Rolnr. 13/01608 Mr M.H. Wissink Zitting: 21 maart 2014 conclusie in de zaak van de naamloze vennootschap ABN AMRO BANK N.V., als rechtsopvolgster onder algemene titel van FORTIS BANK (NEDERLAND) N.V., gevestigd te Amsterdam, eiseres in het principale cassatieberoep, verweerster in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep tegen de commanditaire vennootschap BOTERSLOOT C.V., gevestigd te Weert, verweerster in het principale cassatieberoep, eiseres in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep Deze zaak betreft de vraag of de koper tijdig bij de verkoper heeft geklaagd over de aanwezigheid van asbest in het gekochte kantoorgebouw en de uitleg van een bepaling in de leveringsakte.
(2)niet in de in april 1999 na het Vincotte-rapport aanwezigheid van asbest op/in de luchtkanalen of van spuitasbest in de kelder. In rov. 6 en 13 heeft het hof daaromtrent overwogen: “6. Bij de verdere beoordeling van de zaak dient het volgende te worden vooropgesteld. Partijen maken onderscheid tussen hechtgebonden asbest en niet hechtgebonden (losgebonden) asbest. Zoals de naam al zegt, en algemeen bekend is, komen uit losgebonden asbest gemakkelijk asbestvezels vrij (asbestbesmetting). Zulke vezels vormen in grote concentraties een gevaar voor de volksgezondheid, zoals eveneens algemeen bekend is. Hechtgebonden asbest is veel minder gevaarlijk omdat daaruit alleen asbestvezels vrijkomen wanneer het asbesthoudende materiaal wordt bewerkt. Ook uit spuitasbest komen, naar het hof begrijpt, gemakkelijk asbestvezels vrij, tenzij het gaat om spuitasbest die door bijvoorbeeld latex is gebonden, zo is af te leiden uit het [B]-rapport. Botersloot en Fortis hebben beide gesteld (zie 4.18 MvG, 6.3 MvA/MvG-inc en de pleitnota van Fortis in hoger beroep op blz. 4 onderaan) dat de luchtkanalen – met uitzondering van het luchtkanaal in de 1e kelder – slechts hechtgebonden asbest bevatten en dat hierin geen (direct) gevaar voor de gezondheid is gelegen. Botersloot heeft daarom haar vordering niet gebaseerd op de door Vincotte geconstateerde aanwezigheid van asbest in de luchtkanalen, ook niet in het luchtkanaal in de 1e kelder, en evenmin op de door Vincotte geconstateerde aanwezigheid van spuitasbest in de 2e kelder, die men toch al van plan was dicht te lassen waardoor de daar aanwezige asbestvervuiling aan het gebruik van het gebouw niet in de weg stond, aldus Botersloot onder 4.19 MvG, die onder 4.22 MvG verder heeft benadrukt dat: ‘van een gebrek in de zin van artikel 7:17 BW (…) eerst sprake was toen op 31 oktober 2000 is geconstateerd dat sprake was van een dusdanige asbestbesmetting dat het gebouw direct ontruimd diende te worden’. Ten pleidooie, buiten de pleitnota om, heeft de advocaat van Botersloot evenwel verklaard dat bepalend is dat spuitasbest (waarmee kennelijk is bedoeld: losgebonden asbest in het algemeen) aanwezig was aangezien dat afbreuk doet aan het gebruik als kantoor, en niet pas het vrijkomen van spuitasbest. Deze zienswijze spreekt meer aan dan de zienswijze dat het gebrek (uitsluitend) wordt gevormd door de besmetting; niet zozeer het uitbreken van een besmetting als wel de aanwezigheid van losgebonden asbest, waarvan die besmetting het gevolg is, is een eigenschap van het gebouw. Het hof begrijpt uit dit een en ander dat Botersloot zich in hoger beroep op het standpunt stelt dat het relevante gebrek is gelegen zowel in de aanwezigheid van losgebonden asbest in het gebouw boven de kelder als in de besmetting, maar niet in de aanwezigheid van asbest op/in de luchtkanalen of van spuitasbest in de kelder (vergelijk ook de laatste zin op blz. 2 van het rapport van Tauw d.d. 14 mei 2008 dat door Botersloot bij gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep is overgelegd). (…) 13. Gelet op het in rov. 6 overwogene had Botersloot binnen bekwame tijd nadat zij van de aanwezigheid van losgebonden