13/02781 Mr. P. Vlas Zitting, 28 maart 2014 Conclusie inzake: [eiseres] (hierna: [eiseres]) tegen [verweerder] (hierna: [verweerder]) Deze zaak betreft de vraag welke verjaringstermijn geldt voor een vordering tot aansprakelijkstelling uit hoofde van een ongeval op een skûtsje tijdens een zeilwedstrijd: de verjaringstermijn van art. 8:1751 BW inzake de aansprakelijkheid van de vervoerder uit hoofde van een overeenkomst van personenvervoer of de verjaringstermijn van art. 8:1780 BW inzake de aansprakelijkheid van een kapitein of schipper ter zake van schade door hem toegebracht in de uitoefening van zijn werkzaamheden. 1Feiten en procesverloop 1.1 In cassatie zijn de relevante feiten als volgt. Pro Sport Nederland B.V. (hierna: Pro Sport) heeft met de vrijwilligersorganisatie ‘Vereniging Iepen Fryske Kampioenschappen Skûtsjesilen’ te Sneek een bedrijvencompetitie Skûtsjesilen georganiseerd op 11 juni 2003 op het Slotermeer in Friesland. Pro Sport heeft de organisatie van het ‘natte’ gedeelte van de dag – het charteren van het benodigd aantal schepen en de wedstrijdleiding – opgedragen aan Nautisch Suppleyor ‘Neptunus’ v.o.f. (hierna: Neptunus). 1.2 [eiseres] heeft als één van de twintig genodigden van Essent N.V. (hierna: Essent) deelgenomen aan het zeilevenement. 1.3 [verweerder] is als schipper van het skûtsje ‘Grytsje Obes’, dat in eigendom toebehoort aan [A] B.V. (hierna: [A]), ingehuurd bij het zeilevenement. 1.4 De deelnemers werden op 11 juni 2003 om 11.15 uur verwelkomd in een plaatselijk restaurant, waar een ‘palaver’ (een scheepsoverleg) werd gegeven door [betrokkene 1], directeur en eigenaar van Neptunus. Daarna zijn de deelnemers aan boord gegaan. [eiseres] is aan boord gegaan van het skûtsje ‘Grytsje Obes’ dat onder gezag stond van schipper [verweerder]. [verweerder] heeft [eiseres] bij het stuurboordzwaard geplaatst, waarbij hij een aantal instructies heeft gegeven. 1.5 Omdat door Neptunus een driehoeksparcours was uitgezet, moesten scherpe bochten worden gemaakt. Daartoe diende een gijp te worden gemaakt, waarbij met de achterkant van het schip door de wind wordt gedraaid en het grootzeil van de ene zijde over de achterkant van het schip naar de andere zijde wordt verplaatst. [verweerder] heeft voorafgaand aan de wedstrijd een aantal proefgijpen laten maken. De wedstrijd is vervolgens om ongeveer 13.15 uur begonnen. Tijdens een te maken gijp gedurende de wedstrijd bevond [eiseres] zich in de baan van de grootschoot en is zij hierdoor geraakt waardoor zij met haar hoofd tegen een stalen reling werd aangeworpen. 1.6 Naar aanleiding van het ongeval is door de Inspecteur van de Arbeidsinspectie een onderzoek ingesteld. Dit onderzoek bevat onder andere de volgende bevindingen: ‘Ongevalsoorzaak (…) Als basis oorzaak kan verder worden genoemd: - geen of onvoldoende instructie onderricht m.b.t. de risico’s op de arbeidsplaats, daarbij rekening houdend met het feit dat het wedstrijdelement met niet of onervaren zeilers een erg groot risico met zich meebrengt. - het niet of onvoldoende voorkomen van gevaren van bewegende voorwerpen (…).’ 1.7 Bij brief van 17 oktober 2005 heeft de advocaat van [eiseres] [verweerder] en [betrokkene 1] aansprakelijk gesteld voor het ongeval en voor de als gevolg daarvan door [eiseres] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade. 1.8 In de onderhavige procedure heeft [eiseres] kort gezegd gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat [verweerder], [A], Pro Sport, Neptunus c.s. en Essent hoofdelijk, tezamen dan wel afzonderlijk, jegens haar aansprakelijk zijn voor de schade die is ontstaan als gevolg van het ongeval. Voorts heeft [eiseres] veroordeling gevorderd van voornoemde partijen tot betaling van een voorschot op de door haar geleden schade ten bedrage van € 25.000,- en van de overige schade op te maken bij staat. 