14/02753 mr. J. Spier Zitting 3 oktober 2014 (bij vervroeging) Conclusie inzake [eiser] (hierna: [eiser]) tegen 1. Gemeente Middelburg 2. Mortiere Grondexploitatie C.V. 3. Grondbedrijf Mortiere Beheer I B.V. 4. Grondbedrijf Mortiere II B.V. 5. [verweerster 5] 6. [verweerster 6] (hierna: de Gemeente (verweerster onder 1), het Consortium (verweersters onder 2 - 4), [verweerster 5-6](verweersters onder 5 en 6) en de Gemeente c.s. (verweersters onder 1 - 6) 1Feiten 1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de navolgende feiten. 1.2 [eiser] is eigenaar en bewoner van een (woon)boerderij met opstallen gelegen aan de [a-straat] te Middelburg. De woonboerderij is op staal gefundeerd. Het perceel waarop de woonboerderij is gelegen wordt, tezamen met een aantal andere aangrenzende dan wel in de buurt gelegen percelen, omsloten door de Eendrachtsweg, de Torenweg, de Bachweg en de Johnny Cashweg. 1.3 De Gemeente is eigenaar van twee aan het perceel van [eiser] grenzende percelen, ook gelegen binnen de vier hiervoor genoemde wegen, alsook samen met het Consortium van een derde perceel aldaar. De Gemeente heeft deze percelen en andere percelen in de directe omgeving van de woonboerderij in eigendom verworven van [eiser] en/of diens moeder; zulks ten behoeve van woningbouw op deze gronden (de woonwijk Mortiere aan de rand van Middelburg). In dat verband is aan de moeder van [eiser] onder bepaalde voorwaarden het recht gegeven op haar eigen perceel (thans het perceel waarop de woonboerderij van [eiser] is gelegen) maximaal 15 woningen te ontwikkelen. [eiser] heeft dat recht geërfd van zijn moeder. 1.4 In de nabije omgeving van het perceel van [eiser] zijn en worden door het Consortium woningen gebouwd en wegen aangelegd ten behoeve van de woonwijk Mortiere. 1.5.1 Het Consortium heeft [eiser] bij brief van 22 februari 2013 (productie bij de brief van het Consortium d.d. 5 maart 2013 aan de voorzieningenrechter in de Rechtbank Zeeland-West-Brabant) meegedeeld: * dat de week daarop een sloot zou worden gegraven ten noordwesten en ten oosten van het perceel van [eiser], welke sloot wordt verbonden met de sloot langs de Eendrachtsweg en * dat ten zuidoosten een drainage met een doorsnede van 100 mm wordt aangebracht. 1.5.2 Het Consortium is op 27 februari 2013 met de werkzaamheden begonnen, maar deze zijn onvoltooid stopgezet omdat [eiser] had meegedeeld dat hij had geconstateerd dat er trillingen ontstonden. 1.6 Door Grontmij Nederland B.V. (verder: Grontmij) is in opdracht van mr. Boogaard (in feitelijke aanleg de advocaat van [eiser]) een op op 1 maart 2013 gedateerd rapport uitgebracht met betrekking tot hoogtemetingen in de buurt van het perceel van [eiser] (productie 9 bij dagvaarding in eerste aanleg). In het rapport is op pagina 5 als “Resultaat” opgenomen: “Het resultaat van de hoogtes laat zien dat er ter plaatse van de aangelegde weg Jazzroute ten noorden van het perceel [a-straat], de weg tot wel 1,50 m hoger ligt dan het maaiveld in 1992. Ten oosten van het perceel ligt het niveau van dorpelhoogtes van de nieuwbouwwoningen ongeveer 0,90 m boven de maaiveldhoogte uit 1992. Ten zuiden van het perceel liggen de vloerpeilen van de nieuwe woningen ongeveer 80 cm hoger dan het maaiveld in 1992.” 1.7.1 Door Arcadis is in opdracht van het Consortium op 4 maart 2013 een rapport uitgebracht inzake de hydrologische situatie van het perceel [a-straat] te Mid- delburg (productie bij brief van het Consortium d.d. 5 maart 2013 aan genoemde voorzieningenrechter). In het rapport is met betrekking tot de bestaande situatie van het perceel van [eiser] op pagina 6 onder meer opgenomen: “Gezien de hoogteligging van het perceel met de woning als hoogste (middel-) punt in relatie tot de omliggende landbouwpercelen zal de afwatering van het perceel plaatsvinden in alle richtingen. Het toestromen van hemelwater van de omliggende percelen naar het perceel van [eiser] is gezien de hoogteligging van het perceel slechts aannemelijk