13/04465 mr. De Vries Lentsch-Kostense Zitting 12 december 2014 Conclusie inzake [eiser] tegen Unilever Nederland Holdings B.V. Inleiding 1. Inzet van deze zaak is de vordering van eiser tot cassatie [eiser] tot schadevergoeding wegens de schade aan zijn gezondheid die hij stelt te hebben opgelopen doordat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor zijn toenmalige werkgever, verweerster in cassatie Unilever, is blootgesteld aan voor zijn gezondheid schadelijke stoffen, met name nikkel(verbindingen) en organische oplosmiddelen (in het bijzonder isopropylalcohol en hexaan). Deze zaak wordt thans voor de tweede maal aan uw Raad voorgelegd. Uw Raad bevestigde in zijn arrest van 17 november 2000 (ECLI:NL:HR:2000:AA8369, NJ 2001/596, m.nt. W.D.H. Asser) dat in deze procedure het (toen) nieuwe art. 7:658 BW moet worden toegepast en introduceerde de zogenoemde ‘omkeringsregel’ ten aanzien van de causaliteit tussen blootstelling aan gevaarlijke stoffen en ziekte van de werknemer. De zaak werd verwezen naar het gerechtshof ’s-Gravenhage. Het hof heeft onderzoek door deskundigen bevolen. In zijn eindarrest overweegt het hof dat het voorbijgaat aan de partijkritiek van [eiser] op de deskundigenrapportages omdat geen sprake is van een voldoende gemotiveerde betwisting van de juistheid van de zienswijze van de deskundigen. Het hof gaat uit van de juistheid van de conclusies van de medisch deskundigen en oordeelt dat geen causaal verband bestaat tussen de gezondheidsklachten van [eiser] en de door hem gestelde blootstelling aan voor de gezondheid schadelijke stoffen en dat dit slechts anders is voor zover het gaat om de (lichte) polyneuropathie, die kan zijn veroorzaakt door blootstelling aan gevaarlijke stoffen (te weten hexaan). Het hof wees de vordering van [eiser] in zoverre toe. In cassatie betoogt [eiser] dat het hof door zijn vraagstelling aan de deskundigen een belangrijk deel van de vordering van [eiser] buiten de beoordeling heeft geplaatst. [eiser] komt voorts op tegen het voorbijgaan door het hof aan de betwisting door [eiser] van de conclusies van de deskundigen. 2. In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, weergegeven in het door uw Raad in deze zaak gewezen, hiervoor reeds genoemde arrest van 17 november 2000:
(2003)waardoor de ernst van de klachten voor zijn persoonlijk en professioneel functioneren tijdens en kort na de blootstellingsperiode (1978-1984) is veronachtzaamd. Onderdeel 1.5 en onderdeel 1.6 klagen – samenvattend – dat het hof door de in onderdeel 1.2 bedoelde klachten in zijn vragen/instructies aan de deskundigen met één container-begrip als ‘OPS’ te kwalificeren, ten onrechte althans zonder begrijpelijke motivering een belangrijk deel van de vorderingsgrondslag van [eiser] buiten de van de deskundigen verlangde beoordeling heeft geplaatst voor zover het hof die term in strikt medische zin heeft bedoeld respectievelijk dat het hof, voor zover het de term ‘OPS’ slechts heeft bedoeld als verkorte aanduiding van de werkelijk door [eiser] aan de orde gestelde klachten, ten onrechte althans zonder begrijpelijke motivering heeft verzuimd daarover te beslissen dan wel eerst een nader deskundigenbericht te gelasten. 