14/01022 mr. J. Spier Zitting 5 december 2014 (bij vervroeging) Conclusie inzake AIG Europe Limited (hierna: AIG) tegen [verweerder]
(2011)nr. 58 is niet erg verhelderend en m.i. ook niet juist omdat de auteurs geen (zichtbaar onderscheid maken tussen het materiële en het formele (processuele) belang. Vaste rechtspraak; zie o.m. HR 21 april 1967, ECLI:NL:HR:1967:AB5476, NJ 1967/241 (verkort afgedrukt), HR 22 juni 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6624, NJ 1979/516 en meer recent HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7435, NJ 2005/371 en HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6246, RvdW 2006/
- Zie daarover ook Asser Procesrecht 2 Van Schaick nr.
- Hij lijkt, in mijn lezing, over het hoofd te zien dat het voor het griffierecht niet uitmaakt of een verklaring voor recht of een verklaring voor recht met een verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt gevorderd. Hij wijst voorts op de mogelijkheid dat de gedaagde niet weet wat hem nog boven het hoofd hangt wanneer slechts een verklaring voor recht wordt gevorderd. In dat laatste geval valt er inderdaad iets voor te zeggen dat wordt vastgehouden aan de in 1951 ontwikkelde leer. Ik kan niet beoordelen of dergelijke gevallen (veel) voorkomen. In het licht van HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2337, RvdW 2010/835 gaat het vermoedelijk om afwijzing. Praktisch verschil maakt het niet. Ik teken er nog wel bij aan dat er iets wringt in het art. 80a-tijdperk, waarin de sanctie niet-ontvankelijkheid is. Nodeloos om de onder 10 genoemde reden. Ter vermijding van misverstand: dit is geen pleidooi voor zodanige griffierechten. Zie bijvoorbeeld de al genoemde conclusie van AG Vranken onder 1-9.