vanuit de zuidoosthoek.” en op pagina 9: “Rondom het perceel van [eiser] zal woningbouw worden gerealiseerd waarbij het terrein wordt opgehoogd en wegen worden aangelegd. Aan de noordwest- en noordoostzijde van het perceel van [eiser] zal nabij de perceelgrens een sloot worden aangelegd. Aan de zuidoost- en zuidwestzijde zal drainage op de scheiding worden aangelegd. De drainage watert af naar de te graven sloten aan noordwest- en noordoostzijde en/of het rioleringssysteem (…) Het peilregime in het plangebied wordt wisselend over de zomer en winterperiode. De maatgevende waterstand (na peilstijging van een intensieve bui) zal daarom in de toekomstige situatie enigszins hoger zijn dan de bestaande situatie en bedraagt NAP 1,60 m. Het toekomstige peilbeheer zal voor de ontwatering van het perceel van [eiser], ook bij extreme neerslag, naar verwachting vrijwel geen negatieve effecten hebben. De huidige bodemopbouw zal voor voldoende ontwatering in maatgevende omstandigheden zorgen. Doordat de maatgevende omstandigheden niet wijzigen is de verwachting dat voor de toekomstige situatie de ontwatering wordt gewaarborgd. Incidenteel kan wateroverlast optreden vanwege de slechte doorlatendheid van de bodem. Deze zal vergelijkbaar zijn aan de huidige situatie. (…) Door de ophoging van percelen rondom het perceel van [eiser] en aanpassingen in de ontwateringsituatie (nieuwe sloten en drainagesysteem) wordt geen hoge grondwaterstand/wateroverlast op het terrein van [eiser] verwacht. Door de aanleg van drainage in combinatie met een terreinophoging zal deze wateroverlast aanzienlijk kunnen worden beperkt/worden voorkomen.” 1.7.2 In de “Conclusies en aanbevelingen” (pagina 11) is onder meer opgenomen: “Eventueel gevaar voor wateroverlast op het perceel van [eiser] als gevolg van de te treffen maatregelen (ophogen en wegenaanleg) rondom het perceel wordt niet verwacht. Op het perceel thans voorkomende wateroverlast wordt als gevolg van de nieuwe sloten opgelost. Mochten er nog ingesloten laagten overblijven dan is drainage al dan niet in combinatie met ophogen afdoende. Er zal door de ontwikkelingen rondom het perceel van [eiser] geen wezenlijke verandering in negatieve zin met betrekking tot de hydrologische situatie op het perceel optreden. Opgelet moet worden dat de sloten en daarmede de grondwaterstand niet teveel wordt verlaagd zodat mogelijk, mede door de aanwezige veenlagen, zettingen ontstaan. Schade hierdoor kan niet worden uitgesloten. (…)” 1.8 In opdracht van Civil Support is door Quattro Expertise B.V. in verband met graafwerkzaamheden nabij [a-straat] een vooropname uitgevoerd op 5 maart 2013. In het rapport (productie bij brief van het Consortium d.d. 5 maart 2013 aan de voorzieningenrechter) is onder meer op pagina 3 de volgende toelichting opgenomen: “Wij hebben de situatie ter plaatse oppervlakkig beoordeeld. Wij vernamen van [eiser] dat aan de achterzijde van het perceel graafwerkzaamheden zijn uitgevoerd en dat naar zijn mening daardoor schade is ontstaan aan de schuur. Om dit te staven of ontkrachten zal nader onderzoek plaats moeten vinden. Wel kunnen wij zeggen dat een klein raam in een betonnen kozijn aan de achterzijde van de schuur zeer recent gebroken is, getuige de glassplinters op het opgeslagen hout en het maaiveld direct onder dit raam. Verde[r] troffen wij scheurvorming in het metselwerk van achterste deel van de schuur die mogelijk recent ontstaan is. In de ruimte van de dorsvloer troffen wij verder “schoon” voegwerk op de vloer aan. Op basis van deze waarnemingen achten wij het mogelijk dat de scheurvorming (alleen in de achterste 5 meter van de schuur) recent is ontstaan.” 