20. De klachten van onderdeel 1 hebben betrekking op (de omvang van) het door het hof bevolen deskundigenonderzoek naar de gezondheidsschade van [eiser], die de door hem gestelde gezondheidsschade diende te bewijzen en die bewijs wenste te leveren door deskundigenberichten, zoals het hof in rov. 1 van zijn (tweede) tussenarrest heeft vooropgesteld. Het onderdeel verwijt het hof dat het in zijn vraagstelling aan de deskundigen gebruik heeft gemaakt van (uitsluitend) de term organo psychosyndroom (OPS), uitgaande van de medisch algemeen geaccepteerde definitie van en/of criteria voor deze aandoening, als beschrijving van het ziektebeeld van [eiser] voor zover veroorzaakt door de blootstelling aan oplosmiddelen. Het onderdeel klaagt dat het hof is uitgegaan van een te beperkte vraagstelling en dat het hof aldus eraan heeft voorbijgezien dat [eiser] heeft aangevoerd dat [eiser] leed aan een scala van klachten, genoemd in middelonderdeel 1.2, die ook los van de vraag of sprake is van een medisch vastgesteld OPS, van betekenis is voor de vraag of sprake is van gezondheidsschade aan de zijde van [eiser]. Het gaat daarmee om de vraag welke aandoeningen [eiser] in feitelijke instanties als gezondheidsschade heeft opgevoerd en daarmee om uitleg van de processtukken. Dat betreft een feitelijke vraag die is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en die in cassatie niet op juistheid doch slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. 21. Dat het hof de stellingen van [eiser] omtrent door hem geleden gezondheidsschade zo heeft begrepen dat [eiser] (onder meer) leed (en mogelijk in enige mate lijdt) aan het organo psychosyndroom, uitgaande van de medisch algemeen gedefinieerde definitie en/of criteria voor deze aandoening, en als gevolg daarvan een vraag van die strekking heeft gesteld aan de door het hof benoemde deskundigen, acht ik niet onbegrijpelijk. Ik licht dit toe. Het hof heeft in zijn eerste tussenarrest (het arrest van 18 september 2002) aangegeven dat [eiser] vergoeding van schade vordert wegens nikkelaandoeningen en oplosmiddelenvergiftiging (rov. 2). Bij zijn stelling dat hij leed aan oplosmiddelenvergiftiging heeft [eiser] verwezen naar verschillende symptomen, zoals plotselinge vermoeidheden, moeite met autorijden, gebrek aan concentratievermogen, gebrek aan libido, verlies van reukvermogen en een verlaagde alcoholtolerantie (conclusie van repliek, nr. 13). Datzelfde beeld komt naar voren in de memorie na deskundigenbericht zijdens [eiser], nr. 54, waaruit blijkt dat [eiser] stelt dat hij gezondheidsschade lijdt, althans heeft geleden, doordat hij leed of lijdt aan nikkelaandoeningen en oplosmiddelenvergiftiging met bijbehorende symptomen zoals astma, nasale poliepen, rhinitis, verminderd of verlies van reukvermogen, doofheid, polyneuropathie, slapeloosheid, slaapapneu, verminderde concentratie, geheugenstoornissen, moeheid, emotionele labiliteit, persoonlijkheidsveranderingen, stemmingsstoornissen, aandachtstoornissen, initiatiefverlies, depressie tot aan dementieel beeld. Zie verder nog de pleitaantekeningen zijdens [eiser] d.d. 20 januari 2012, nr. 12: “[eiser] kreeg tijdens zijn dienstverband bij Unilever te maken met allerlei gezondheidsklachten zoals rhinitis, neuspoliepen, allergie, en astma, hyperreactiviteit van de luchtwegen en oplosmiddelenvergiftiging.” Zie ook de pleitaantekeningen zijdens [eiser] d.d. 20 januari 2012, nr. 39. Het hof heeft uit deze weergave mogen begrijpen dat [eiser] de opsomming van symptomen heeft bedoeld ter ondersteuning van zijn stelling dat sprake is van nikkelaandoeningen (met daaraan gerelateerd rhinitis, neuspoliepen, allergie, astma en hyperreactiviteit van de luchtwegen) en oplosmiddelenvergiftiging. [eiser] heeft niet aangevoerd, althans uit door het middelonderdeel genoemde passages uit de gedingstukken blijkt zulks niet, dat voor alle klachten elk voor zich zou moeten worden