14/01060 Mr. L. Timmerman Zitting 21 maart 2014 Conclusie inzake: [verzoeker], verzoeker tot cassatie, (hierna: [verzoeker]). 1. De toepassing van de schuldsaneringsregeling, die ten aanzien van [verzoeker] op 10 september 2010 was uitgesproken, is door de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 18 december 2013 beëindigd zonder toekenning van een schone lei. De rechtbank was van oordeel dat [verzoeker] de bewindvoerder niet op eigen initiatief over zijn inkomsten als afwasser bij restaurant Pondok Yanie te Bentveld had geïnformeerd en dat deze tekortkoming in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen aan [verzoeker] kon worden toegerekend. Van dit vonnis is [verzoeker] in hoger beroep gegaan. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 18 februari 2014 het vonnis bekrachtigd. Ik citeer de thans relevante rechtsoverwegingen uit dat arrest: “2.4. Het hof is van oordeel dat [verzoeker] verwijtbaar is tekort geschoten in de nakoming van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. [verzoeker] heeft de bewindvoerder niet van toereikende informatie voorzien omtrent zijn (financiële) situatie, waaronder zijn inkomen. Zo heeft hij pas na de zitting in eerste aanleg zijn inkomensspecificaties over de maanden juni 2013 tot en met augustus 2013 aan de bewindvoerder overgelegd. Voorts is voldoende komen vast te staan dat [verzoeker] de bewindvoerder niet uit eigener beweging heeft geïnformeerd over zijn inkomsten als afwasser bij restaurant Pondok Yanie te Bentveld. De bewindvoerder heeft uit de beschikking van de rechtbank van 12 september 2012 inzake de alimentatieverplichting, welke zij pas in augustus 2013 van [verzoeker] heeft ontvangen, moeten vernemen dat hij deze inkomsten genoot. Het niet opgeven van inkomsten aan de bewindvoerder acht het hof zeer laakbaar en indruisen tegen een elementaire regel van de schuldsanering, namelijk dat de saniet zijn inkomsten aan de bewindvoerder bekend maakt. Dat het gaat om – naar [verzoeker] heeft verklaard – geringe inkomsten doet aan het voorgaande niet af. Van [verzoeker] mocht in het kader van de schuldsaneringsregeling immers worden gevergd dat hij uit eigener beweging alle relevante informatie omtrent zijn situatie aan de bewindvoerder zou opgeven teneinde een effectieve uitvoering van deze regeling te bewerkstelligen. 2.5. De omstandigheid dat [verzoeker] inmiddels wel informatie aan de bewindvoerder heeft verschaft, leidt niet tot een ander oordeel. [verzoeker] heeft immers veel te laat aan de informatieverplichting voldaan, zo heeft hij pas na te zijn opgeroepen voor de beëindigingszitting de door Pondok Yanie verstrekte loonstroken betreffende het jaar 2013 en de jaaropgave 2012 aan de bewindvoerder overgelegd. Niet aannemelijk is geworden dat [verzoeker] de bewindvoerder niet eerder van zijn werkzaamheden en de daaruit gegenereerde inkomsten op de hoogte had kunnen stellen. [verzoeker] had moeten begrijpen dat, doordat hij van de – gedurende een lange periode verrichte – werkzaamheden en van de daaruit verkregen inkomsten geen melding maakte aan de bewindvoerder, het voor de bewindvoerder ook niet mogelijk was omtrent die werkzaamheden met hem afspraken te maken en daarop controle uit te oefenen. Er bestaat daarom grote – aan de [verzoeker] toe te rekenen – onduidelijkheid omtrent de omvang van de verrichte werkzaamheden en van de door de [verzoeker] verkregen inkomsten. De (enkele) door Pondok Yani verstrekte loonstroken betreffende het jaar 2013 en de jaaropgave 2012, kunnen daarin geen, althans onvoldoende, wijziging brengen. Niet alleen ontbreekt, nu uit de door [verzoeker] overgelegde loonstroken blijkt dat [verzoeker] reeds vanaf oktober 2009 werkzaamheden verricht in dient van Pondok Yanie, de informatie over de jaren 2010 en 2011, ook ontbreekt iedere specificatie van tijdstip en omvang van de werkzaamheden en daarmee het noodzakelijke houvast om tot een juiste en verantwoording van een en ander te komen.” 2 Het op 26 februari 2014 (derhalve tijdig) ter griffie van de Hoge Raad der Nederlanden ingekomen cassatieverzoekschrift richt zich (vooral) tegen rov. 2.4 en betoogt – kort samengevat – dat het hof miskend heeft dat: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.