1.9 In opdracht van mr. Boogaard heeft op 8 maart 2013 een bouwkundige opname plaatsgehad van de opstallen op [a-straat] door Grontmij (productie 2 bij akte overlegging producties d.d. 13 augustus 2013). In de inleiding van het rapport is onder meer te lezen: “In verband met de aanleg van woonwijk Mortiere te Middelburg hebben er rondom het perceel [a-straat] grondwerkzaamheden plaatsgevonden. Grontmij heeft op 7 februari 2013 een hoogtemeting verricht waarvan de resultaten zijn terug te vinden in de rapportage (…) d.d. 1 maart 2013. Uit de hoogtemetingen blijkt dat als gevolg van de grondwerkzaamheden de percelen rondom [a-straat] een stuk hoger zijn komen te liggen. Het perceel van [eiser] is hierdoor het laagste punt geworden, wat resulteert in wateroverlast. Als oplossing voor de wateroverlast heeft een bouwonderneming aan de achterzijde van het perceel van [eiser] een sloot gegraven. Door deze sloot vinden er op het perceel fluctuaties plaats in de grondwaterstand. Bovendien zijn bij het graven van de sloot trillingen vrijgekomen. Dergelijke trillingen en veranderingen in grondwaterstand kunnen schade veroorzaken aan op staal gefundeerde bouwwerken. Voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden heeft geen bouwkundige vooropnamen plaatsgevonden (0-meting). Onderliggende rapportage betreft dan ook een momentopname.” 1.10 Door [eiser] is tegen geïntimeerden ook een bodemprocedure aangespannen bij de Rechtbank Zeeland-West-Brabant. In die procedure is een comparitie na antwoord bepaald voor 11 april 2014. Ook heeft [eiser] een voorlopig deskundigenbericht gevraagd. Het verzoek is door de Rechtbank toegewezen. De kosten van dat onderzoek bedragen € 50.000. [eiser] beraadde zich - naar hij tijdens de pleidooizitting ten Hove heeft verklaard - over de te nemen stappen. 2Procesverloop 2.1 [eiser] heeft op 21 februari 2013 de Gemeente c.s. en Bouwbedrijf Imotec B.V. gedagvaard en (na wijziging van eis) verkort weergegeven gevorderd dat de voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant: (I) [verweerster 6] en Bouwbedrijf Imotec B.V. veroordeelt om de bouwactiviteiten binnen het gebied gesitueerd tussen de Torenweg, de Eendrachtsweg, de Bachweg en de Mannezeesche Watergang, dan wel binnen een straal van 125 m te rekenen vanaf de perceelsgrens van het woonerf van [eiser], te staken en gestaakt te houden; (II) de Gemeente en Mortiere Grondexploitatie C.V., Grondbedrijf, Mortiere Beheer I B.V., Grondbedrijf Mortiere Beheer II B.V. en [verweerster 5] veroordeelt het aanbrengen van ophogingen binnen een straal van 125 meter te rekenen vanaf de perceelsgrens van het woonerf van [eiser] te staken en gestaakt te houden en een aanvang te nemen met het verwijderen van alle ophogingen die binnen het gebied gesitueerd tussen de Torenweg, de Eendrachtsweg, de Bachweg en de Mannezeesche Watergang, dan wel binnen een straal van 125 m te rekenen vanaf de perceelsgrens van het woonerf van [eiser] zijn aangebracht en de afwatering van het woonerf op de sloten in de omgeving te herstellen en deze werkzaamheden binnen 2 maanden te voltooien en voorts zodanige infrastructurele en andere noodzakelijke voorzieningen te treffen dat het woonerf weer kan afwateren op de belendende percelen en wordt bewerkstelligd dat de omliggende percelen niet langer afwateren op het woonerf. 2.2 In zijn vonnis van 14 maart 2013 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen afgewezen. Daartoe wordt overwogen dat het aannemelijk is dat op het perceel van [eiser] sprake is van wateroverlast, maar dat niet duidelijk is geworden in welke mate daarvan sprake is. Voorts is niet voldoende aannemelijk geworden dat de door [eiser] gestelde schade het gevolg is van het ophogen van gronden van percelen aan de zuidwest- en zuidoostkant van zijn perceel en is niet komen vast te staan dat het verwijderen van die ophogingen de oplossing is voor de wateroverlast. De vordering gedaagden sub 1 - 5 te veroordelen de afwatering van het woonerf op de sloten in de omgeving te herstellen en zulke infrastructurele voorzieningen te treffen dat het woonerf weer kan afwateren, is volgens de voorzieningenrechter bovendien onvoldoende gespecificeerd. Ten slotte wordt nog overwogen dat er wel aanwijzingen zijn voor een verband tussen de door of in opdracht van het Consortium uitgevoerde werkzaamheden en de wateroverlast op het perceel van [eiser] en dat het op de weg van partijen ligt in overleg te treden over een oplossing van die overlast. 