onderzocht wat het verband is tussen de klachten en de blootstelling aan oplosmiddelen. Dat het hof de vorderingsgrondslag heeft beperkt tot de aangevoerde nikkelaandoeningen en oplosmiddelenvergiftiging, doorwerkend in de vraagstelling aan de deskundigen, acht ik daarom niet onbegrijpelijk. Dat het hof in zijn vraagstelling spreekt van het organo psychosyndroom, uitgaande van de medisch algemeen gedefinieerde definitie en/of criteria voor deze aandoening, acht ik eveneens niet onbegrijpelijk. [eiser] diende immers te bewijzen dat hij gezondheidsschade heeft geleden, dus dat hij aan medisch aantoonbare aandoeningen leed en/of lijdt. Anders dan onderdeel 1.4 veronderstelt, heeft het hof in zijn vraagstelling aan de deskundigen eveneens betrokken in hoeverre de door het hof genoemde aandoeningen zich hebben voorgedaan tijdens en na de blootstellingsperiode (1978-1984). Het hof heeft immers in vraag B (rov. 2 van het tussenarrest van 26 maart 2003) aan de deskundigen verzocht antwoord te geven op de vraag of [eiser] aan de klachten als genoemd in vraag A heeft geleden vanaf 1975 tot heden. De deskundigen, onder wie de neuroloog dr. Hageman, hebben deze vraag ook beantwoord. 22. Hierbij komt nog dat het hof partijen voorafgaand aan de formulering van de aan de deskundigen te stellen vragen, in de gelegenheid heeft gesteld vragen te formuleren en dat [eiser] in de door het middelonderdeel genoemde passages van de memorie na deskundigenbericht (par. 90 en 104) geen bezwaar heeft gemaakt tegen de vraagstelling in die zin dat het hof aan de deskundigen niet de vraag had mogen voorleggen of [eiser] leed aan het organo psychosyndroom, uitgaande van de medisch algemeen gedefinieerde definitie en/of criteria voor deze aandoening. Voorts wijs ik nog erop dat dr. Hageman, neuroloog en Hoofd Solvent Team Enschede, die concludeerde dat bij neurologisch onderzoek onvoldoende afwijkingen worden gevonden die kunnen passen bij chronische toxische encefalopathie en dat de diagnose organisch psychosyndroom niet kan worden gesteld, heeft geconcludeerd dat wel sprake is van een polyneuropathie, waarschijnlijk door hexaan veroorzaakt en dat het hof Unilever ook heeft veroordeeld tot schadevergoeding voor zover het gaat om de schade als gevolg van de door de blootstelling aan hexaan. 23. Uit het voorgaande volgt dat middelonderdeel 1 naar mijn oordeel faalt. Middelonderdeel 2; de bewijswaardering 24. Onderdeel 2 komt op tegen de hiervoor geciteerde rov. 11 en rov. 13 van het eindarrest van het hof, waar het hof overweegt dat het voorbijgaat aan de betwisting door [eiser] van de conclusies van de door het hof benoemde medisch deskundigen resp. dat het in het licht van hetgeen in rov. 11 is overwogen, zal uitgaan van de juistheid van de conclusies van de deskundigen dr. Rooyackers, dr. Hulshof en dr. Hageman. Onderdeel 2.1 bevat de inleidende klacht dat het hof aldus oordelend blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting althans zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd. De onderdelen 2.2 klaagt dat waar het hof in de tweede volzin van rov. 11 de betwisting van de conclusies van de deskundigen door [eiser] “uitgebreid gemotiveerd” noemt, zijn gewraakte oordeel rechtvaardigt met de daarmee onverenigbare overweging dat die betwisting juist geen voldoende gemotiveerde betwisting van de juistheid van de zienswijzen van de deskundigen bevat. Onderdeel 2.3 betoogt dat de kwalificatie “uitgebreid gemotiveerd” onloochenbaar correct is. Onderdeel 2.4 constateert dat het hof in de derde t/m achtste volzin van rov. 11 zijn oordeel dat geen sprake is van een voldoende gemotiveerde betwisting verklaart met onder meer: (