asbest in het gebouw boven de kelder op de hoogte had behoren te komen, daarvan – op straffe van verval van haar rechten – aan Fortis mededeling moeten doen.” 3.4 De koper moet in beginsel tijdig klagen over de gebreken waarop hij zich jegens de verkoper wil beroepen. Daarbij zal uit de klacht voldoende duidelijk moeten blijken over welk gebrek de koper klaagt. In beginsel moet voor elk gebrek worden geklaagd. Waarop de klacht precies ziet, moet door uitleg ervan worden bepaald. Het is aan de verkoper om zich erop te beroepen dat te laat is geklaagd. Het is dan aan de koper om feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting te bewijzen, waaruit blijkt dat en wanneer hij heeft geklaagd, zodat de rechter kan beoordelen of tijdig is geklaagd. De beoordeling of tijdig is geklaagd, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij geldt dat de onderzoeks- en klachtplicht van de koper niet los kunnen worden gezien van de aard van de gekochte zaak en de overige omstandigheden, omdat daarvan afhankelijk is wat de koper kan en moet doen om een eventueel gebrek op het spoor te komen en aan de verkoper mededeling te doen van een met voldoende mate van waarschijnlijkheid vastgestelde tekortkoming. 3.5 Het verschijnsel waarop het onderdeel doelt − namelijk het strategisch al dan niet als een gebrek benoemen van bepaalde feiten en omstandigheden met het oog op de aanvang van de in de art. 7:23 lid 1 bedoelde onderzoeks- en klachttermijn – is op zichzelf beschouwd niet denkbeeldig. De koper geeft ermee echter de mogelijkheid prijs dat bepaalde feiten en omstandigheden reeds een (zelfstandig) gebrek opleveren, terwijl kwestieus is of hij ermee veel opschiet. Immers, een verkoper kan steeds wijzen op feiten en omstandigheden waarvan de koper volgens de verkoper reeds eerder op de hoogte was of had behoren te zijn en die de koper reeds eerder aanleiding hadden moeten geven tot (het melden van een onderzoek respectievelijk) het klagen bij de verkoper. 3.6 Nu berust het onderdeel op de gedachte dat het in het onderhavige geval van belang is hoe men het gebrek definieert. Volgens het onderdeel was reeds de in 1999 gebleken aanwezigheid van asbest als zodanig (in de kelders en de luchtkokers) een gebrek, zodat om die reden Botersloot naar aanleiding van de in 1999 gebleken feiten al tijdig had moeten klagen. Het feit dat Botersloot de in 1999 gebleken situatie niet als een gebrek aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd (wat haar in verband met het beginsel van partijautonomie vrijstond), belette Fortis niet om, zo zij daartoe aanleiding zou hebben gezien, in feitelijke instanties te betogen dat die situatie reeds wees op een gebrek (namelijk de aanwezigheid van asbest als zodanig) waarover de koper al wel had moeten klagen. Een dergelijk standpunt maakt de verkoper, die zich verweert tegen de stelling dat sprake is van non-conformiteit, natuurlijk wel kwetsbaar. Het verbaast dan ook niet, indien een dergelijk standpunt niet wordt ingenomen. Zie ik het goed, dan heeft Fortis ook slechts aangevoerd dat de Botersloot in 1999 na het Vincotte-rapport nader onderzoek had moeten doen; die stelling heeft het hof onderzocht. Het middel betoogt niet, onder verwijzing naar de stukken van het geding in feitelijke instanties, dat door Fortis in feitelijke instantie is gesteld dat de enkele aanwezigheid van asbest in 1999 reeds een gebrek opleverde. Het middel betoogt dat het hof dit zelfstandig had moeten vaststellen. Het is echter niet aan de rechter om in verband met een beroep op art. 7:23 (of 6:89) BW op grond van hetgeen ‘geobjectiveerd’ als een gebrek in de prestatie had moeten of kunnen worden beschouwd, te oordelen of tijdig is geklaagd wanneer het partijdebat daartoe geen of onvoldoende aanknopingspunten bevat. Het hof zou dan buiten de grenzen van de rechtsstrijd treden. 