2.3 [eiser] heeft hoger beroep ingesteld; hij heeft verkort weergegeven gevorderd dat het Hof: (I) [verweerster 6] en Bouwbedrijf Imotec B.V. veroordeelt al hun bouwactiviteiten binnen het gebied gesitueerd tussen de Eendrachtsweg, de Bachweg en de Johnny Cashstraat te Middelburg, dan wel binnen een straal van 125 meter te rekenen vanaf de perceelsgrens van het woonerf van [eiser], te staken en gestaakt te houden zolang de ophogingen boven het door de gemeente Middelburg op de tekening d.d. 30 augustus 1992 aangegeven peil niet zijn verwijderd; (II) de Gemeente en Mortiere Grondexploitatie C.V., Grondbedrijf Mortiere Beheer I B.V., Grondbedrijf Mortiere Beheer II B.V. en [verweerster 5] veroordeelt het aanbrengen van ophogingen en andere infrastructurele werkzaamheden binnen het gebied gesitueerd tussen de Eendrachtsweg, de Bachweg en de Johnny Cashstraat te Middelburg, dan wel binnen een straal van 125 meter te rekenen vanaf de perceelsgrens van het woonerf te staken en gestaakt te houden; (III) de Gemeente en Mortiere Grondexploitatie C.V., Grondbedrijf Mortiere Beheer I B.V., Grondbedrijf Mortiere Beheer II B.V. en [verweerster 5] veroordeelt een aanvang te nemen met het verwijderen van alle ophogingen die binnen het gebied gesitueerd tussen de Eendrachtsweg, de Bachweg en de Johnny Cashstraat te Middelburg, dan wel binnen een straal van 125 meter te rekenen vanaf de perceelsgrens van het woonerf van [eiser], door hen, dan wel in opdracht van hen zijn aangebracht en de afwatering van het woonerf op de sloten in de omgeving te herstellen en deze werkzaamheden binnen 2 maanden te voltooien en voorts zodanige infrastructurele en andere noodzakelijke voorzieningen te treffen dat het woonerf weer kan afwateren op de belendende percelen en dat wordt bewerkstelligd dat de omliggende percelen niet langer afwateren op het woonerf van [eiser]. 2.4 In zijn arrest van 25 maart 2014 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd. Daartoe heeft het Hof, voor zover thans van belang, het volgende overwogen: “7.6 Bij de beoordeling van het geschil stelt het hof het volgende voorop. In het kort geding gelden niet de gewone regels van bewijsrecht, wel dienen de aan de vorderingen ten grondslag gelegde feiten voorshands voldoende aannemelijk te zijn (HR 1 juni 2007, NJ 2007, 309). Voorts brengt de aard van het kort geding mee dat, zo naar het voorlopig oordeel van de kort geding rechter, de verwerende partij verplicht is bepaalde gedragingen na te laten - bijvoorbeeld, ingeval hij die gedragingen onrechtmatig en dus ontoelaatbaar acht, terwijl die gedragingen of soortgelijke gedragingen dreigen te worden voortgezet - toewijzing van een te dier zake gevorderd verbod afhankelijk is van een belangenafweging waarbij onder meer enerzijds het voorlopig karakter van het rechterlijk oordeel in kort geding en de ingrijpendheid van de gevolgen van een eventueel verbod voor de verweerder in aanmerking dienen te worden genomen en anderzijds de omvang van de schade die, mede in verband met de vrees voor herhaling, voor de eiser dreigt indien een verbod zou uitblijven. De aard van het kort geding brengt voorts mee dat ter zake van een en ander geen uitvoerige motivering is vereist (HR 15 december 1995, NJ 1996, 509). 7.7 Naar het voorlopig oordeel van het hof is, gelet op de voorgaande rechtsoverweging, voor toewijzing van de vorderingen van [eiser] in ieder geval noodzakelijk dat voldoende aannemelijk is - dat sprake is van een zodanige mate van wateroverlast dat maatregelen noodzakelijk zijn; - dat deze overlast wordt veroorzaakt door (jegens [eiser] onrechtmatig) handelen en/of nalaten van de Gemeente en/of het Consortium; - dat de gevorderde maatregelen deze overlast zullen doen stoppen. Voorts dient het belang van [eiser] bij de gevorderde stopzetting van de in de vordering gespecificeerde activiteiten te worden afgewogen tegen het belang van (de Gemeente en ) het Consortium bij voortzetting daarvan. 