- i)een verwijzing naar HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2921, NJ 2011/599; (
- ii)het gegeven dat [eiser]’ betwisting volledig is geformuleerd door hemzelf en/of zijn echtgenote; (iii) dat van de kritiek van [eiser] niet gezegd kan worden dat deze voor zich spreekt en daarom (geheel of gedeeltelijk) terecht is; (
- iv)de deskundigen zelf inhoudelijk hebben gemotiveerd waarom de reactie van [eiser] hen niet tot andere conclusies heeft geleid. Onderdeel 2.5 stelt dat uit het onder (
- i)genoemde arrest niet volgt dat kritiek slechts voldoende is gemotiveerd indien die afkomstig is van een andere ter zake gespecialiseerde deskundige. Met betrekking tot de argumenten (
- i)en (
- ii)wordt betoogd dat het hof miskent dat ook een partij zonder ‘medisch diploma’ in staat kan zijn om gefundeerde kritiek te leveren op een medische conclusie en dat deze kritiek niet kan worden afgedaan met ‘partijkritiek’ doch dat de rechterlijke motiveringsplicht een verdergaande motivering vereist. Met betrekking tot het argument onder (iii) wordt aangevoerd dat het hof zich in de kwaliteit en kracht van de inhoudelijke argumenten dient te verdiepen en niet aan deze argumenten mag voorbijgaan met de overweging dat niet gezegd kan worden dat de kritiek van [eiser] voor zich spreekt en daarom (geheel of gedeeltelijk) terecht is. Met betrekking tot het argument onder (
- iv)wordt betoogd dat de deskundigen veelal niet inhoudelijk zijn ingegaan op de kritiek van [eiser], alsmede dat deze deskundigen geen commentaar hebben kunnen leveren op [eiser] nadere kritiek in de memorie na deskundigenbericht en de pleitnota. Onderdeel 2.6 klaagt dat het hof in het licht van de door het onderdeel genoemde gegevens en gelet op de door uw Raad voor werkgeversaansprakelijkheid ter zake van beroepsziekten ontwikkelde criteria, niet de mede daarop gebaseerde kritiek van [eiser] op de (concept- en eind)conclusies van de deskundigen die een verband tussen [eiser]’ (vastgestelde) astma en rhinitis/poliepen ‘zeer onwaarschijnlijk’ achten, onbesproken en zelfs onbeoordeeld had mogen laten. Onderdeel 2.7 werkt deze klacht nader uit met betrekking tot de deskundigenrapporten van dr. Rooyackers en dr. Hulshof onder verwijzing naar de kritiek van [eiser] op de voor [eiser] negatieve conclusies van de deskundigen. Onderdeel 2.8 betoogt ten slotte dat de kritiek van [eiser] op de rapportages van dr. Rooyackers en dr. Hulshof ook wordt gerechtvaardigd – ook al is dit voor de vraag naar de al dan niet aan Unilever toerekenbare oorzaak van de rhinitis, poliepen en astma van geen enkel belang – door hun beider stelling dat de invloed van de neus- en astmaklachten op het persoonlijke en professionele functioneren van [eiser] (vrijwel) nihil was en is, aangezien zulks miskent dat [eiser] rond zijn 51e jaar als gevolg van die klachten in 1985 arbeidsongeschikt is verklaard voor het laboratoriumwerk waarvoor hij was opgeleid, en dat hij wegens zijn specialisatie, leeftijd en klachten geen ander geschikt werk meer kon vinden, met alle financieel en sociaal uiterst nadelige gevolgen hiervan, zulks nog bovenop de zware persoonlijke druk die uitging van de doorstane benauwdheid, hoofdpijnen, slaapstoornissen, libidoverlies, e.t.q. in samenhang met het blijvend moeten vermijden van alle astmabevorderende situaties en activiteiten. 