1.9 In een vrijwaringsprocedure heeft Pro Sport gevorderd dat [verweerder], [A] en [B] Beheer B.V. hoofdelijk, althans ieder afzonderlijk, worden veroordeeld om aan Pro Sport te vergoeden hetgeen zij in de hoofdzaak aan [eiseres] verschuldigd worden. In reconventie hebben de hiervoor genoemde partijen een spiegelbeeldige vordering tegen Pro Sport ingesteld. Daarnaast heeft Pro Sport in een afzonderlijke vrijwaringszaak een gelijkluidende vordering tegen Neptunus c.s. ingesteld. 1.10 Bij vonnis van 20 oktober 2010 heeft de rechtbank Leeuwarden in de hoofdzaak de gevorderde verklaring voor recht tegen [verweerder] toegewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verweerder] verwijtbaar onzorgvuldig en derhalve onrechtmatig jegens [eiseres] gehandeld. Het gevorderde voorschot op schadevergoeding is afgewezen omdat [eiseres] haar vordering op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank heeft de vordering tegen [A] en [B] Beheer in hun hoedanigheid van eigenaar van het skûtsje respectievelijk werkgever/opdrachtgever van [verweerder] afgewezen, omdat [eiseres] haar vorderingen tegen beide partijen onvoldoende heeft onderbouwd. Dit geldt ook voor de vorderingen van [eiseres] tegen Pro Sport en Essent. De vorderingen tegen Neptunus c.s. zijn integraal toegewezen omdat Neptunus c.s. niet in het geding zijn verschenen en de vorderingen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen. 1.11 In de vrijwaringzaak heeft de rechtbank [verweerder] veroordeeld in de kosten van het incident aan de zijde van [eiseres]. De rechtbank heeft [eiseres] veroordeeld in de kosten van het incident aan de zijde van [A] en [B] Beheer. De in reconventie ingestelde vrijwaringsvordering van [verweerder] heeft zij afgewezen. 1.12 Bij arrest van 26 februari 2013 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de rechtbank in de hoofdzaak vernietigd en opnieuw rechtdoende de vordering van [eiseres] jegens [verweerder] afgewezen met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding. Volgens het hof is de vordering van [eiseres] verjaard op grond van het bepaalde in art. 8:1870 BW. In de vrijwaring is volgens het hof geen sprake van verjaring van de vordering van [eiseres] jegens Neptunus c.s., omdat laatstgenoemden zich, anders dan [verweerder], niet op verjaring hebben beroepen en het het hof niet vrijstaat om ambtshalve te onderzoeken of de vordering van [eiseres] jegens Neptunus c.s. door verjaring is tenietgegaan. In de vrijwaring heeft het hof verder geoordeeld dat voorshands vaststaat dat Neptunus c.s. [eiseres] gewaarschuwd noch geïnstrueerd hebben zich niet in de baan van de grootschoot te bevinden. Het hof heeft Neptunus c.s. in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren van het voorshands geleverd geacht bewijs dat Neptunus c.s. hierdoor onrechtmatig jegens [eiseres] hebben gehandeld. De procedure is op dat punt aangehouden. 1.13 [eiseres] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. [verweerder] heeft verweer gevoerd. 