ECLI:NL:PHR:2014:273
Nr. 13/01540 Mr. T.N.B.M. Spronken Zitting: 11 maart 2014 Conclusie inzake: [verdachte] Verdachte is bij arrest van 20 december 2012 door het hof te Arnhem wegens eenvoudige belediging veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van twintig uren te vervangen door tien dagen hechtenis en tot een geldboete van € 250,- te vervangen door vijf dagen hechtenis.
Mr. H. Sytema en mr. J.L. Bar, beiden advocaat te ‘s-Gravenhage, hebben namens de verdachte een schriftuur met een middel van cassatie ingediend.
Het middel behelst de klacht dat het hof verdachte ter terechtzitting van 20 december 2012 ‘op ontoelaatbare wijze heeft beperkt in het voeren van zijn verdediging’. In feite klaagt het middel over schending van het recht zijn pleidooi te houden zoals dat de verdachte is toegekend in art. 311, tweede lid, Sv.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 20 december 2012 houdt onder meer het volgende in: ‘De verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven.
Verdachte geeft te kennen dat dit een politiek proces is.
De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van de relevante stukken van de zaak.
De verdachte verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt:
Ik heb de brief van 4 juni 2011 aan [betrokkene] verzonden. Ik vind het kwalificerend wat ik heb geschreven. Ik spreek mij uit over het functioneren van een ambtenaar, een wethouder. Ik heb die bewoordingen gebruikt, gelet op de ernst van de zaak. Het zijn geen prettige woorden die ik heb gebruikt, maar de woorden kwamen mij passend voor. Natuurlijk moeten mensen respectvol met elkaar om gaan, maar dat moet wederzijds gebeuren. [betrokkene] heeft er voor gezorgd dat mij dingen zijn overkomen. Ik ben zeer hardhandig door de politie uit de Arnhemse raadzaal ontvoerd tijdens een openbaar debat. Ik ben diverse keren door negers agressief bejegend. Ik ben hartpatiënt en ik ben tot drie keer toe belaagd door die bende onvolwassen racistische negers en dat heb ik in mijn brief aan [betrokkene] vermeld. Ik kon mij niet verdedigen, want ik stond stijf van de reuma. [betrokkene] faciliteert zaken door zijn politieke opvattingen, en de situatie die daar uit voortkomt, bevalt mij niet. Daarom heb ik deze woorden in mijn brief gebruikt. Door deze aanvallen heb ik volgens de cardioloog een verminderde elektrische doorstroming van mijn hart. Ik gebruik ook medicijnen. […] De advocaat-generaal leest de vordering voor en legt die aan het hof over.
De voorzitter geeft verdachte het woord en geeft daarbij aan dat hij zich dient te beperken tot een betoog wat ziet op deze zaak.
De verdachte voert het woord tot verdediging, zakelijk weergegeven:
Eén van de daders heeft mij als dader aangewezen en ik wordt vervolgd. Waarom sta ik hier en niet u? Van een slachtoffer wordt een dader gemaakt. Wij zijn allemaal geconditioneerd. Wij zijn elk een eigen entiteit. Ik ook, u heeft met mijn cortex te maken.
De voorzitter geeft te kennen dat verdachte terzake dient te komen en geen betoog dient te houden over zijn cortex.
De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven:
Ik kan mij niet anders verdedigen dan door dit betoog te houden. Het klopt wat ik heb geschreven. Dit is een politiek proces, dat onderdeel uitmaakt van koehandel. Artikel 147 Sr staat op de nominatielijst om op de schroothoop te belanden. Artikel 137 Sr is door Wilders als achterlijk gekwalificeerd. Artikel 266 Sr laat uitdrukkelijk het kwalificeren van functionarissen in zijn/haar ambt open. Ik ben niet strafbaar. Ik kan mij niet adequaat verdedigen. Ik spreek verder over mijn cortex.
De voorzitter geeft te kennen dat verdachte zijn pleidooi dient te beperken tot het tenlastegelegde en niet over zijn cortex.
De verdachte verklaart zakelijk weergegeven:
Ik voel mij het zwijgen opgelegd.
Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden.
Na gehouden beraad, geeft de bode te kennen dat verdachte tussentijds de zaal heeft verlaten en dat hij niet wenst terug te keren voor de uitspraak van het arrest.’ 5. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting kan verder niet worden afgeleid wat verdachte met ‘cortex’ heeft bedoeld, evenmin dat hem door de voorzitter naar de betekenis hiervan is gevraagd.