25. Onderdeel 2 betreft daarmee de bewijswaardering en in het bijzonder de motiveringseisen die kunnen worden gesteld aan de beslissing van de rechter om de conclusies van de door hem benoemde deskundigen te volgen. Betoogd wordt naar de kern genomen dat het hof niet had mogen voorbijgaan, althans niet zonder nadere motivering, aan de uitgebreid gemotiveerde betwisting door [eiser] van de conclusies waartoe de medisch deskundigen in hun rapportages zijn gekomen en dat het hof derhalve niet had mogen uitgaan van de juistheid van de conclusies van deze medisch deskundigen. Onderdeel 2 moet naar mijn oordeel falen. Het stelt motiveringseisen die gelet op de hiervoor onder 17 weergegeven vaste jurisprudentie van uw Raad niet kunnen worden gesteld aan het oordeel van het hof dat in deze zaak de zienswijze van de door hem benoemde deskundigen heeft gevolgd. Ik licht dit toe. 26. De door het hof benoemde deskundigen (dr. Rooyackers, dr. Hulshof en dr. Hageman) hadden de opdracht de door het hof in zijn tussenarrest van 26 maart 2003 weergegeven vragen A t/m J te beantwoorden. De deskundigen dienden te onderzoeken of en in welke mate [eiser] aan de door hem gestelde gezondheidsklachten (rhinitis, neuspoliepen, allergie, astma, hyperreactiviteit van de luchtwegen en/of organo psychosyndroom) leed en lijdt en of een mogelijk verband bestaat tussen de door [eiser] gestelde gezondheidsklachten en de blootstelling van [eiser] in de periode 1964-1984 aan nikkelzouten en oplosmiddelen in het researchlaboratorium van Unilever. De conclusies van de deskundigen zijn door het hof in zijn eindarrest weergegeven. Het hof heeft de conclusies van dr. Rooyakkers aldus begrepen dat dr. Rooyakkers een causale relatie tussen de astma, althans de pulmonale klachten, en de blootstelling aan nikkelzouten en oplosmiddelen zeer onwaarschijnlijk acht. Het hof komt tot de slotsom dat aldus niet is aangetoond dat de astma/luchtwegklachten van [eiser] gezondheidsschade is die kan zijn veroorzaakt door de blootstelling aan nikkel, nikkelzouten of oplosmiddelen. Het hof heeft de conclusies van dr. Hulshof aldus begrepen dat de causale bijdrage van blootstelling aan nikkel(zouten) en oplosmiddelen – in strikt theoretische zin – niet kan worden uitgesloten in de zin van de omkeringsregel, maar in het onderhavige geval zeer onwaarschijnlijk is. Het hof komt tot de slotsom dat aldus niet is aangetoond dat de rhinitis en neuspoliepen van [eiser] gezondheidsschade is die kan zijn veroorzaakt door de blootstelling aan nikkel, nikkelzouten of oplosmiddelen. Het hof overweegt dat de conclusie van dr. Hageman (neuroloog) luidt dat bij [eiser] geen sprake was of is van een chronische toxische encefalopathie (CTE), en dat de diagnose organische psychosyndroom niet kan worden gesteld, doch dat wel sprake is van (een lichte vorm van) polyneuropathie en dat een relatie tussen polyneuropathie en hexaanblootstelling waarschijnlijk lijkt. Het hof neemt dit ook tot uitgangspunt. 27. Het onderdeel betoogt niet dat het hof de conclusies van de deskundigen onjuist heeft weergegeven of onjuist heeft geïnterpreteerd of dat die weergave of interpretatie onbegrijpelijk is. Het klaagt dat het hof niet, althans niet zonder nadere motivering, had mogen voorbijgaan aan de uitgebreid gemotiveerde betwisting door [eiser] in zijn memorie na deskundigenbericht (par. 84 e.v.) en de daarbij gevoegde productie 1, alsmede bij gelegenheid van het pleidooi. Deze betwisting in de memorie na deskundigenbericht houdt in grote lijnen het volgende in. Voorop wordt gesteld dat [eiser] in het verleden diverse medische onderzoeken heeft ondergaan, waaruit volgt, zo wordt betoogd, niet