Nr. 13/04372 Zitting: 4 november 2014 Mr. Vellinga Conclusie inzake: [verdachte]
(2)het verhelen of verhullen van de werkelijke aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing, rechten op of de eigendom van voorwerpen, wetende dat deze zijn verworven uit een criminele activiteit of uit deelneming aan een dergelijke activiteit;(…) 3Het bewijs van witwassen De kern van het witwassen zoals omschreven in onderdeel a van artikel 420bis, eerste lid, is het verbergen of verhullen van de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats enz. van bepaalde voorwerpen. Het effect van deze handelingen is dat de opbrengsten van misdrijven aan het zicht worden onttrokken. Juist dit verhullende element maakt het bewijs van witwassen nogal eens moeilijk: of het voorwerp van de (vermoede)witwashandelingen inderdaad (direct of indirect) afkomstig is uit een misdrijf, is niet eenvoudig vast te stellen. Dit is overigens bij alle vormen van witwassen het geval, ook bij die vormen die als een gedraging in de zin van artikel 420bis of 420quater, eerste lid, onderdeel b, moeten worden gekwalificeerd. Het handelen van de witwasser zal er steeds op gericht zijn de criminele opbrengsten voor justitie te verbergen. Artikelen 420bis en 420quater Wetboek van Strafrecht Verbergen of verhullen van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enz. (eerste lid, onderdeel a) Bij de in het eerste lid, onderdeel a, strafbaar gestelde gedraging gaat het om al die handelingen die tot doel hebben èn geschikt zijn om de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enzovoort van een voorwerp te verbergen of verhullen. De strafbaarstelling geeft niet nader aan om welke handelingen het allemaal kan gaan; bepalend voor de strafbaarheid is het effect van het handelen. De termen «verbergen» en «verhullen» impliceren dus een zekere doelgerichtheid: het handelen is erop gericht het zicht op de aard, herkomst, vindplaats enz. van voorwerpen te bemoeilijken en is ook geschikt om dat doel te bereiken. Veelal zal bij een enkele handeling ten aanzien van een voorwerp nog niet van een dergelijk doelgerichtheid kunnen worden gesproken. Vaak zal het gaan om een reeks van handelingen, die tezamen een geval van witwassen opleveren. Dit betekent dat voor het bewijs van het verbergen of verhullen vaak naar meer handelingen (transacties) in het witwastraject zal moeten worden gekeken. Uit alle stappen tezamen moet duidelijk worden dat er (zonder redelijke economische grond) met geld is geschoven op een manier die geschikt is het spoor aan de waarneming te onttrekken. Juist die ondoorzichtigheid van de opeenvolgende transacties brengt mee dat werkelijke aard, herkomst, vindplaats, rechten enzovoort buiten beeld blijven. Het voorgaande sluit niet uit dat onder omstandigheden ook een enkele handeling verbergen of verhullen zou kunnen opleveren, hoewel in zo’n geval waarschijnlijk eerder gesproken kan worden van een van de gedragingen genoemd in het eerste lid, onderdeel b, van de artikelen 420bis en 420quater (zie hierna). Over de termen «verbergen of verhullen» kan nog het volgende worden opgemerkt. In plaats van de in richtlijn 91/308/EEG voorkomende, wat verouderde term «verhelen» is de term «verbergen» gekozen. «Verbergen» en «verhullen» zullen elkaar grotendeels overlappen. Van een volstrekt onzichtbaar maken van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 27 159, nr. 3 14 enzovoort behoeft geen sprake te zijn. Als dat zo zou zijn, zou het zelden tot een strafvervolging kunnen komen. Van «verhullen» – volgens Van Dale synoniem voor «versluieren» – zal al sprake kunnen zijn als door bepaalde constructies een mistgordijn wordt opgeworpen dat weliswaar enig zicht op het voorwerp en de daarbij betrokken personen toelaat, maar het niet mogelijk maakt om met enige zekerheid de (legale) herkomst en de rechthebbende vast te stellen. De trits feiten die volgens de richtlijn verhuld kunnen worden (werkelijke aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing, rechten op of eigendom van voorwerpen), is in zijn geheel in artikel 420bis, eerste lid, onder a, overgenomen. Veelal zullen feiten samenvallen, dat wil zeggen tezamen door een en dezelfde witwashandeling worden verhuld. Zo zal het verbergen of verhullen van de vervreemding of de verplaatsing vaak neerkomen op het verbergen van de vindplaats of de rechthebbende. Met het verbergen of verhullen van de «werkelijke aard» van het voorwerp wordt bedoeld het voorwenden van een andere aard dan de werkelijke (bijvoorbeeld gelden worden gepresenteerd als de winst uit een legaal bedrijf, terwijl ze in werkelijkheid uit drugshandel afkomstig zijn). Toegevoegd is het verbergen of verhullen van degene die het voorwerp voorhanden heeft. Hierbij gaat het om degene die het voorwerp feitelijk tot zijn beschikking heeft. Vaak laten witwasconstructies er namelijk geen twijfel over bestaan wie in juridische zin rechthebbende op het voorwerp is, maar zijn ze er juist op gericht te verhullen wie feitelijk de beschikkingsmacht over het voorwerp heeft.”
- De kern van het witwassen, aldus de memorie van toelichting, is het verbergen of verhullen van de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats enz. van bepaalde voorwerpen. Het effect van deze handelingen is dat de opbrengsten van misdrijven aan het zicht worden onttrokken. Bij verbergen of verhullen van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enz. gaat het om handelingen die tot doel hebben én geschikt zijn om de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enzovoort van een voorwerp te verbergen of verhullen. De strafbaarstelling geeft niet nader aan om welke handelingen het allemaal kan gaan; bepalend voor de strafbaarheid is het effect van het handelen. De termen «verbergen» en «verhullen» impliceren dus een zekere doelgerichtheid: het handelen is erop gericht het zicht op de aard, herkomst, vindplaats enz. van voorwerpen te bemoeilijken en is ook geschikt om dat doel te bereiken.
- Bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel, in het bijzonder een ter zake door de verdachte gevoerd verweer, kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat het de verdachte als eigenaar van de motoren is geweest die heeft bewerkstelligd dat die motoren in de bewuste (achter)tuin stonden.
- In het onderhavige geval stonden de uit misdrijf verkregen motoren niet bij de verdachte thuis, maar bij een ander in de achtertuin. Zij waren daar neergezet zonder dat de bewoner van de woning waarbij de tuin hoort daarvan op de hoogte was gesteld. De achtertuin was voorzien van een schutting, er was een sleutel nodig om in de tuin te komen en van de openbare weg was niet zichtbaar wat in de tuin stond (bewijsmiddel 21). In deze omstandigheden kan het plaatsen van de motoren in de achtertuin worden aangemerkt als een vorm van verhullen van de vindplaats van de uit misdrijf verkregen motoren. Zo wordt immers de vindplaats van die motoren bemoeilijkt: zij stonden niet bij de verdachte, die de – naar hij wist - uit misdrijf – afkomstige motoren had gekocht, maar bij een derde in de (achter)tuin, niet zichtbaar vanaf de openbare weg. Dat bemoeilijkte het vinden en dus de confiscatie van de motoren. Als zodanig was verdachtes handelen van dien aard dat het erop was gericht zijn criminele opbrengsten veilig te stellen, bij uitstek een kenmerk van witwassen.
- Ook al zou uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kunnen worden afgeleid dat verdachtes oogmerk met het (doen) plaatsen van de motoren in genoemde (achter)tuin op het verhullen van de vindplaats was gericht, dan kan, in aanmerking genomen dat de verdachte wist dat de motoren van misdrijf afkomstig waren, toch minstgenomen uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte besefte dat hij met het (doen) plaatsen van de motoren in de (achter)tuin van een derde de vindplaats van die motoren verhulde.
