verlof tot executie door middel van lijfsdwang verlangt zal moeten stellen welke inspanningen zij heeft verricht om tot incasso te komen. De tenuitvoerlegging van de lijfsdwang duurt ter zake van dezelfde verplichting ten hoogste een jaar (art. 589 lid 1 Rv). De rechter kan zijn beslissing over de uitvoerbaarheid bij lijfsdwang voor een door hem te bepalen termijn aanhouden (terme de grâce, art. 590 Rv). Toepassing van lijfsdwang in de onderhavige zaak 2.7. In het bestreden arrest heeft het hof zowel getoetst aan de eis van proportionaliteit als aan de eis van subsidiariteit. Wat deze laatste eis betreft, heeft het hof in rov. 3.10 overwogen dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij op allerhande wijze heeft geprobeerd tot verhaal van de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie te komen. Het cassatiemiddel spitst zich toe op hetgeen het hof, in het bijzonder aan het slot van rov. 3.10, aan dit oordeel ten grondslag heeft gelegd, te weten: “3.10 (…) Het hof is van oordeel dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij op allerhande wijze heeft geprobeerd om tot verhaal van de kinderalimentatie over te gaan. Uit de brief van A.A. Riemersma, gerechtsdeurwaarder te Lelystad, van 19 juni 2008 blijkt dat op 13 juni 2008 de beschikking in persoon is betekend, doch dat betaling is uitgebleven. Uit de brief van het LBIO van 19 november 2010 blijkt dat de vrouw op of omstreeks februari 2009 het LBIO heeft ingeschakeld om over te gaan tot inning van de kinderalimentatie en dat uit navraag door deze instantie bij het bevolkingsregister opnieuw is gebleken de man sinds augustus 2007 in geen enkele gemeente in Nederland is ingeschreven, zodat het LBIO de inning van de kinderalimentatie niet ter hand kan nemen. Ook nadat partijen in het aanvullend echtscheidingsconvenant in augustus 2009 een regeling met betrekking tot de (achterstallige) kinderalimentatie zijn aangegaan, heeft de man nagelaten enig bedrag aan de vrouw te voldoen. Uit de brieven van het LBIO van 12 maart 2012 en 24 april 2012 blijkt dat de man op dat moment nog steeds niet ingeschreven is in het bevolkingsregister en mitsdien inning van enige bijdrage niet mogelijk is. Aan het voorgaande doet niet af dat de man zich op 16 januari 2013, nota bene na de comparitie van partijen bij het hof op 12 november 2012, heeft doen inschrijven in het bevolkingsregister. Onbetwist stelt de vrouw immers dat de man bij het bevolkingsregister een ander adres heeft opgegeven dan waar hij daadwerkelijk verblijft. Vaststelling van verhaalsmogelijkheden en inning van de achterstallig[e] kinderalimentatie bij de man blijft dan ook naar het oordeel van het hof, gelet op het bepaalde in artikel 440 lid 1 onder a. Rv, illusoir.” 2.8. In art. 440, lid 1 onder a, Rv is bepaald dat het beslag wordt gelegd bij een exploit van een deurwaarder, dat behalve de gewone formaliteiten, op straffe van nietigheid inhoudt: de vermelding van de voornaam, naam en woonplaats van de executant en de naam en woonplaats van de geëxecuteerde. De in dit artikellid voorgeschreven vermelding van de naam en de woonplaats van de schuldenaar tegen wie de tenuitvoerlegging is gericht (in de wettelijke terminologie: de ‘geëxecuteerde’) heeft tot doel deze te identificeren. De enkele vermelding van de naam (bijv. “P. Jansen”) is door de wetgever daarvoor niet toereikend geacht; de combinatie van de naam en de woonplaats wel. Op de voet van art. 66 lid 2 Rv kan een gebrek in een exploot dat nietigheid meebrengt in beginsel bij exploot worden hersteld. 2.9. Middel I klaagt dat het hof art. 149 Rv en het grievenstelsel heeft geschonden omdat het niet heeft vastgesteld dat de man sinds 2009, in ieder geval vanaf 2012, verblijf houdt op het adres Harremaatweg 12 te Voorthuizen (bij zijn nieuwe partner), hoewel:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.