alleen dat [eiser] met diverse (al dan niet chronische) gezondheidsklachten kampt, maar ook dat de verschillende deskundigen een (mogelijk) verband leggen tussen zijn gezondheidsklachten en de blootstelling aan nikkel(verbindingen) en oplosmiddelen. (Zie de memorie na deskundigenbericht, nrs. 24-57.) In par. 84 e.v. van de memorie na deskundigenbericht wordt vervolgens betoogd dat [eiser] op 24 maart 2004 zeer uitgebreid commentaar heeft geleverd op de verschillende medische rapporten, dat de deskundigen dit commentaar niet of onvoldoende hebben verwerkt, dat belangrijke conclusies van de deskundigen hierdoor niet houdbaar zijn en dat voorts uit de TNO-rapportage blijkt dat de deskundigen van onjuiste gegevens betreffende de blootstelling aan gevaarlijke stoffen zijn uitgegaan. Het aan de deskundigen ter hand gestelde, gedetailleerde, commentaar wordt als productie 1 in het geding gebracht. In dat verband wordt in de memorie in hoofdlijnen per deskundigenbericht commentaar geleverd. Voorts wordt op verschillende feitelijke onjuistheden gewezen. 28. Uit de deskundigenrapporten van dr. Rooyackers, dr. Hulshof en dr. Hageman blijkt dat de genoemde deskundigen de oorzaken van de gezondheidsklachten van [eiser] steeds hebben gerelateerd aan andere oorzaken dan een (te hoge) blootstelling aan nikkel(zouten) en oplosmiddelen. Dat geldt ook voor het deskundigenbericht van dr. Hageman (rov. 24 van het eindarrest). Een verband tussen de gezondheidsklachten van [eiser] en de blootstelling aan nikkel(zouten) en oplosmiddelen wordt in de deskundigenrapportages overigens niet categorisch uitgesloten, maar zeer onwaarschijnlijk geacht. Tegen de achtergrond van de nadere aanscherping van de ‘omkeringsregel’ zoals hiervoor onder 16 beschreven, kon het hof tot de slotsom komen dat met deze deskundigenrapporten niet aannemelijk is gemaakt dat [eiser] lijdt aan gezondheidsklachten die door blootstelling aan gevaarlijke stoffen kunnen zijn veroorzaakt. 29. Het gegeven dat de medici die [eiser] in de loop der jaren medisch hebben onderzocht, een verband leggen tussen zijn gezondheidsklachten en de blootstelling aan nikkel(verbindingen) en organische oplosmiddelen, brengt op zichzelf nog niet mee dat het hof de conclusies uit de deskundigenrapporten van dr. Rooyackers, dr. Hulshof en dr. Hageman niet kon volgen. Uit de deskundigenrapporten van dr. Rooyackers, dr. Hulshof en dr. Hageman blijkt dat zij op de hoogte waren van de medische onderzoeken waarnaar [eiser] verwijst (zie de beantwoording van vraag B door de deskundigen en de reactie van de deskundigen op het commentaar van [eiser]). De deskundigen hebben voorts kennis genomen van het commentaar van [eiser] (het als productie 1 bij de memorie na deskundigenrapport in het geding gebrachte commentaar). Zij hebben dat commentaar ook inhoudelijk beoordeeld. Zij hebben hun reacties op het van [eiser] ontvangen commentaar op hun concept-rapportage bij hun definitieve deskundigenrapport gevoegd en aangegeven dat dit commentaar niet leidt tot andere conclusies dan waartoe zij waren gekomen. (In het procesdossier van [eiser] ontbreekt overigens de tweede pagina van de reactie van dr. Rooyackers.) 