3.7 De klachten van het onderdeel stuiten m.i. hier reeds op af. Bovendien mist het onderdeel feitelijke grondslag waar het veronderstelt dat het hof heeft geoordeeld dat de enkele aanwezigheid van asbest in 1999 geen gebrek oplevert. Het hof heeft mijns inziens daarover geen oordeel gegeven, maar geconstateerd dat Botersloot dat niet als een gebrek aan haar vordering ten grondslag legde. De in nrs. 14 e.v. uitgewerkte motiveringsklacht berust voorts op een feitelijk betoog dat in cassatie niet voor het eerst kan worden aangevoerd. Anders dan het onderdeel in nr. 15 (ad I) aanvoert, kon het hof niet uitgaan van een objectieve lezing van de koopovereenkomst en leveringsakte, los van het partijdebat. Anders dan het onderdeel in nr. 20 (ad II) aanvoert, kon het hof gezien het in rov. 6 TA bedoelde partijdebat een onderscheid maken tussen de aanwezigheid van losgebonden asbest in de kelder en in de hoger gelegen etages, waarop de bedoelde passages in rov. 6 en 31 TA zien. Het onderdeel kan ook niet worden gevolgd in de redenering in de nrs. 21-23 (ad II) dat, nu er renovatie- en sloopwerkzaamheden verricht zouden worden en dit met zich bracht dat ook de andere asbest (de hechtgebonden asbest bij de luchtkanalen) een risico van besmetting vormden, daarom het onderscheid tussen soorten asbest ‘kunstmatig’ zou zijn. Het hof heeft – in cassatie onbestreden – vooropgesteld dat partijen onderscheid maken tussen hechtgebonden en niet hechtgebonden asbest en dat bij laatstgenoemde het risico groter is dat vezels vrijkomen. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat er daarom in casu een relevant verschil bestond tussen het eerder en het later ontdekte asbest. Onderdeel 2: nader onderzoek? 3.8 Onderdeel 2 klaagt over rov. 9 en 10 en de mede daarop gebaseerde conclusie in rov. 13 EA. Het onderdeel richt in nr. 31 een rechtsklacht tegen het oordeel van het hof. Het hof zou hebben miskend dat het antwoord op de vraag of van een koper in redelijkheid kan worden verlangd dat hij nader onderzoek pleegt, afhangt van de aard van de gekochte zaak, van de aard en waarneembaarheid van het gebrek, van de deskundigheid van de koper en van overige omstandigheden als de bezwaarlijkheid van het doen van nader onderzoek. Het onderdeel richt in nr. 32 een motiveringsklacht tegen het oordeel. 3.9 In bespreek beide klachten tezamen. Het hof heeft overwogen dat Vincotte haar deskonderzoek heeft verricht vóór 12 maart 1999 en dat Vincotte ten tijde van haar deskonderzoek het [D]-rapport en de andere in de archiefdozen aangetroffen stukken dus nog niet kon kennen (rov. 9 EA). Om die reden is er geen sprake van een onvolkomenheid in het rapport en viel voor Botersloot uit het Vincotte-rapport niet op te maken dat er een serieuze, niet te verwaarlozen kans bestond dat zich ook in het gebouw boven de kelder losgebonden asbest zou bevinden (rov. 10 EA). Als vaststaand moet worden aangenomen dat Botersloot het [D]-rapport eerst begin 2001, althans na 31 oktober 2000, onder ogen heeft gekregen (rov. 11 EA). Door op 7 december 2000 te klagen, heeft Botersloot tijdig aan haar klachtplicht voldaan (rov. 13 EA). 3.10 Het onderdeel wijst in nr. 32 sub (
- i)t/m (vii) op een aantal omstandigheden in het licht waarvan het oordeel van het hof onjuist dan wel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd zou zijn. Bij de bespreking daarvan, stel ik het volgende voorop. Het deskundigenrapport hinkte op twee gedachten. De deskundigen hadden enerzijds aangegeven waarom het Vincotte-rapport Botersloot geen aanleiding gaf tot het doen van nader onderzoek (rov. 2 sub B EA) en anderzijds dat Botersloot niet op het rapport kon afgaan in verband met de kenbare onvolkomenheid dat geen (goed) deskonderzoek was gedaan (rov. 2 sub C EA). Botersloot heeft bij Memorie na deskundigenbericht van 1 mei 2012 (nrs. 10 e.v.) bestreden dat er voor haar na ontvangst van het Vincotte-rapport redelijkerwijs