- Uit verdachtes uitdrukkelijke weigering de plaats te noemen waar de motoren zich bevonden spreekt nog eens dat verdachtes handelen erop gericht was confiscatie van de motoren te voorkomen. Die weigering zou kunnen worden gezien als te dien aanzien een (impliciet) beroep op verdachtes zwijgrecht. Omdat die weigering – zoals uit het voorgaande volgt - niet noodzakelijk is om het bewijs “rond” te maken en verdachte niet klaagt over dit onderdeel van de bewijsvoering laat ik de vraag rusten of die weigering, gelet op verdachtes zwijgrecht, aan het bewijs kan meewerken.
- Het middel faalt.
- Het vierde middel bevat twee klachten over het bewijs van het in zaak C bewezenverklaarde feit.
- In zaak C is ten laste van de verdachte bewezenverklaard: “hij op tijdstippen in de periode van 18 januari 2008 tot en met 31 augustus 2008 te Amsterdam, in strijd met een hem, verdachte, bij of krachtens wettelijk voorschrift (artikel 17 van de Wet werk en bijstand) opgelegde verplichting, telkens opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan de Dienst Werk en Inkomen, immers heeft hij in die periode en op die plaats geheel of gedeeltelijk niet aan genoemde dienst medegedeeld of kenbaar gemaakt dat hij - werkzaamheden verrichtte en - (oncontroleerbare) inkomsten ontving en - beschikte over een vermogen groter dan het vrij te laten bescheiden vermogen zijnde dit gegevens waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze gegevens van belang waren voor de vaststelling van het recht op een verstrekking of tegemoetkoming - namelijk een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand - dan wel voor de hoogte of de duur van voornoemde verstrekking of tegemoetkoming, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf.”
- Met betrekking tot het bewijs van dit feit heeft het Hof overwogen: “De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde, terwijl de verdediging vrijspraak heeft bepleit, kort weergegeven omdat opzet ontbrak nu de verdachte geen juridisch en economisch eigenaar is van de motorfietsen. Het hof heeft hiervoor reeds uiteengezet dat de verdachte naar het oordeel van het hof wel moet worden aangemerkt als eigenaar van de motorfietsen. Dat verweer wordt derhalve verworpen. Voor zover de verdachte eertijds inderdaad een of meer schademotorfietsen heeft aangeschaft, hebben in elk geval de inspanningen van de verdachte en zijn investeringen in onderdelen om de schade te herstellen, ertoe geleid dat de motorfietsen weer hersteld waren en kennelijk weer op de weg konden rijden, zodat de waarde van de (beweerdelijke schade)motorfietsen op hierboven vermelde waarde van € 17.700 is te stellen. Die toegevoegde waarde is derhalve door de werkzaamheden van de verdachte gerealiseerd terwijl na afloop van die werkzaamheden de motorfietsen in totaal een waarde hadden die aanmerkelijk groter was dan het vrij te laten bescheiden vermogen. Ten slotte heeft de verdachte verklaard dat hij met de bemiddeling in gesloten motoronderdelen inkomsten genereerde.”
- In de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats geklaagd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid, dat “de inspanningen van de verdachte en zijn investeringen in onderdelen om de schade te herstellen, ertoe hebben geleid dat de motorfietsen weer hersteld waren en kennelijk weer op de weg konden rijden, zodat de waarde van de (beweerdelijke schade)motorfietsen op hierboven vermelde waarde van € 17.700,- is te stellen.”
- Deze klacht is terecht voorgedragen, en wel reeds daarom omdat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat verdachte inspanningen heeft verricht en in onderdelen heeft geïnvesteerd om de schade aan de motorfietsen te herstellen en dus evenmin dat daardoor de waarde van de motorfietsen op € 17.700 is te stellen.
- Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat hij werkzaamheden heeft verricht. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen bestonden deze niet in herstel van motorfietsen maar in handel/bemiddeling in motorfietsen en onderdelen daarvan alsmede in sleutelen aan motoren (bewijsmiddelen 7, 8 en 20). Voorts is bij de bespreking van middel 2 al uiteengezet dat er voldoende bewijs is voor de waarde van de motorfietsen van € 17.700 en dus – zoals bewezenverklaard – van het beschikken over een vermogen groter dan het vrij te laten bescheiden vermogen. Er is dus voldoende bewijs voor de onderdelen van de bewezenverklaring waarop het middel betrekking heeft. Dit betekent dat de verdachte onvoldoende belang heeft bij zijn klacht.
- In de tweede plaats bevat het middel een klacht over tegenstrijdigheid tussen twee overwegingen van het Hof. Het gaat om de volgende overwegingen: “Waarde van de motorfietsen Het hof sluit wat betreft de aanschafwaarde van de motorfietsen aan bij de bedragen welke door de rechtbank zijn genoemd in het vonnis onder punt 5.3.1.
- In totaal heeft de verdachte aldus voor een bedrag van € 17.700,- aan motorfietsen heeft aangeschaft.” en “Voor zover de verdachte eertijds inderdaad een of meer schademotorfietsen heeft aangeschaft, hebben in elk geval de inspanningen van de verdachte en zijn investeringen in onderdelen om de schade te herstellen, ertoe geleid dat de motorfietsen weer hersteld waren en kennelijk weer op de weg konden rijden, zodat de waarde van de (beweerdelijke schade)motorfietsen op hierboven vermelde waarde van € 17.700 is te stellen. Die toegevoegde waarde is derhalve door de werkzaamheden van de verdachte gerealiseerd terwijl na afloop van die werkzaamheden de motorfietsen in totaal een waarde hadden die aanmerkelijk groter was dan het vrij te laten bescheiden vermogen.”
- De tegenstrijdigheid tussen deze twee overwegingen zou hierin bestaan dat het Hof er in de eerste overweging vanuit gaat dat verdachte motorfietsen voor een waarde van € 17.700 heeft aangeschaft en in de tweede overweging dat hij de door hem aangeschafte motorfietsen door herstel op een waarde van € 17.700 heeft gebracht. Inderdaad zijn bovenstaande twee overwegingen op dit punt niet met elkaar te verenigen. Voor de bewezenverklaring is dit echter niet van belang. Deze houdt immers niet meer in dan dat verdachte beschikte over een vermogen groter dan het vrij te laten bescheiden vermogen. Dat deed hij gelet op de waarde van de motorfietsen van € 17.
- Hoe die motorfietsen aan die waarde kwamen is daarvoor niet relevant.
- Het middel faalt.
- Het vijfde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden.
- Het cassatieberoep is ingesteld op 9 augustus
- De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 19 juli 2013 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Voorts zal de Hoge Raad in deze zaak uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Het middel is dan ook terecht voorgesteld. Dit dient te leiden tot strafvermindering.
- Het eerste, het tweede en het vierde middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
- Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Vgl. o.a. HR 27 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:486, HR 5 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:
- Zie HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8673, rov. 3.6: “Onder opzet is in het algemeen mede voorwaardelijk opzet begrepen. In de rechtspraak van de Hoge Raad is in verscheidene gevallen aangenomen dat het bestanddeel ‘wetende dat’ opzet in voorwaardelijke vorm omvat (bijvoorbeeld HR 19 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1812, NJ 1993/491 (art. 416 Sr) en HR 3 december 2002, ECLI:NL:HR:AE8908, NJ 2004/353 (art. 243 Sr)).” Kamerstukken II 1999–2000, 27 159, nr. 3, p.
- Kamerstukken II 1999–2000, 27 159, nr. 3, p.
- Kamerstukken II 1999–2000, 27 159, nr. 3, p.
- Kamerstukken II 1999–2000, 27 159, nr. 3, p. 14,
- Zie ook Kamerstukken I 2000-2001, nr. 288a, p. 9, 2001-2002, 27 159, 33a, p.
- HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3302, rov. 2.5.
- Vgl. HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2764.