7.8 Voor zover [eiser] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd dat de Gemeente wanprestatie jegens [eiser] heeft gepleegd heeft [eiser] niet duidelijk gemaakt op welke overeenkomst hij hierbij doelt en waaruit de wanprestatie bestaat. In zoverre moeten de vorderingen in ieder geval worden afgewezen. 7.9 Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op onrechtmatige daad geldt dat aan de hiervoor onder 7.7 genoemde voorwaarden niet is voldaan. Het hof overweegt daartoe als volgt. Weliswaar kan uit de door [eiser] overgelegde foto's worden afgeleid dat op zijn perceel sprake is van wateroverlast, maar dat die wateroverlast permanent is (en niet slechts bestaat na overvloedige regenval), en groter is dan kan worden verwacht na (overvloedige) regenval en gelet op de slechte doorlatendheid van de bodem (zoals vermeld in het rapport van Arcadis genoemd in rechtsoverweging 7.1. onder (f)) acht het hof voorshands niet aannemelijk gemaakt. Voorts blijkt uit dit rapport dat het toestromen van hemelwater van de omliggende percelen naar het perceel van [eiser] gezien de hoogteligging van het perceel slechts aannemelijk is vanuit de zuidoosthoek. Voor zover in deze zuidoosthoek al bouwwerkzaamheden zijn verricht, zijn deze blijkens de door [eiser] overgelegde foto's voltooid, en de gevraagde maatregelen hebben slechts betrekking op het stopzetten van lopende bouwwerkzaamheden. [eiser] weerspreekt immers niet de vaststelling van de voorzieningenrechter dat de vorderingen van [eiser] niet zien op het wegnemen van ophogingen op aan derden toebehorende gronden en daar waar dat tot gevolg zou hebben dat woningen afgebroken zouden moeten worden. Voorts wordt in het rapport opgemerkt dat door de ontwikkeling rondom het perceel van [eiser] geen wezenlijke verandering in negatieve zin met betrekking tot de hydrologische situatie op het perceel optreedt. Daarbij wordt wel aangetekend dat opgelet moet worden dat sloten en daarmede grondwaterstand niet teveel wordt verlaagd, maar uit deze kanttekening volgt niet dat thans al op grond van een te lage grondwaterstand van overlast sprake is. Het hof merkt hierbij voorts op dat door [eiser] zelf is gesteld (memorie van grieven §40) dat de bestaande drainage op het woonerf op -1.60 m tot -1.20 meter ligt en afwatert op de sloot langs de Eendrachtsweg die ligt op -2.0 meter tot -2.30 meter, en dat daarmee een deugdelijke afwatering van de drainage in de richting van de Eendrachtsweg is gewaarborgd. Het hof acht het daarbij niet aannemelijk dat er sprake is geweest van doorsnijding van drainagebuizen door het Consortium op het perceel van [eiser] zelf. [eiser] heeft immers niet gesteld dat het Consortium werken heeft verricht op zijn perceel en dat is ook niet aannemelijk. Het hof stelt hierbij vast dat de kavel van [eiser] in volle lengte langs de Eendrachtsweg ligt, en dat - zoals uit de door [eiser] zelf bij akte van 7 mei 2013 als productie 8 overgelegde schetsplan blijkt - dit perceel grotendeels afwatert op deze sloot. Weliswaar zijn er plannen om deze sloot te dempen maar een andere wijze van afwatering is daarbij voorzien. Het hof tekent daarbij aan dat in een woonwijk zoals die voorzien is rond het perceel van [eiser] afwatering via een open sloot minder gebruikelijk is, en dat niet aannemelijk is dat een andere wijze van afwatering niet een vergelijkbaar resultaat kan hebben. Gelet op het voorgaande acht het hof het niet voldoende aannemelijk - dat er zich wateroverlast voordoet in de verregaande mate zoals door [eiser] gesteld; - dat de gestelde overlast wordt veroorzaakt door handelen of nalaten van de Gemeente en/of het Consortium; - dat de door [eiser] gevorderde maatregelen deze gestelde overlast zullen doen stoppen. 7.10 Uit het in rechtsoverweging 7.1 onder (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.