aanleiding bestond om te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van de bevindingen of om nader onderzoek te doen. Bij Nadere akte van 12 juni 2012 (nrs. 3 en 5) heeft zij aangevoerd dat de stukken (waaronder het bestek van [D]) haar eerst in 2011 bekend zijn geworden. Fortis heeft bij Antwoord memorie na deskundigenbericht van 21 augustus 2012 het oordeel van de deskundigen onderschreven dat Botersloot had moeten opmerken dat Vincotte geen deugdelijke deskonderzoek had uitgevoerd, althans dat daarin de uitkomsten van dat onderzoek niet waren vermeld terwijl het rapport wel vermelde dat deskonderzoek was uitgevoerd (nr. 12; zie ook nrs. 14, 16, 19, 24, 34, 39 en 48). Zij heeft in dat verband ook aangevoerd dat Vincotte over het bestek van [D] kon beschikken (nr. 19). Het hof constateert dat het deskundigenrapport op twee gedachten hinkt (rov. 3 EA). Het overweegt in rov. 9 EA dat Vincotte de oude tekeningen en bestekken (waaronder het relevante [D]-rapport) niet bij haar onderzoek kon betrekken (2e t/m 7e volzin), dat het opvragen van die stukken bij de architect niets zou hebben opgeleverd (8e volzin) en dat van Vincotte niet kon worden verwacht dat zij binnen enkele weken na het door haar uitgevoerde deskonderzoek wederom een deskonderzoek zou verrichten en/of bij de architect zou gaan informeren of er inmiddels nieuwe stukken zouden beschikbaar waren (9e volzin). In rov. 10 concludeert het hof dan dat de deskundigen niet kunnen worden gevolgd in hun bevinding dat in het Vincotte-rapport sprake is van een ernstige onvolkomenheid of een beoordelingsfout door het [D]-rapport niet bij het onderzoek te betrekken en dat resteert de bevinding dat voor Botersloot niet valt op te maken dat er een serieuze, niet te verwaarlozen kans bestond dat zich ook in het gebouw boven de kelder losgebonden asbest zou bevinden. 3.11 In rov. 9 EA reageert het hof specifiek op het betoog in de Antwoord memorie na deskundigenbericht nr. 19, dat Vincotte bij een deugdelijk deskonderzoek over het bestek/rapport van [D] zou hebben kunnen beschikken. Het hof verwerpt dat betoog. Dan blijft over de vraag of het Vincotte-rapport voor Botersloot kenbaar ondeugdelijk was, omdat daaruit niet bleek dat het deskonderzoek niet mede de tekeningen en bestekken omvatte. Die vraag wordt in rov. 9 EA niet met zoveel woorden aan de orde gesteld. Het hof heeft mijns inziens die vraag in rov. 10 EA ontkennend beantwoord. Daarin sluit het hof zich aan bij de bevinding dat voor Botersloot uit het Vincotte-rapport niet valt op te maken dat er een serieuze, niet te verwaarlozen kans bestond dat zich ook in het gebouw boven de kelder losgebonden asbest zou bevinden. Naar het kennelijke oordeel van het hof, konden de in het deskundigenrapport vermelde redenen voor die bevinding (rov. 2 sub B EA) ook in dit opzicht het oordeel dragen. Zo merken de deskundigen onder meer op dat Botersloot mocht vertrouwen op de expertise van het gecertificeerde asbesinventarisatiebureau, dat het rapport geen aanbevelingen voor gericht vervolgonderzoek bevat en dat de inspecteurs niet de verwachting uitspreken dat in het pand nog (veel) meer asbest schuilging dan zij bij hun onderzoek hadden getraceerd alsmede dat Vincotte aangeeft dat het gaat om visueel- en deskonderzoek. Het hof heeft een en ander kennelijk zwaarder laten wegen dan de constatering, dat het rapport niet de resultaten van het deskonderzoek vermeld en de daaraan door de deskundigen verbonden conclusie dat Botersloot dit had moeten onderkennen. 