30. Het hof heeft verwezen naar het hiervoor ook genoemde arrest van uw Raad van 9 december 2011. Uw Raad oordeelde dat de rechter die de zienswijze van een door hem benoemde deskundige volgt, zijn beslissing in het algemeen niet verder zal hoeven te motiveren dan door aan te geven dat de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Uw Raad voegde daaraan toe dat dat de rechter wel op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door hem aangewezen deskundige zal moeten ingaan als deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze en dat de rechter bij de beantwoording van de vraag of hij de conclusies waartoe een deskundige in zijn rapport is gekomen in zijn beslissing zal volgen, ook alle terzake door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking zal moeten nemen en op basis van die aangevoerde stellingen in volle omvang zal moeten toetsen of aanleiding bestaat van de in het rapport geformuleerde conclusies af te wijken. Het hof heeft onder ogen gezien of de door [eiser] naar voren gebrachte bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van de zienswijze van de deskundigen. Het heeft in rov. 11 geoordeeld dat zulks niet het geval is en het heeft dat oordeel als volgt gemotiveerd. De betwisting is volledig geformuleerd door (de echtgenote van) [eiser]. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] en/of zijn echtgenote de specifieke (medische) deskundigheid bezit(ten) om in relevante mate afbreuk te doen aan de conclusies van de deskundigen, die heel specifieke en specialistische medische materie betreffen en waartoe de deskundigen zijn gekomen vanuit hun specifieke deskundigheid. Los daarvan kan ook niet gezegd worden dat de kritiek van (de echtgenote van) [eiser] voor zich spreekt en daarom (geheel of gedeeltelijk) terecht is. Daarbij komt dat de deskundigen inhoudelijk hebben gemotiveerd waarom de reactie van [eiser] op de conceptrapportages, zoals die aan hen door (de advocaat van) [eiser] is meegedeeld, niet tot andere conclusies leidt dan in die concept rapportages (en dus de eindrapportage) is verwoord. Het oordeel van het hof dat niet gezegd kan worden dat de kritiek van (de echtgenote van) [eiser] voor zich spreekt en daarom (geheel of gedeeltelijk) terecht is (rov. 11, zesde volzin), is niet onbegrijpelijk. Beoordeling van die kritiek vereist immers een specifieke medische deskundigheid, waarover het hof zelf niet beschikt. Nu de door het hof benoemde deskundigen het door [eiser] geleverde commentaar hebben beoordeeld en hebben geconcludeerd dat dit commentaar niet leidt tot andere conclusies dan waartoe zij waren gekomen, kon het hof zonder nadere motivering de conclusies van de door het hof benoemde deskundigen overnemen. Dat het hof in dat verband nog mede gewicht heeft toegekend aan het ontbreken van de specifieke (medische) deskundigheid bij [eiser] en/of zijn echtgenote, is niet onbegrijpelijk. Het hof heeft daarmee kennelijk willen aangeven dat het ontbreken van (aantoonbare) medische deskundigheid bij [eiser] en/of zijn echtgenote meebrengt dat het voor het hof niet goed mogelijk is de gegrondheid van de kritiek van [eiser] zelf nader op waarde te schatten. 31. Met betrekking tot de in onderdeel 2.2 t/m 2.8 vervatte afzonderlijke klachten merk ik nog het volgende op. Dat het hof in rov. 11, tweede volzin, aangeeft dat [eiser] de conclusies van de deskundigen uitgebreid gemotiveerd heeft betwist (waarmee het hof slechts bedoelt aan te geven dat [eiser] uitgebreid heeft uiteengezet waarom zijns inziens de zienswijze van de deskundigen onjuist is), maakt – gelet op hetgeen hiervoor onder 30 is opgemerkt – het oordeel van het hof dat geen sprake is van een voldoende gemotiveerde betwisting van de juistheid van de zienswijze van de deskundigen niet onbegrijpelijk. De onderdelen 2.2 en 2.3 falen. Onderdeel 2.5 (onderdeel 2.4 bevat slechts een inleiding) moet eveneens falen. Anders dan het onderdeel onder ‘ad (i)’ betoogt, heeft het hof niet geoordeeld dat kritiek slechts als voldoende gemotiveerd kan gelden indien het afkomstig is van een andere ter zake gespecialiseerde deskundige. Het hof heeft niet miskend, zoals onderdeel 2.5 onder ‘ad (ii)’ betoogt, dat ook een procespartij in staat kan zijn om voldoende gefundeerde kritiek te leveren op een medische conclusie. Zoals hiervoor reeds aangegeven, heeft het hof zijn oordeel terzake voldoende gemotiveerd. Het hof behoefde niet in te gaan op de specifieke bezwaren van [eiser] tegen de zienswijze van de deskundige, omdat het hof tot het oordeel kon komen dat deze bezwaren geen voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van de zienswijze van de deskundigen. Ik merk daarbij nog op dat het hof wel (impliciet) op de kritiek van [eiser] ingaat bij de conclusies van het rapport van dr. Hageman (rov. 24 van het eindarrest). Het gestelde onder ‘ad (iii)’ gaat uit van een verkeerde lezing van het arrest ven het hof. Het hof bedoelt in rov. 11, zesde volzin, aan te geven dat de door (de echtgenote van) [eiser] aangevoerde kritiek onvoldoende duidelijk maakt waarom hiermee de conclusies van de door het hof benoemde deskundigen onhoudbaar zijn (zie ook hetgeen hiervoor is opgemerkt). Het gestelde onder ‘ad (iv)’ miskent dat het hof terzake een beperkte motiveringsplicht heeft en dat de door het hof in rov. 11 gegeven motivering, niet onbegrijpelijk is of onvoldoende gemotiveerd. Daarbij merk ik nog op dat uit de soms summiere reactie van de deskundigen, onder meer met de opmerking: ‘geen commentaar’, is af te leiden dat de deskundigen kennis hebben genomen van de kritiek van [eiser], maar daarin kennelijk geen reden hebben gezien de conclusies van de rapporten aan te passen. De in de memorie na deskundigenbericht tegen het deskundigenbericht ingebrachte commentaar, is met de verwijzing naar productie 1 gebaseerd op het commentaar dat [eiser] aan de deskundigen heeft doen toekomen. Het hof kon derhalve de omstandigheid dat de deskundigen hun conclusies ook na de beoordeling van dat commentaar hebben gehandhaafd, mede aanmerken als steun voor zijn oordeel dat [eiser] de juistheid van de zienswijze van de deskundigen onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Onderdeel 2.6 moet worden beoordeeld tegen de achtergrond dat de nadere aanscherping door uw Raad van de omkeringsregel meebrengt dat het door de werknemer te bewijzen causaal verband tussen de door hem gestelde gezondheidsschade en de blootstelling aan gevaarlijke stoffen niet kan worden aangenomen ingeval uit de diverse deskundigenrapporten volgt, zoals het hof hier heeft geoordeeld, dat het verband tussen de gezondheidsschade en de blootstelling aan de gevaarlijke stoffen (hier: nikkel(verbindingen) en oplosmiddelen), te onzeker of te onbepaald is. De in dit onderdeel aangevoerde omstandigheden kunnen niet afdoen aan de beslissing van het hof de uitvoerig gemotiveerde zienswijze van de door het hof benoemde deskundigen te volgen. Het onderdeel lijkt een feitelijke herbeoordeling in cassatie van tal van omstandigheden te verlangen. Daarvoor is in cassatie evenwel geen plaats. Ook onderdeel 2.7 verlangt een dergelijke feitelijke herbeoordeling, waarvoor in cassatie geen plaats is. Het hof kon op grond van zijn motivering in rov. 11 komen tot het oordeel dat het de zienswijze van de door het hof benoemde deskundigen volgt. De klacht onder 2.8 ten slotte mist belang. Slotsom 32. De slotsom is dat het cassatieberoep moet worden verworpen. Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden