13/06106 Mr. L. Timmerman Zitting 21 februari 2014 Conclusie inzake: 1. [verzoeker 1], 2. [verzoeker 2], verzoekers tot cassatie, (hierna [verzoeker 1] respectievelijk [verzoeker 2]). 1. Feiten en procesverloop 1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten. 1.2 [verzoeker 1] is bij vonnis van 17 januari 2012 in staat van faillissement verklaard. Het faillissement is bij vonnis van 19 juli 2013 opgeheven, waarbij de toepassing van de schuldsaneringsregeling is uitgesproken, en de rechter-commissaris en de bewindvoerder als zodanig zijn benoemd. Ten aanzien van [verzoeker 2] is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken bij vonnis van 19 juli 2013. In beide gevallen is de looptijd van de schuldsaneringsregeling vastgesteld op drie jaar. 1.3 Op 30 augustus 2013 heeft de bewindvoerder mede namens [verzoeker 1] en [verzoeker 2] de rechter-commissaris verzocht de looptijd in beide schuldsaneringen te verkorten met zeventien maanden. De rechter-commissaris heeft dat verzoek bij beschikking van 10 oktober 2013 afgewezen. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] hebben op 11 oktober 2013 hiertegen hoger beroep ingesteld. Partijen zijn gehoord tijdens een mondelinge behandeling dat op 15 november 2013 plaatsvond; de rechter-commissaris heeft een zienswijze ingediend. Bij beschikking van 29 november 2013 heeft de rechtbank Den Haag de beschikking van de rechter-commissaris bekrachtigd. Daartoe overwoog de rechtbank het volgende: “4.1 In dit hoger beroep moet beoordeeld worden of de rechter-commissaris de bestreden beschikking terecht en op goede gronden heeft gegeven. 4.2 De termijn van de schuldsaneringsregeling bedraagt drie jaar. Op de voet van artikel 349a lid 2 Faillissementswet (Fw) kan de rechter-commissaris de termijn wijzigen. Artikel 1.7 van de recofa-richtlijnen bepaalt dat de wettelijke termijn onder andere kan worden verkort, indien de schuldenaar in een aan de schuldsaneringsregeling voorafgaand faillissement of voorafgaande surseance het meerdere boven het in de schuldsaneringsregeling geldende vrij te laten bedrag, aan de boedel heeft afgedragen. Het gaat hier dus om een discretionaire bevoegdheid van de rechter-commissaris. 4.3 Ten aanzien van [verzoeker 1] overweegt de rechtbank het volgende. De belangen van de schuldeisers om zoveel mogelijk van hun schulden betaald te krijgen dient te worden afgewogen tegen het belang van [verzoeker 1] om zo snel mogelijk een schone lei te krijgen. In dit geval is - per datum schuldsaneringsregeling - sprake van een hoge schuldenlast en een substantiële afdrachtmogelijkheid, zodat bij handhaving van de driejaarstermijn voor de schuldsaneringsregeling een groot deel van de schuldenlast kan worden voldaan. De rechtbank is reeds daarom van oordeel dat het belang van de schuldeisers bij handhaving van de driejaarstermijn zwaarder weegt dan het belang dat [verzoeker 1] heeft bij verkorting van die termijn. 4.4 Ten aanzien van [verzoeker 2] overweegt de rechtbank dat zij voorafgaand aan de schuldsaneringsregeling niet in staat van faillissement heeft verkeerd. Daarom biedt artikel 1.7 van de recofa-richtlijnen geen aanknoping voor een verkorting van de termijn. Dat [verzoeker 2] in gemeenschap van goederen is gehuwd met [verzoeker 1] en om die reden voorafgaand aan de schuldsaneringsregeling betalingen heeft verricht aan de boedel van [verzoeker 1], doet aan het voorgaande niet af. 4.5 De slotsom is dat de rechter-commissaris de bestreden beschikking terecht en op toereikende gronden heeft genomen. De bestreden beschikking zal daarom worden bekrachtigd.” 1.4 Hiertegen richt zich het op 9 december 2013 (derhalve binnen de door art. 426 lid 2 Rv gestelde termijn) ingediende cassatieberoep. 2. Bespreking van de cassatiemiddelen 2.1 Het cassatieberoep bestaat uit twee middelen. 2.2 Middel 1 neemt stelling tegen rov. 4.3 van de bestreden beschikking. Volgens het middel zou de rechtbank daarin geen daadwerkelijke belangenafweging hebben gemaakt maar van oordeel zijn geweest dat de enkele omstandigheid dat bij handhaving van de driejaarstermijn een groot deel van de schuldenlast kan worden voldaan reeds voldoende grond oplevert voor afwijzing van het verzoek. 2.3 Deze lezing doet m.i. geen recht aan de beschikking. Blijkens rov. 4.3 berust het oordeel van de rechtbank op een belangenafweging die in het voordeel van de schuldeisers is uitgevallen gelet op het gegeven dat bij handhaving van de driejaarstermijn een groot deel van de schuldenlast kan worden voldaan. Het middel loopt daarmee vast op een gebrek aan feitelijke grondslag. 2.4 Maar het middel faalt ook om inhoudelijke redenen. Art. 349a Fw bepaalt dat de rechter(-commissaris) de termijn van de schuldsaneringsregeling "kan" wijzigen. Het gaat hier om een discretionaire bevoegdheid. Het belang van de vraag of een groot deel van de schuldenlast bij handhaving van de driejaarstermijn voldaan kan worden, blijkt uit de parlementaire geschiedenis van art. 349a Fw. Daaruit volgt dat de wetgever gemeend heeft dat verlening van de schone lei eerder mogelijk moet zijn in individuele gevallen waarbij de schuldenaar ‘zich netjes gedraagt’ in de schuldsaneringsregeling maar er geen andere inkomsten te verwachten zijn waaruit de schulden voldaan kunnen worden voldaan, zodat het ‘uitzitten’ van de wettelijke schuldsaneringstermijn zinloos zou zijn. Voortzetting van de schuldsaneringsregeling dient gerechtvaardigd te zijn, in de zin dat het geen strafregeling is maar een regeling ten behoeve van de schuldeisers, om alsnog zoveel mogelijk baten voor de boedel te verzamelen. In dat laatste zag de rechtbank een rechtvaardiging voor de voortzetting van de schuldsaneringsregeling. Onjuist of ontoereikend gemotiveerd acht ik dat oordeel niet. 2.5 Ten overvloede vermeld ik nog kort waarom de inhoudelijke argumenten die ik in het middel aantrof niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Dat de wetgever de (mogelijkheid tot wijziging van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.