3.12 Dit (feitelijke) oordeel komt mij niet onjuist dan wel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd voor, ook niet in het licht van de door het onderdeel aangevoerde omstandigheden. De stelling dat Botersloot nader onderzoek had moeten (laten) verrichten omdat Vincotte niet over de tekeningen beschikte (nr. 32 sub i), ligt minst genomen in het verlengde van de stellingen die Fortis bij Antwoord memorie na deskundigenbericht heeft ingenomen, maar is mijns inziens in wezen dezelfde stelling nu de vraag naar de onderzoeksplicht van Botersloot door het hof in zijn tussenarrest is toegespitst op de twee door de deskundigen te beantwoorden vragen. De stelling dat Botersloot uit het Vincotte-rapport had moeten opmaken dat geen deskonderzoek was verricht waarbij de bouwtekeningen waren bestudeerd, is door het hof beoordeeld en verworpen. Dat bezegelt naar mijn mening ook het lot van de door het onderdeel bedoelde stelling. Dat het gebouw stamt uit een tijd waarin veel asbest werd gebruikt (nr . 32 sub ii), dat Botersloot een professionele koper is (nr. 32 sub iii), dat bij Vincotte’s onderzoek al asbest werd aangetroffen (nr. 32 sub
- iv)en dat Botersloot renovatie- en sloopwerkzaamheden zou gaan uitvoeren (nr. 32 sub vi), heeft het hof niet miskend. Deze omstandigheden bepalen mede de opdracht die het hof aan de deskundigen heeft gegeven. De stelling dat bij een beperkt destructief onderzoek zoals het wegschrapen van latexverf reeds spuitasbest was ontdekt (nr. 32 sub vii), ziet er aan voorbij dat dit in het niet onbegrijpelijke oordeel van het hof voor Botersloot pas aan de orde is als het Vincotte-rapport daar aanleiding toe zou geven. Fortis wijst ook nog op de opmerking in het deskundigenrapport (p. 12) dat een fysieke en visuele inspectie van met latex afgewerkt spuitasbest duidelijkheid had kunnen geven over het soort materiaal (nr. 32 sub v). Hierop heeft Fortis zich echter niet afzonderlijk beroepen, althans het middel verwijst niet naar passages in het dossier waaruit dat blijkt. Dat het hof hier niet afzonderlijk op in is gegaan, acht ik overigens niet onbegrijpelijk. De deskundigen knopen hiervoor aan bij bevindingen uit het latere [B]-rapport dat Botersloot niet ter beschikking stond toen zij het Vincotte-rapport ontving. Uit de door Fortis geciteerde passage uit het deskundigenrapport valt niet op te maken dat sprake is van een onvolkomenheid die Botersloot destijds had moeten onderkennen. 3.13 Aan het voorgaande doet niet af dat ook denkbaar is dat wordt geoordeeld dat een professionele koper, die weet dat zichtbaar asbest aanwezig is, niet mag afgaan op een onbekendheidsverklaring van de verkoper en zelf nog een onderzoeksplicht kan hebben naar de aanwezigheid van niet-zichtbaar asbest. Nog afgezien van andere verschillen tussen de onderhavige zaak en de zaak waar Fortis zich op beroept, speelt in het onderhavige geval nu juist de vraag of het (door Vincotte uitgevoerde) onderzoek volstond dan wel aanleiding had moeten geven tot nader onderzoek. Onderdeel 3: uitleg 3.14 Dit onderdeel klaagt over de uitleg die het hof in rov. 15 van het eindarrest heeft gegeven aan de door mij onderstreepte passage in artikel 2 lid 1 van de leveringsakte: “Indien de door verkoper opgegeven maat of grootte van het verkochte of verdere omschrijving daarvan of de hiervoor onder C door hem gedane opgaven niet juist of niet volledig zijn, zal geen van partijen daaraan enig recht ontlenen (...)”. Het hof heeft, kort gezegd, geoordeeld dat deze passage, voor zover hier relevant, geen exoneratie inhoudt voor eventuele aanwezigheid van asbest, maar slechts ziet op de mededeling van Fortis (in artikel C sub a van de leveringsakte) niet bekend te zijn met de aanwezigheid van asbest. Voor zover de bepaling een exoneratieclausule bevat, ziet het alleen daarop, aldus het hof, en niet op de aansprakelijkheid voor de ongeschiktheid van het gebouw, waaronder de aanwezigheid van losgebonden asbest, voor het overeengekomen gebruik als kantoorpand. 3.15 Volgens onderdeel 3 (nr. 34-36) is dit oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Het zou namelijk betekenen dat Fortis aansprakelijkheid kan afweren voor zover haar verklaring dat zij onbekend was met de aanwezigheid van losgebonden asbest onjuist was, maar niet met betrekking tot de aanwezigheid van dergelijke asbest zelf. De bedongen exoneratie heeft dan in essentie geen enkel nut, zodat partijen de door het hof bedoelde uitleg niet bedoeld kunnen hebben. 3.16 Het onderdeel komt vergeefs op tegen een aan het hof voorbehouden, niet onbegrijpelijke uitleg van de leveringsakte respectievelijk koopovereenkomst. Een onbekendheidsverklaring als de onderhavige kan verschillende betekenissen hebben, zoals een garantie, een exoneratie of een enkele mededeling. Volgens het hof gaat het in casu om een feitelijke mededeling (verklaring). Onjuistheid daarvan zou bijvoorbeeld kunnen meebrengen dat de koper daarop een beroep op dwaling baseert. De bepaling (‘exoneratie’) dat geen van partijen aan (onder meer) deze mededeling rechten zal ontlenen, is bijvoorbeeld met het oog op een dergelijk dwalingsberoep relevant. Reeds daarom gaat het betoog van het onderdeel niet op. 4Bespreking van het incidentele cassatiemiddel 4.1 Nu het principale cassatiemiddel m.i. dient te falen, behoeft het voorwaardelijk ingestelde incidentele cassatiemiddel geen behandeling. Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G In het eindarrest is per abuis ‘B.V.’ vermeld. Zie cassatiedagvaarding, noot 1. Ontleend aan Hof ’s-Gravenhage 30 december 2008, ECLI:NL:GHSGR:2008:BH9162, NJF 2009/161, RN 2009/54, rov. 1. Deze rechtsopvolging staat in cassatie niet ter discussie. In de MvG nr. 4.19 bestreed Botersloot de overweging van de rechtbank (rov. 4.2.2) dat zij zich op het standpunt stelde dat de in 1999 geconstateerde asbest een gebrek opleverde. Volgens haar was toen nog geen sprake van een gebrek (non-conformiteit), maar al wel van schending van een garantie. Vgl. HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007: AZ4850, NJ 2008/605 m.nt. Jac. Hijma ([.../...]), rov. 3.4 en 3.6; HR 11 juni 2010, LJN BL8297, NJ 2010/331 ([…]/Van Lanschot), rov. 3.5 ;HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011: BP0630, NJ 2013/139 m.nt. Jac. Hijma ([.../...]), rov. 3.5.3; HR 22 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4124, NJ 2013/126, JBPR 2013/29 m.nt. H.W. Wiersma ([.../...]), rov. 3.5.3. HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7195, RvdW 2013/250, JOR 2013/107 m.nt. B.T.M. van der Wiel (X/Van Lanschot), rov. 3.6; HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600, RvdW 2013/253, JOR 2013/106 m.nt. B.T.M. van der Wiel, JIN 2013/74 m.nt. J. van der Kraan (X/Rabobank Noord-Holland), rov. 4.2.1-4.2.6. HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600, rov. 4.2.4. Vgl. het standpunt van Fortis in de MvA tevens MvG in incidenteel appel nrs. 4.3, ad c, d en f, 7.1 en 7.2 en in de pleitnota van mr. Ten Doesschate van 15 september 2008, p. 8. Zoals wordt opgemerkt in de schriftelijke toelichting zijdens Botersloot nrs. 4.2 en 4.10. Daarvan lijken ook de nrs. 2, 3 en 12 van de schriftelijke toelichting zijdens Fortis uit te gaan. De rechtsklacht als zodanig maakt niet duidelijk in welk opzicht het hof de bedoelde maatstaf zou hebben miskend, zodat deze als zelfstandige klacht niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Ik merk dit zekerheidshalve op omdat partijen kennelijk ervan uitgaan dat dit een nieuwe stelling is. Zie noot 3 van de cassatiedagvaarding en de schriftelijke toelichting zijdens Botersloot nr. 4.21. Vgl. HR 20 maar 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG8788, RvdW 2009/448 (Rebel/Resim), waarnaar het middel in noot 4 en de s.t. zijdens Fortis in nr. 25 verwijzen. Volgens de schriftelijke toelichting zijdens Botersloot nr. 4.30 stuit de klacht al af op rov. 26 TA. Fortis heeft in haar Antwoord memorie na deskundigenbericht nrs. 30-31 aangevoerd dat het hof nog niet op dit onderdeel van haar stellingen had gereageerd. H.W. Heyman en S. Bartels, Vastgoedtransacties Koop, 2012, nrs. 378-380.