ECLI:NL:PHR:2014:2561
Nr. 13/03665 Zitting: 11 november 2014 Mr. Vegter Conclusie inzake: [verdachte] 1. Het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft bij arrest van 9 juli 2013 de verdachte wegens “wederspannigheid” veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.
Op 12 september 2010 werd door de aangever contact opgenomen met de politie Spijkenisse dat de bij hem weggenomen velgen via www.marktplaats.nl (hierna: Marktplaats) te koop aangeboden werden door ene '[betrokkene]'. Op 12 september 2010 werd overleg gepleegd met de officier van justitie. Met zijn toestemming kon via de aangever contact worden gelegd met de verkoper om te trachten een pseudokoop in gang te zetten.
Op ons verzoek heeft de aangever een afspraak met de verkoper gemaakt dat hij op 12 september 2010 aan de [a-straat] te Spijkenisse zou komen kijken naar de velgen.
Op 12 september 2010 zijn wij in burgerkleding gekleed richting de [a-straat] te Spijkenisse gereden. Wij zagen dat in de voortuin van dit pand drie mannen stonden. Ik, verbalisant [verbalisant 1], zag dat er in de voortuin een man stond, die ik ambtshalve kende als [betrokkene]. Naast [betrokkene] stonden twee mannen die ik, verbalisant [verbalisant 2], ambtshalve kende als [medeverdachte] en zijn neefje [verdachte].
Wij zagen dat er in de voortuin twee velgen stonden, die ik, verbalisant [verbalisant 1], herkende van de advertentie op Marktplaats. Ik, verbalisant [verbalisant 1], zei tegen [betrokkene]: "Zijn dit de velgen?". [betrokkene] antwoordde hierop dat dit de velgen waren. Hierop maakte ik, verbalisant [verbalisant 1], mij bekend als politieambtenaar. Ik, verbalisant [verbalisant 2], maakte mij eveneens bekend als politieambtenaar. Omdat wij een afspraak hadden voor de autovelgen en dat deze drie mannen bij de genoemde velgen stonden, kregen wij het idee dat alle drie de mannen iets met deze velgen te maken hadden. Ik, verbalisant [verbalisant 1], zag op het moment dat ik [betrokkene] vertelde dat hij was aangehouden dat [betrokkene] oogcontact had met de voor mij twee onbekende mannen.
Ik, verbalisant [verbalisant 1], zag dat de twee onbekende mannen de voortuin verlieten. Ik, verbalisant [verbalisant 1], heb hierna aan verbalisant [verbalisant 2] gevraagd om de identiteit van de twee eerder genoemde mannen vast te stellen. Ik, verbalisant [verbalisant 1], zag dat verbalisant [verbalisant 2] in gesprek was met de twee mij onbekende mannen en dat een van de geüniformeerde collega’s bij verbalisant [verbalisant 2] stond. Ik, verbalisant [verbalisant 2], vroeg naar een geldig legitimatiebewijs van beide mannen. Vervolgens hoorde ik, verbalisant [verbalisant 2], neefje [verdachte] zeggen dat hij geen legitimatiebewijs bij zich had en zich niet wilde legitimeren. Wij zagen dat neefje [verdachte] in de richting van de [b-straat] wilde weglopen.
Ik, verbalisant [verbalisant 1], deelde neefje [verdachte] mede dat hij op dit moment was aangehouden. Ik, verbalisant [verbalisant 1], heb hierop neefje [verdachte] bij zijn schouder vastgepakt, teneinde hem daadwerkelijk te doen staande houden en aan te houden. Ik, verbalisant [verbalisant 1], voelde en zag dat neefje [verdachte] zich aan zijn aanhouding wilde onttrekken door in een andere richting te bewegen dan die ik van hem verlangde. Ik, verbalisant [verbalisant 1], hield neefje [verdachte] nog daadwerkelijk staande. Ik zag en voelde dat neefje [verdachte] zich van mij losrukte en zich onttrok aan zijn aanhouding.
Ik, verbalisant [verbalisant 1], heb neefje [verdachte] daadwerkelijk fysiek aangehouden en hij is overgebracht naar het politiebureau te Spijkenisse. De personalia van neefje [verdachte] bleken te zijn: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats].”
Het hof begrijpt het standpunt van de raadsvrouw aldus dat dientengevolge sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het kader van het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, waarvan het gevolg moet zijn dat - waar het daaruit voortvloeiende onderzoek als onrechtmatig moet worden beschouwd - de daaruit verkregen resultaten van het bewijs moeten worden uitgesloten.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt en stelt op basis van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting de navolgende feiten en omstandigheden vast.
Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] d.d. 13 september 2010 met nummer PL17KO 2010296485-23 en het proces-verbaal van aangifte van verbalisant [verbalisant 1] d.d. 13 september 2010 heeft de aangever van een bedrijfsinbraak op verzoek van de politie telefonisch contact opgenomen met een adverteerder op Marktplaats, genaamd ‘[betrokkene]', die de bij die bedrijfsinbraak gestolen velgen te koop aanbood. Deze adverteerder sprak volgens de aangever met een duidelijk buitenlands accent. Na daartoe een afspraak te hebben gemaakt met de verkoper, zijn de verbalisanten vervolgens ter plaatse gegaan. In de voortuin van de woning zagen de verbalisanten bij de velgen drie mannen staan, die ambtshalve werden herkend als [betrokkene], [medeverdachte] en diens neefje. Omdat de verbalisanten een afspraak hadden voor de velgen en deze mannen bij de velgen stonden, kregen zij het vermoeden dat zij allen iets met de velgen te maken hadden. Bij de aanhouding van [betrokkene] zag een van de verbalisanten dat deze [betrokkene] oogcontact had met de verdachte en zijn oom. Daarop liepen beiden weg.
Vervolgens werden de verdachte en zijn oom staande gehouden teneinde hun identiteit vast te stellen.
Naar het oordeel van het hof vormden voormelde feiten en omstandigheden, in onderling verband en in samenhang bezien, voldoende grond om een redelijk vermoeden van schuld te kunnen opleveren dat verdachte zich aan enig strafbaar feit schuldig had gemaakt. De verbalisanten waren redelijkerwijs voor hun taakvervulling gerechtigd om het identiteitsbewijs van de verdachte ter inzage te vorderen. Dat de verdachte reeds ambtshalve bekend was, doet daaraan niet af. De verdachte voldeed niet aan die vordering en werd pas aangehouden nadat hij zich trachtte te onttrekken aan zijn aanhouding.
Nu geen sprake is van enig vormverzuim, kunnen de uit het onderzoek voortvloeiende resultaten mitsdien voor het bewijs worden gebezigd."
In het kader van de strafrechtelijke handhaving bestond voor de wetswijziging reeds de mogelijkheid om een verdachte die staande was gehouden of was aangehouden te vragen naar zijn identiteitsbewijs. Voor de handhaving van de openbare orde en de hulpverleningstaak had de politie toen geen bevoegdheid om naar de identiteit van burgers te vragen. Als voorbeeld van situaties waarin het verkrijgen van de identiteitsgegevens de hulpverleningstaak vergemakkelijkt, noemt de Nota naar aanleiding van het verslag een ongeluk, waar burgers getuige van zijn geweest. Een ander voorbeeld dat wordt genoemd, is het verkrijgen van de identiteitsgegevens van een persoon die verward is. Als voorbeelden van situaties waarin voor de handhaving van de openbare orde de behoefte bestaat om een identiteitsbewijs te vragen noemt de Nota dreigende wanordelijkheden op straat, dreiging met terroristische aanslagen en oploopjes van omstanders die pogen een arrestatie te beletten.(2) Het gaat bij de handhaving van de openbare orde dus niet om een specifieke verdenking van een strafbaar feit, maar veel meer om het voorkomen van wanordelijkheden en criminaliteit.(3) Volgens de Nota naar aanleiding van het Verslag moet worden tegengegaan dat personen het idee hebben dat door het optreden in anonieme groepen aansprakelijkheid voor het veroorzaken van overlast kan worden ontlopen.(4) 4.6. Op kritische vragen vanuit de Kamer over het begrip "voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van de politietaak" heeft de minister van Justitie geantwoord dat voorop staat dat de politie niet zonder concrete aanleiding willekeurig om inzage van een identiteitsbewijs mag vragen, maar daarvoor een geldige reden gebaseerd op een van de onderdelen van haar taak moet hebben. Deze concrete aanleiding behoeft niet te bestaan in de verdenking van een strafbaar feit.(5) Op de vraag of de politie bij preventief fouilleren op wapens ook mag vragen om een identiteitsbewijs, antwoordde de Minister dat de taakuitoefening fouilleren op een wapen niet inhoudt dat men moet weten wie men voor zich heeft en dat als er geen wapen wordt aangetroffen, een redelijke uitvoering van de taak niet meebrengt dat er naar iemands identiteit wordt gevraagd.(6) Voorts is op de vraag of in een situatie waarin de openbare orde wordt verstoord of dreigt te worden verstoord, in beginsel van alle personen die daarbij aanwezig zijn de inzage van het identiteitsbewijs kan worden gevorderd, bevestigend gereageerd, waarbij erop is gewezen dat het criterium blijft dat de vordering noodzakelijk moet zijn voor een redelijke taakuitoefening.”