In een tijdsbestek van twee jaar heb ik vier keer een ongevraagde agressieve confrontatie met jouw zwarte favorieten gehad. Twee daarvan waren zeer bedreigend. De eerste op 29 april 2009 op een door jullie zo geliefd spook fietspad, toen een bende onvolwassen racistische negers mij - hartpatiënt - tot drie keer toe probeerde te lynchen; uiteraard was politie-interventie niet beschikbaar! Op 17 augustus werd ik tijdens werk door een parasiterende racistische ne-ger aangevallen. Op 1 september constateerde mijn cardioloog verminderde elektrische doorstroming van mijn hart. Ook van jouw nazi-islamitische vriendjes moest ik mij in het verleden al agressie en ge-weld laten welgevallen. Als jij denkt dat ik mij door jou en trawanten laat promoveren tot slachtvee, dan wil ik jou wel uit de droom helpen. Ik houd jou en trawanten volledig verantwoordelijk voor mijn conditie! Jij bent de vijand! Landverrader! Amoreel zwijn! Vuile haat-zaaier! Ploert!
Dictator! Schoft! Smeerlap! Racist! Blaag!’ 14.
Hier hoeft niet te worden vastgesteld wat de verdachte precies met zijn verwijzing naar de ‘cortex’ bedoelde. Maar naar mijn mening had de voorzitter dat wel dienen te vragen om vervolgens te beoordelen in hoeverre hetgeen verdachte naar voren wilde brengen verband hield met de zaak. Dit is in feite ook wat in de toelichting op het middel wordt aangevoerd wanneer daar uiteen wordt gezet dat het hof er geen blijk van heeft gegeven welke betekenis het aan het begrip ‘cortex’ heeft gegeven toen het de verdachte maande daar niet over te spreken en zich tot het tenlastegelegde te beperken.
15.
Bovendien lijkt het erop - maar het proces-verbaal van de zitting is hiervan de enige kenbron - dat de voorzitter de verdachte wel erg kort heeft gehouden nadat hij voor de eerste keer in het kader van het door de verdachte te houden pleidooi de verdachte had gemaand zich tot de zaak te beperken. De verdachte werd niet bijgestaan door een advocaat en zou, zoals ik hiervoor heb bepleit een grotere speelruimte moeten worden gegund waarbij het van de voorzitter mag worden gevergd dat hij meermalen moet proberen de verdachte binnen de toegestane kaders van een pleidooi te houden, voor zover al mocht worden aangenomen dat hij dat niet deed of niet van plan was. Van belang is dat uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de verdachte zich door het optreden van de voorzitter beperkt achtte in de wijze waarop hij zijn pleidooi kon voeren.
16.
Tot slot blijkt uit het proces-verbaal van de zitting niet dat de verdachte zich heeft misdragen of ontoelaatbare uitingen richting het hof heeft gedaan, die aanleiding zouden kunnen vormen voor een ingrijpende maatregel, die het beperken van de vrijheid van pleidooi toch is.
17.
Gelet op deze omstandigheden ben ik van oordeel dat een inbreuk is gemaakt op het in art. 311, tweede lid, Sv aan de verdachte toegekende recht zijn pleidooi te houden en dat het hof dit recht van de verdachte niet op de wijze had mogen beperken als het heeft gedaan.
18.
Het middel slaagt.
19.
Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
20.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak ten einde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG HR 23 maart 1993, NJ 1993/696 r.o. 5.2.-5.3; HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4663 r.o. 2.5.1.
J. Remmelink, ‘Het laatste woord van de verdachte’, in A.C. ’t Hart ea. (red.), Strafrecht in balans. Opstellen over strafrecht aangeboden aan A.C. Geurts, Arnhem: Gouda Quint 1983, p. 211 e.v. op p. 221.
T. Spronken, Verdediging. Een onderzoek naar de normering van het optreden van advocaten in strafzaken, diss. Maastricht, Deventer: Gouda Quint 2001, p. 254-256.
HR 23 maart 1982, NJ 1982, 627 r.o. 8 Melai/Groenhuijsen,, art. 311, aant. 5.3.
HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4663. Zie voor een vergelijkbare casus het in het middel aangehaalde arrest HR 23 maart 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9251.