2Bespreking van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel keert zich tegen het oordeel van het hof omtrent de verjaring van de vordering die door [eiseres] is ingesteld tegen [verweerder]. Het middel bestrijdt niet het oordeel van het hof dat, anders dan [eiseres] heeft betoogd in haar primaire verweer tegen het verjaringsverweer van [verweerder], in dit geval niet de algemene verjaringstermijn van art. 3:310 BW geldt maar de verkorte verjaringstermijn van art. 8:1780 BW, omdat de vordering van [eiseres] een vordering betreft tegen een schipper ter zake van schade door hem toegebracht in de uitoefening van zijn werkzaamheden als schipper. 2.2 Onderdeel 1 keert zich tegen rov. 7.11 waarin het hof met betrekking tot het subsidiaire verweer van [eiseres] tegen het verjaringsverweer van [verweerder] het volgende heeft overwogen: ‘Uit de memorie van antwoord begrijpt het hof dat [eiseres] zich subsidiair op het standpunt stelt dat de verjaringstermijn van artikel 8:1751 BW van toepassing is. Dit verweer onderbouwt zij verder niet. Zij erkent met zoveel woorden het oordeel van de rechtbank dat haar deelname aan het onderhavige zeilevenement het karakter mist van een overeenkomst tot personenvervoer zoals bedoeld in artikel 8:80/8:970 BW. De verjaringsregeling van artikel 8:1751 BW mist derhalve toepassing. Het verweer wordt gepasseerd’. 2.3 Onderdeel 1.1 betoogt dat het hof met deze rechtsoverweging is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting voor zover daarin ligt besloten dat [eiseres] niet heeft voldaan aan de op haar rustende stelplicht in het kader van haar stelling dat sprake is van een overeenkomst van personenvervoer in de zin van art. 8:970 BW, althans dat deze rechtsoverweging onvoldoende is gemotiveerd in het licht van de door [eiseres] aan haar subsidiaire tegenverweer ten grondslag gelegde stellingen. 2.4 Bij de behandeling van deze klachten kan het volgende voorop worden gesteld. De bijzondere verjaringstermijn van art. 8:1751 BW ten aanzien van een overeenkomst van personenvervoer geldt onder andere voor vorderingen jegens de vervoerder ter zake van aan een reiziger overkomen letsel (art. 8:1751 lid 1). Bij de aansprakelijkheid van de vervoerder (krachtens art. 8:974) gaat het erom dat deze aansprakelijkheid voortvloeit uit hoofde van de vervoersovereenkomst, zodat alleen de wederpartij van de vervoerder uit hoofde van de vervoersovereenkomst de vervoerder kan aanspreken. De bijzondere verjaringstermijn van art. 8:1751 BW geldt dan ook slechts tussen de partijen bij de vervoersovereenkomst ter zake van vorderingen die gebaseerd zijn op de vervoersovereenkomst. 2.5 Tussen partijen is in feitelijke instanties discussie geweest over de vraag of sprake is van een vervoersovereenkomst in de hiervoor bedoelde zin, doch [eiseres] heeft daarbij niet gesteld dat zij partij zou zijn bij een vervoersovereenkomst met [verweerder]. Integendeel, [eiseres] heeft in het kader van haar subsidiair tegenverweer op het verjaringsverweer van [verweerder] gesteld dat zij, als reiziger, zelf geen partij bij de vervoersovereenkomst is. Gelet hierop heeft het hof ervan kunnen uitgaan dat, bij gebreke van een vervoersovereenkomst tussen [eiseres] en [verweerder], voor de vordering van [eiseres] niet de bijzondere verjaringstermijn van art. 8:1751 BW geldt. Aldus bezien heeft [eiseres] haar beroep op de verjaringstermijn van art. 8:1751 BW onvoldoende onderbouwd, omdat haar beroep op deze bepaling het bestaan van een vervoersovereenkomst tussen haar en [verweerder] veronderstelt, waarvan [eiseres] zelf erkent dat deze niet aanwezig is. Tegen deze achtergrond faalt onderdeel 1.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.