Met de voetnoten:
1 TK 2003-2004, 29218, nr. 3, p. 17.
2 Nota naar aanleiding van het verslag, TK 2003-2004, 29218, nr. 10, p. 13.
3 TK 2003-2004, 29218, nr. 21, p. 25.
4 TK 2003-2004, 29218, nr. 10, p. 15.
5 TK 2003-2004, 29218, nr. 10, p. 14.
6 TK 2003-2004, 29218, nr. 21, p. 26. Vgl Raad van State, 5 december 2008, LJN BG6783 waarin de Raad van State oordeelde dat niet in geschil was dat de ambtenaren niet op grond van de Wet wapens en munitie bevoegd waren de vreemdeling louter vanwege diens aanwezigheid in het veiligheidsrisicogebied naar zijn identiteit te vragen dan wel zijn identiteitsbewijs te vorderen.”
Met taak worden hier de politietaak (handhaving openbare orde, strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, hulpverlening) en het uitoefenen van toezicht bedoeld. Daarmee beperkt de identificatieplicht zich niet tot verdachten, maar strekt deze zich ook uit tot getuigen, aangevers, melders, betrokkenen, veroordeelden, vreemdelingen, slachtoffers enzovoort.
Het is onvoldoende wanneer in het eventuele proces-verbaal slechts wordt aangegeven dat de bevoegdheid tot het vorderen van een identiteitsbewijs plaatsvond op grond van één van de genoemde taken. In het proces-verbaal moeten de feiten en omstandigheden worden vermeld op basis waarvan de opsporingsambtenaar het noodzakelijk heeft geacht de inzage van een identiteitsbewijs te vorderen. In het proces-verbaal moet de concrete activiteit die aan de vordering tot inzage van het identiteitsdocument ten grondslag ligt, worden beschreven.
2.1. Situaties waarin uitoefening van de controlebevoegdheid aangewezen kan zijn Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet op de uitgebreide identificatieplicht is benadrukt dat de bevoegdheid van de ambtenaar van politie, zoals verwoord in het nieuwe artikel 8a van de Politiewet 1993 of artikel 5:16a Awb, alleen mag worden toegepast in het kader van een redelijke taakuitoefening.
De volgende, geenszins uitputtend bedoelde, opsomming noemt een aantal situaties waarin identiteitscontrole aangewezen kan zijn. een auto rijdt ‘s nachts rond op een industrieterrein; er vindt op straat of in een café een schietpartij plaats en het is relevant voor het onderzoek om de identiteit van (mogelijke) getuigen vast te stellen; in een groepje bekende dealers duikt een onbekende op; hangjongeren veroorzaken overlast in de openbare ruimte; er woedt een brand en de (mogelijke) brandstichter zou zich kunnen bevinden tussen de toegestroomde belangstellenden; bij evenementen zoals voetbalwedstrijden en demonstraties in geval van rellen of (dreigende) escalatie; bij onrust of dreigend geweld in uitgaansgebieden en/of openbare manifestaties waarbij gevaar van ordeverstoring aanwezig is; verkeersovertredingen; bij een kraakactie; iemand wil aangifte doen van een strafbaar feit; bij het opnemen van een getuigenverklaring in een strafzaak; een vergunninghouder wordt gecontroleerd en deze komt de vergunningsvoorwaarden niet na.
2.2 Situaties waarin de uitoefening van de controlebevoegdheid niet zonder meer op zijn plaats is Voorbeelden van concrete situaties waarin de uitoefening van de bevoegdheid tot identiteitscontrole niet zonder meer op zijn plaats is, zijn: wanneer van iemand de identiteit al bekend is bij de ambtenaar die de vordering tot inzage wil doen. Een identiteit is alleen ambtshalve bekend wanneer de identiteit eerder aantoonbaar is vastgesteld op basis van een document als bedoeld in artikel 1 Wid en alle relevante gegevens bekend zijn, waaronder het burgerservicenummer (BSN.). De noodzaak om inzage te vorderen van iemand die ambtshalve bekend is kan er ook in bestaan dat er een wettelijke plicht is om de identiteit vast te stellen. bij preventief fouilleren met betrekking tot personen bij wie geen wapens of drugs worden gevonden of een andere aanleiding bestaat. Het toepassen van preventief fouilleren impliceert immers niet het vragen naar een identiteitsbewijs. grotere groepen personen zonder verdere aanleiding in het algemeen controleren op het identiteitsbewijs.”
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Vgl. ook de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld van 17 juni 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1610.
Ik benadruk nogmaals dat ook in de fase voor de verdenking de bevoegdheid al kan bestaan; vgl. TK 2003-2004, 29218, nr. 10, p. 14.