Nr. 12/02714 Zitting: 14 oktober 2014 Mr. Hofstee Conclusie inzake: [verdachte]
(8)(…) Deze getuigen zijn in eerste aanleg gehoord door de rechter-commissaris in aanwezigheid van de toenmalige raadsman van de verdachte. Naar het oordeel van het hof is er, gelet op de motivering van het verzoek tot het horen van deze getuigen, geen sprake van een situatie waarin de verdediging in hoger beroep concrete nieuwe vraagpunten naar voren heeft gebracht waarover zij de betreffende getuige in eerste aanleg niet heeft kunnen ondervragen. Het hof is daarom van oordeel dat het nogmaals horen van deze getuigen niet noodzakelijk is. (…) Het hof wijst het verzoek tot het horen van deze getuigen daarom af.” 11. Ter terechtzitting in hoger beroep van 10 november 2011 is door de raadsman van verzoeker opnieuw verzocht [betrokkene 4] en [betrokkene 2] als getuigen te horen. Zijn ter terechtzitting overgelegde pleitnota houdt – met inbegrip van hier niet weergegeven voetnoten - daaromtrent het volgende in: “1. Verkrijgen 00-informatie en aanvullend horen getuigen hieromtrent (…) Aangezien diverse getuigen bij vragen met enige relatie tot de 00-informatie, onder het mom van bronbescherming, hebben geweigerd daarop antwoord te geven, is de verdediging van mening dat deze getuigen al dan niet na verstrekking van de 00-informatie nogmaals dienen te worden gehoord met betrekking tot dit specifieke onderdeel. Het gaat dan om: 1. (…) 2. Hoofd tactische recherche [betrokkene 4]: wil niet zeggen of de 00-informatie van belang is geweest bij de keuze van de inzet van middelen in het onderzoek. Hij wil tevens geen antwoord geven op de vraag of de verstrekte CIE-informatie wordt ondersteund door de 00-informatie (hetgeen weer van belang is voor de vraag of deze 00-info ontlastende informatie behelsde). Hij wil eveneens niet verklaren of er namen in de 00-informatie stonden. Ook de vraag of de 00-informatie beslissend was voor de keuze het onderzoek op te starten wil hij geen antwoord geven. 3. (…) 4. Teamleider onderzoeksteam [betrokkene 2]: wil geen antwoord geven of de vraag waarom hij 00-informatie kreeg als hij hem toch niet mocht gebruiken. Hij wil ook niet antwoorden op de vraag of het niet vreemd is dat er zoveel mensen op de hoogte zijn van de 00-informatie. 5. (…) De inhoud van de 00-informatie is in de eerste plaats noodzakelijk om te kunnen beoordelen of deze informatie ontlastende informatie voor cliënt bevat. Hetgeen dan natuurlijk ook van belang is voor het voor de inzet van opsporingsmiddelen noodzakelijke redelijk vermoeden van schuld jegens cliënt Het aanvullende proces-verbaal van officier van justitie Lukowski geeft voeding aan het voorgenoemde vraagstuk. Lukowski verklaart letterlijk, ik citeer: 'Ik durf de stelling aan dat door kennis te hebben van de 00-informatie ik zelfs extra kritisch heb gekeken naar de rechtmatigheid van de afgegeven bevelen'. Indien immers ontlastende informatie aan het dossier is onthouden, kan dit volgens vaste en bestendige jurisprudentie leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De verdediging acht het ook noodzakelijk de officier van justitie te bevragen met betrekking tot de laatst geciteerde uitspraak, die meer vragen oproept dan beantwoordt. Bovendien moeten u en ik ook kritisch kunnen toetsen. Voorts is verkrijging van de 00-informatie noodzakelijk teneinde te kunnen vaststellen wie van de gehoorde getuigen de waarheid heeft gesproken en welke getuigen dat niet hebben gedaan. Omtrent de start van het onderzoek en de informatie die op dat moment voorhanden was, worden namelijk zeer tegenstrijdige verklaringen afgelegd en niet door de minst betrokken personen in het onderzoek. Het afleggen van verklaringen in strijd met de waarheid raakt het strafproces in de kern. Duidelijkheid hieromtrent is noodzakelijk om de ontvankelijk van het openbaar ministerie te kunnen bepalen en daartoe strekkende verweren voldoende te kunnen inkleden.. Het behoeft geen betoog dat voor de verdediging op dit moment wel duidelijk is dat men reeds vanaf de start van het onderzoek op de hoogte was van het feit dat het om de gestolen schilderijen uit het Frans Halsmuseum ging. Dit verklaart dat bepaald niet wordt bezuinigd op de inzet van (kostbare) bijzondere opsporingsbevoegdheden, hetgeen absoluut niet voor de hand ligt, zuiver bezien vanuit de inhoud van het CIE proces-verbaal dat ten grondslag heeft gelegen aan de start van het onderzoek. De informatie in dit proces-verbaal is vaag en betreft een niet interessant CIE-subject. Het onderzoek heet m.i. ook niet voor niets 'Pictor', vrij vertaald schildersezel. Deze stellingname van de verdediging wordt ondersteund door informantenbegeleider [005] die verklaart: ‘Ik herhaal dat in de periode tussen 5 februari en 14 februari 2007 is besproken, in aanwezigheid van de heren [betrokkene 5] en [betrokkene 2] , dat het zou gaan om kunstvoorwerpen waaronder schilderijen uit de Rembrandt-periode uit het Frans Halsmuseum. Ik ben er stellig in dat in de door mij genoemde periode tussen 5 en 14 februari 2007 gesproken is over kunstvoorwerpen en de diefstal daarvan, waaronder schilderijen uit het Frans Halsmuseum. Over de heer [betrokkene 4] ben ik niet zeker. Ik weet ook niet of de officier van justitie bij elke bespreking aanwezig is geweest'. Ook infiltrant [003] is duidelijk op dit punt: ‘Toen ik in deze zaak werd gebriefd, werd mij gezegd dat het ging om heling van kunst door [verdachte] . Ik zou mee moeten gaan met [A] om het eerste contact met [verdachte] natuurlijker te laten verlopen... Er werd gezegd dat het zou gaan om heling van schilderijen'. Hetzelfde geldt voor [004] : ‘Ik meen dat de Nederlandse politie al voor ik bij de zaak werd betrokken, het vermoeden had dat het om schilderijen ging. Er werd namelijk tijdens een van onze eerste ontmoetingen gesproken over een verzameling schilderijen'. ‘Ik wist vanaf maart 2007 dat [verdachte] ervan werd verdacht dat hij toegang had tot de schilderijen'. Er zijn een aantal getuigen geweest die verklaren dat het eerst op een later moment duidelijk is geworden dat het om schilderijen uit het Frans Halsmuseum ging. De verdediging wenst deze getuigen te horen. Hoofd tactische recherche [betrokkene 4] : ‘Ik heb daarbij 00-informatie medegedeeld aan [betrokkene 2] ’. ‘Ik meen dat wij kort voor de zomer erachter kwamen dat het daadwerkelijk ging om schilderijen die uit het Frans Halsmuseum waren gestolen. Dat was nadat [verdachte] foto’s van de schilderijen had gegeven aan een infiltrant'. Teamleider [betrokkene 2] : ‘Bij de start van het onderzoek wist ik niets van de diefstal van schilderijen uit het Frans Halsmuseum’. ‘Ik blijf er dus bij dat de diefstal van schilderijen uit het Frans Halsmuseum bij ons team in het begin van het onderzoek niet bekend was en geen rol speelde'. ‘Nadat [verdachte] op 14 maart 2007 voor de eerste keer over dure schilderijen had gesproken en er in die periode daarna aanvullende informatie was binnengekomen, zijn wij er volgens mij rond de zomerperiode achter gekomen dat het ging om schilderijen die uit het Frans Halsmuseum gestolen waren’. Saillant detail is dat [betrokkene 2] voor dit verhoor stevig op de vingers is getikt door de rechter-commissaris die van mening was dat zijn eerste verklaring verder ging dan slechts onduidelijk verklaren en moet worden aangemerkt als onjuist verklaren. Kennelijk heeft deze opmerking niet het gewenste effect gesorteerd en heeft [betrokkene 2] opnieuw bezijden de waarheid verklaard. (…) Samengevat wenst de verdediging dan ook te horen: 1. (…) 2. [betrokkene 4] 3. (…) 4. [betrokkene 2]” 12. Ter terechtzitting in hoger beroep van 22 november 2011 heeft het Hof overwogen dat het op dat moment niet adequaat op de verzoeken van de verdediging kan reageren en heeft het Hof besloten de stukken in handen te stellen van de advocaat-generaal opdat deze bij de CIE-officier van justitie na zou gaan of in deze zaak in de beschikbare 00-informatie ontlastende informatie aanwezig was met betrekking tot één of meer van de verdachten. Vervolgens heeft het Hof ter terechtzitting in hoger beroep van 9 februari 2012 als volgt op de verzoeken van de verdediging beslist: “De voorzitter deelt mede dat het hof zich heeft beraden over de ter terechtzitting van 10 november 2011 gedane onderzoekswensen van de verdediging en dienaangaande het volgende overweegt. Noodzakelijkheidscriterium Het hof stelt voorop dat de verzoeken eerst ter terechtzitting zijn gedaan en, voor zover zij zien op het horen van getuigen, grotendeels betrekking hebben op reeds gehoorde getuigen, zodat op de verzoeken dient te worden beslist aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium. De feiten met betrekking tot de aanvang van het onderzoek Aan de start van het onderzoek Pictor is een CIE proces-verbaal d.d. 3 januari 2007 ten grondslag gelegd, dat de volgende inhoud heeft: "Bij de Criminele Inlichtingen Eenheid is in de periode van augustus 2002 tot heden van meerdere informanten de navolgende informatie binnengekomen: [verdachte] steelt, heelt en verkoopt op grote schaal kunst en antiek. Hij maakt gebruik van het telefoonnummer [001] ." Op 5 januari 2007 heeft de officier van justitie bevel afgegeven tot stelselmatige observatie van de verdachte. Op 12 januari 2007 heeft de officier van justitie toestemming gegeven voor het gebruik van verkregen onderzoeksgegevens uit het onderzoek Trabant. Zo werd onder meer kennis genomen van gesprekken tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] , die betrekking leken te hebben op de handel in schoenen, terwijl uit onderzoek was gebleken dat geen van beiden een onderneming met betrekking tot handel in schoenen dreef. Op 30 januari 2007 werd door de rechter-commissaris een machtiging verleend tot het opnemen en uitluisteren van het telefoonverkeer van de verdachte. De officier van justitie heeft vervolgens op 14 februari 2007 een bevel afgegeven tot het stelselmatig inwinnen van informatie door een politieambtenaar. In dat kader is de politiële infiltrant [A] ingezet. Op 14 en 30 maart 2007 heeft [A] gesprekken gevoerd met de verdachte, waaruit duidelijk werd dat deze "5 schilderijen uit de tijd van Rembrandt" te koop kon aanbieden. Vanaf dat moment werd aannemelijk dat het zou kunnen gaan om de vijf schilderijen die op 24 maart 2002 uit het Frans Hals Museum te Haarlem waren gestolen. Op bevel van de officier van justitie is op 4 april 2007 een politieel pseudokooptraject gestart. Op 17 september 2007 wordt vervolgens ook een politie infiltratieteam ingezet, waarbij naast [A] nog een infiltrant (infiltrant [C] ) wordt betrokken. 00-informatie Inmiddels is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat voorafgaande aan het onderzoek Pictor bij de CIE zogenaamde 00-informatie voorhanden was en dat de teamleider van het tactisch team, [betrokkene 2] , daarvan nog voor de start van het onderzoek op de hoogte is gesteld door het hoofd van de tactische recherche, [betrokkene 4] . Dat was geen gebruikelijke gang van zaken, zo blijkt onder meer uit het verhoor van [betrokkene 3] , het toenmalige hoofd CIE, bij de rechter-commissaris op 15 september 2009. Uit het verhoor van de toenmalige CIE-officier van justitie van Berkel bij de rechter-commissaris op 25 september 2009 is gebleken dat deze geen toestemming heeft gegeven voor het delen van deze 00-informatie. Dit zou in strijd zijn met de indertijd geldende instructies. Uitgangspunt van het hof Zoals eerder (proces-verbaal van de op 10 en 22 november gehouden terechtzitting) betoogd kan de 00-informatie uit meerdere componenten bestaan. Gelet op de diverse verklaringen die in de loop van dit onderzoek zijn afgelegd gaat het hof ervan uit dat reeds bij de aanvang van het onderzoek als onderdeel van de bij de CIE-beschikbare informatie het vermoeden bestond dat als onderdeel van "kunst en antiek" (CIE proces-verbaal) ook zou kunnen vallen de (mogelijke) handel van verdachte [verdachte] in schilderijen die uit het Frans Hals Museum waren gestolen. Ook gaat het hof ervan uit dat dit onderdeel van de 00-informatie reeds bij de aanvang van het onderzoek aan leden van het tactisch team is medegedeeld. Op dat punt behoeft geen nader onderzoek te volgen. De gevolgen van dit uitgangspunt voor de verzoeken van de verdediging De vraag rijst vervolgens welke gevolgen dit uitgangpunt moet hebben in het licht van de thans door de verdediging gedane verzoeken. Het hof overweegt in dit verband het volgende. Gevraagd naar de inhoud van de 00-informatie hebben meerdere getuigen zich beroepen op hun zwijgplicht in verband met bronbescherming. Het hof respecteert dit. Het karakter van het strafproces, dat zich immers in de openbaarheid dient af te spelen, brengt met zich mee dat informatie, die een reëel gevaar vormt (of redelijkerwijze zou kunnen vormen) voor de betreffende informant, niet in de openbaarheid komt. De rechter heeft tot taak te beoordelen of de aanvangsverdenking voldoet aan het vereiste van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en of het daaropvolgende onderzoek zodanig transparant is geweest dat getoetst kan worden of bijvoorbeeld opsporingsmiddelen correct zijn ingezet en ook overigens niet in strijd is gehandeld met de algemene beginselen van een goede procesorde. Het hof zal zich bij einduitspraak uitlaten over de toets van de aanvangsverdenking, zoals vastgelegd in het CIE proces-verbaal, en de vraag of in het licht van de hierboven beschreven feiten met betrekking tot de aanvang van het onderzoek, de afgegeven BOB-bevelen rechtmatig zijn afgegeven. In dit stadium voldoet de vaststelling dat als onderdeel van de verdenking zoals geformuleerd in het CIE proces-verbaal, geldt dat deze verdenking mede betrekking kon hebben op concrete kunstvoorwerpen. Een dergelijke verdenking valt immers onder de algemeen geformuleerde verdenking met betrekking tot "kunst en antiek". Op dit punt is geen nader onderzoek vereist. Over de vraag of de aan enige leden van het tactisch team ter beschikking gestelde 00-informatie, die - naar het hof aanneemt - mede betrekking had op de uit het Frans Hals Museum gestolen schilderijen, op onrechtmatige wijze van invloed is geweest op het verdere verloop van het onderzoek, hebben zich inmiddels meerdere getuigen uitgelaten. Het hof acht zich hieromtrent voldoende voorgelicht. Dit betekent ook dat het hof het niet noodzakelijk acht om de getuige-deskundige [betrokkene 8] na te laten gaan of zij de deelnemers van de besprekingen in 2007 en 2009 schriftelijk heeft uitgenodigd, zoals door de verdediging is verzocht. Het hof zal in de einduitspraak een oordeel geven over de vraag welke gevolgen dienen te worden verbonden aan het gegeven, zoals het hof dit afleidt uit de eerder genoemde verklaring van CIE-officier van justitie Van Berkel, dat de 00-informatie in strijd met de indertijd geldende instructies is gedeeld. Het verzoek tot het verstrekken van 00-informatie begrijpt het hof als de wens van de verdediging dat het hof het openbaar ministerie opdraagt om de inhoud van de in deze zaak beschikbare 00-informatie aan het dossier toe te voegen. Uit het hierboven gerelateerde proces-verbaal van mr. R. Schuurman volgt, dat zich in de betreffende 00-informatie geen voor de verdachten in deze zaak ontlastende gegevens bevinden. In het licht van het belang van bronbescherming én gelet op hetgeen hierboven met betrekking tot de inhoud van de 00-informatie is overwogen onder ‘uitgangspunt van het hof’, wijst het hof dit verzoek af. Rest de vraag of de door politiefunctionarissen bij de rechter-commissaris en de raadsheer-commissaris afgelegde verklaringen in die mate onbetrouwbaar zijn dat nader onderzoek geboden is. Het hof acht dit niet noodzakelijk. Omtrent de door de getuige [betrokkene 2] op 14 september 2009 bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring is reeds komen vast te staan dat diens eerdere verklaring niet overeenkomstig de waarheid was. Het hof zal zich bij einduitspraak uitlaten over de vraag welke gevolgen daaraan verbonden dienen te worden. De overige afgelegde verklaringen rondom de 00-informatie en de wijze waarop daarmee in het onderzoek is omgegaan, zijn niet zodanig tegenstrijdig dat nader onderzoek geboden is. Het hof stelt vast dat een evidente tegenstrijdigheid ook door de verdediging niet in concrete zin is aangevoerd. Weliswaar is er door de verdediging in dit verband op gewezen dat verschillende verbalisanten hebben verklaard eerst in een later stadium op de hoogte te zijn geraakt van het feit dat het in deze zaak zou gaan om de vijf uit het Frans Hals museum gestolen schilderijen terwijl deze informatie als onderdeel van de 00-informatie reeds bij de start van het onderzoek bekend was, doch, waar niet duidelijk is welke verbalisant van welk deel van de 00-informatie op de hoogte was, rechtvaardigen deze verklaringen in dit stadium van het onderzoek niet het vermoeden dat bedoelde verbalisanten in strijd met de waarheid hebben verklaard. Alles overziende acht het hof in dit stadium nader onderzoek, zoals door de verdediging voorgesteld, niet noodzakelijk en wijst derhalve de verzoeken af.” 13. In zijn overzichtsarrest inzake het oproepen en horen van getuigen ter terechtzitting van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496 overweegt de Hoge Raad onder meer dat in hoger beroep het Hof de oproeping kan weigeren in het geval de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden én de getuige ter terechtzitting in eerste aanleg dan wel door de rechter-commissaris is gehoord, en het Hof het horen van de getuige ter terechtzitting niet "noodzakelijk" oordeelt (rov. 2.48). Nu de berechting van verzoeker in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden en de getuigen [betrokkene 4] en [betrokkene 2] door de rechter-commissaris zijn gehoord, heeft het Hof in de onderhavige zaak het juiste criterium toegepast. Dit betekent dat zo een getuigenverzoek kan worden afgewezen op de grond dat de rechter zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht en hem dus de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet is gebleken (rov. 2.8). Daarnaast overweegt de Hoge Raad in dat overzichtsarrest dat gebreken in afwijzende beslissingen op getuigenverzoeken op een volgende terechtzitting kunnen worden hersteld (rov. 2.35). Voorts wijst de Hoge Raad met betrekking tot de toetsing in cassatie op de gevolgen van de inwerkingtreding van art. 80a RO en overweegt hij dat “het in cassatie uiteindelijk [gaat] om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van – als waren het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen”, waarbij ook het procesverloop van belang kan zijn (rov. 2.73 t/m 2.77). 14. De eerste twee middelen klagen, blijkens de toelichting daarop, enkel over de wijze waarop het Hof zijn afwijzende beslissing - met betrekking tot het verzoek om de getuigen [betrokkene 4] en [betrokkene 2] te horen - op de terechtzitting in hoger beroep van 4 juli 2011 heeft gemotiveerd. Volgens de steller van het middel heeft het Hof miskend dat in eerste aanleg de verdediging niet de gelegenheid heeft gehad om (
- i)[betrokkene 4] te confronteren met zijn uitlatingen die strijdig zouden zijn met de uitlatingen van getuige [betrokkene 3] , omdat deze later is gehoord dan [betrokkene 4] , en (
- ii)om [betrokkene 2] te confronteren met zijn uitlatingen die strijdig (zouden) zijn met de uitlatingen van getuige [betrokkene 4] , nu [betrokkene 4] later is gehoord dan [betrokkene 2] . 15. Het hierboven onder 13 aangehaalde brengt evenwel mee dat de afwijzende beslissingen van het Hof ‘van’ 4 juli 2011 niet los kunnen worden gezien van zijn afwijzende beslissing ter terechtzitting van 9 februari 2012. Voor de beantwoording van de vraag of ’s Hofs binnen het noodzakelijkheidscriterium gegeven motivering van die afwijzende beslissingen ‘van’ 4 juli 2011 begrijpelijk is, dient dus tevens acht te worden geslagen op hetgeen het Hof op de terechtzitting van 9 februari 2012 ter zake heeft overwogen. Daarover aanstonds meer. 16. De verzoeken van de verdediging om [betrokkene 4] te confronteren met de door Venrooy afgelegde verklaring en [betrokkene 2] met de verklaringen van [betrokkene 4] hangen blijkens de overgelegde pleitaantekeningen van de raadsman samen met vragen die de verdediging heeft over de betekenis van de 00-informatie voor het besluit om het onderzoek aan te vangen. In dat verband wenst de verdediging te vernemen wie op welk moment van de 00-informatie op de hoogte was en welke rol deze informatie heeft gespeeld bij de inzet van en de keuze voor de in deze zaak toegepaste opsporingsmethoden. Ook wil de verdediging aldus duidelijk krijgen of over deze onderwerpen door de betrokken personen niet in strijd met de waarheid is verklaard. 17. Het Hof heeft op de terechtzitting van 4 juli 2011 de getuigenverzoeken afgewezen omdat de verdediging niet concreet nieuwe vraagpunten naar voren had gebracht waarover zij de verzochte getuigen in eerste aanleg niet heeft kunnen ondervragen. Deze afwijzingen acht ik in het licht van het door het Hof aangelegde noodzakelijkheidscriterium niet onbegrijpelijk, ook al heeft de verdediging [betrokkene 4] niet kunnen confronteren met de verklaring van Venrooy en heeft zij niet [betrokkene 2] de verklaring van [betrokkene 4] kunnen voorhouden. De toegevoegde waarde die deze confrontaties voor de verdediging zouden kunnen hebben is ook niet uit de verf gekomen, nu het Hof – met de verdediging overigens – heeft vastgesteld dat die verklaringen wat betreft het op de hoogte raken van de 00-informatie uiteenlopen en het daarnaast heeft aangenomen dat [betrokkene 2] in strijd met de waarheid heeft verklaard. Daarbij komt dan nog dat het Hof op de terechtzitting van 9 februari 2012 heeft overwogen dat de omstandigheid dat de verklaringen van de gehoorde politiefunctionarissen uiteenlopen over het moment waarop men op de hoogte is geraakt van het feit dat het in deze zaak zou gaan om de vijf uit het Frans Hals museum gestolen schilderijen, niet reeds betekent dat deze verklaringen in strijd met de waarheid zijn afgelegd, nu niet duidelijk is welke verbalisant van welk deel van de 00-informatie op de hoogte was. Ook dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. 18. Het eerste en het tweede middel falen. 19. Het derde middel klaagt dat de beslissing van het Hof op de terechtzitting van 10 november 2011 inhoudende dat de getuige-deskundige [betrokkene 8] gebruik heeft mogen maken van haar verschoningsrecht zonder nadere motivering niet begrijpelijk is. 20. [betrokkene 8], inspecteur van politie en hoofd van de CIE, is als getuige-deskundige door de raadsheer-commissaris gehoord en heeft bij die gelegenheid zich beroepen op bronbescherming toen haar een vraag werd gesteld over het moment waarop zij ervan op de hoogte was geraakt dat het “mogelijk, waarschijnlijk of met zekerheid” ging om vijf schilderijen die uit het Frans Hals museum waren gestolen. Op de terechtzitting in hoger beroep van 10 november 2011 is de getuige–deskundige daarbij gebleven. 21. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 november 2011 houdt als oordeel van het Hof het volgende in: “Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter het volgende mede. Het hof erkent dat er een verdedigingsbelang is om de 00-informatie boven tafel te krijgen. Daartegenover staat het door de advocaat-generaal onderstreepte belang van de bronbescherming. Het hof is van oordeel dat - mede tegen de achtergrond van hetgeen reeds in het dossier omtrent de 00-informatie bekend is - het belang van de bronbescherming in dit geval zwaarder moet wegen. Het hof oordeelt daarom dat de getuige-deskundige gebruik heeft mogen maken van haar verschoningsrecht.” 22. In de toelichting op het middel wordt enkel aangevoerd dat dit oordeel van het Hof zonder nadere motivering onbegrijpelijk is, en dat daarbij in aanmerking moet worden genomen dat het Hof op geen enkele wijze concretiseert wat wordt bedoeld met de zinsnede “mede tegen de achtergrond van hetgeen reeds in het dossier omtrent de 00-informatie bekend is” en waarom dit een factor is die ertoe bijdraagt dat het belang van bronbescherming zwaarder dient te wegen. 23. Het Hof heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 november 2011 eerder op deze zitting het volgende overwogen: “Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter het volgende mede. Alvorens zijn beslissing over het moment van het getuigenverhoor en de behandeling van de onderzoekswensen kenbaar te maken, acht het hof het raadzaam eerst een aantal vertrekpunten te noemen ten aanzien van de 00-informatie die zowel voor de advocaat-generaal als de verdediging gelden. Uit het dossier zou kunnen worden afgeleid dat in ieder geval [betrokkene 4] , destijds hoofd tactische recherche, heeft verklaard dat hem eind november/begin december 2006 00-informatie is medegedeeld en dat hij medio december 2006 00-informatie aan teamleider [betrokkene 2] heeft verschaft. Verder zou uit het verhoor van [005] kunnen worden opgemaakt dat hij in de periode tussen 5 en 14 februari 2007 op de hoogte is geraakt van 00-informatie. Het aanvullend proces-verbaal van officier van justitie Lukowski maakt duidelijk dat ook hij van de 00-informatie op de hoogte was. Daarvan is hij in elk geval op de hoogte gebracht vóór hij mondeling het eerste bevel stelselmatige observatie had gegeven. In een van zijn verklaringen had [betrokkene 2] laten weten dat "misschien René [verbalisant] aan het eind van het onderzoek op de hoogte is gebracht van de dubbel 0 informatie", maar dat is door de desbetreffende verbalisant bij proces-verbaal van bevindingen van 22 augustus 2011 tegengesproken: hij zegt niet op de hoogte te zijn gesteld van 00-informatie. De getuige [betrokkene 7] heeft verklaard van [betrokkene 4] te hebben begrepen dat deze de 00-informatie of een deel daarvan heeft gedeeld met [betrokkene 2] . Hij heeft voorts verklaard dat de 00-informatie van invloed is geweest bij de beslissing om het onderzoek Pictor te starten. [betrokkene 3] , destijds hoofd van het CIE, heeft eveneens verklaard dat de 00-informatie van invloed was op de keuze om dit onderzoek te starten. De getuige Van Berkel, indertijd de CIE officier van justitie, heeft verklaard dat hij in de loop van 2009 voor het eerst heeft vernomen dat er 00-informatie is gedeeld met teamleider [betrokkene 2] . Hij heeft voorts verklaard dat de vraag of de 00-informatie mocht worden gedeeld, niet aan hem is voorgelegd. Het delen van 00-informatie met het hoofd van de centrale recherche, [betrokkene 7] , en het hoofd van het bureau recherche informatie, [betrokkene 3] , en het hoofd van de tactische recherche, [betrokkene 4] , was volgens hem normaal. Nadat hem was voorgehouden dat [betrokkene 7] heeft verklaard dat de 00-informatie invloed heeft gehad op de keuze om het onderzoek te starten, liet hij weten dat hij daarvan niet op de hoogte was maar dat dit in de sleutel van de capacitaire keuzes moet worden geplaatst. Van Berkel heeft verder nog verklaard dat het delen van 00-informatie met een tactisch teamleider aan hem en aan het hoofd van CIE of een vervanger van hem had moeten worden voorgelegd, dat dit niet is gebeurd en dat daarom in strijd met de geldende werkafspraken is gehandeld. De getuige [getuige] heeft verklaard dat het onwenselijk is dat 00-informatie wordt gedeeld. Hij is door [betrokkene 8] op de hoogte gebracht van de 00-informatie in deze zaak. De advocaat-generaal en de raadsman delen desgevraagd mede het eens te zijn met deze vertrekpunten.” 24. Kennelijk had het Hof bij zijn hiervoor onder 21 weergegeven (latere) beslissing vooral het oog op de zojuist weergegeven vertrekpunten, en wel in die zin dat daaruit reeds voldoende is vastgesteld omtrent de rol van de 00-informatie bij de start van het onderzoek. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. 25. Het middel faalt. 26. Het vierde middel klaagt dat het oordeel van het Hof, inhoudende dat niet vaststaat dat [betrokkene 2] tijdens zijn eerste verhoor ook “kennelijk bewust niet de waarheid heeft verklaard over zijn wetenschap van 00-informatie bij de start van het onderzoek”, zonder nadere motivering niet begrijpelijk is. 27. Verzoeker heeft geen enkel belang bij dit middel, nu het Hof in diens voordeel aan de mogelijkheid dat de verklaringen van [betrokkene 2] in strijd met de waarheid zouden kunnen zijn, consequenties heeft verbonden “als ware de verklaringen bewust in strijd met de waarheid” en dat het er, gelet op de te hanteren werkhypothese in het voordeel van verzoeker, verder voor moet worden gehouden dat datzelfde geldt voor (
- al)zijn verklaringen ten aanzien van de aanvang van het onderzoek. 28. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden. 29. Het vijfde middel klaagt dat de bestreden uitspraak op het punt van de door het Hof gehanteerde werkhypothese innerlijk tegenstrijdig is en daarmee onbegrijpelijk. 30. Verzoeker heeft ook bij dit middel geen enkel belang, nu, als hierboven opgemerkt, het Hof in diens voordeel ervan is uitgegaan dat de door [betrokkene 2] afgelegde verklaringen omtrent de aanvang van het onderzoek als ‘bewust in strijd met de waarheid’ worden aangemerkt, ook in het verdere beslissingsschema van het Hof. 31. Het middel kan dus niet tot cassatie leiden. 32. Het zesde middel klaagt over de verwerping door het Hof van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging van verzoeker, voor zover dat verweer ziet op de opzettelijke misleiding (punt F.4 van de bestreden uitspraak). 33. In de toelichting op het middel wordt slechts naar voren gebracht dat gezien hetgeen hieromtrent bij pleidooi door de verdediging is aangevoerd het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het Openbaar Ministerie ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging en dat daarbij met name opmerking verdient dat het Hof heeft miskend dat [betrokkene 2] tot twee keer toe opzettelijk onwaarheden heeft verklaard. 34. Indien al het in de schriftuur op dit punt aangevoerde als een cassatiemiddel in de zin der wet kan worden aangemerkt, meen ik te kunnen volstaan met twee opmerkingen, te weten dat ik ’s Hofs overwegingen niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd acht en dat de stelling dat het Hof heeft miskend dat [betrokkene 2] “opzettelijk onwaarheden heeft verklaard” (het Hof zegt het wat genuanceerder, lijkt mij) feitelijke grondslag mist, nu het Hof daarvan juist in het voordeel van verzoeker is uitgegaan. 35. Het middel faalt. 36. Hetgeen als zevende middel wordt gepresenteerd is geen middel van cassatie in de zin der wet die voor onderzoek door de cassatierechter in aanmerking komt. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen.In de schriftuur wordt in dit verband slechts gesteld: “Gezien hetgeen hieromtrent bij pleidooi door de verdediging is aangevoerd” heeft het Hof met betrekking tot het ontvankelijkheidsverweer omtrent “de lichtzinnige infiltratieactie op een geheimhouderskantoor” (punt F.5 van de bestreden uitspraak) het Openbaar Ministerie ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, ontvankelijk verklaard. Niet wordt echter aangegeven waarom ’s Hofs andersluidende oordeel niet zou deugen. 37. Hetzelfde lot deelt hetgeen als achtste middel wordt geduid. De stelling luidt dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat aan het geconstateerde vormverzuim met betrekking tot de geheimhoudersgesprekken geen rechtsgevolg dient te worden verbonden. Ook hier wordt niet gepreciseerd wat er dan wel mis zou zijn met het oordeel van het Hof. 38. Het negende middel klaagt dat het Hof het onder 1 bewezenverklaarde ten onrechte als witwassen heeft gekwalificeerd. 39. Witwassen is in twee varianten strafbaar gesteld in art. 420bis, eerste lid, Sr. Deze bepaling luidt als volgt: “1. Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie: a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet dat het voorwerp — onmiddellijk of middellijk — afkomstig is uit enig misdrijf; b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp — onmiddellijk of middellijk — afkomstig is uit enig misdrijf.” 40. Ten laste van de verzoeker is onder 1 (impliciet cumulatief) bewezenverklaard dat: “hij op tijdstippen in de periode van 14 maart 2007 tot en met 13 september 2008 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen schilderijen, te weten: "De kwakzalver" en "De tevreden drinker" van Adriaen van Ostade en "De kwakzalver" van Jan Steen en "Drinkgelag" van Cornelis Dusart en "De straatmuzikanten" van Cornelis Bega, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen van die schilderijen telkens wisten dat het door misdrijf verkregen goederen betrof; en hij op 12 en 13 september 2008 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen telkens van geldbedragen de vindplaats en de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en die geldbedragen heeft verworven en overgedragen en voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders telkens wisten dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;” 41. Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsvoering opgenomen in het arrest (p. 16 - 53). 42. Het valt op dat de bewezenverklaring van het (medeplegen van) witwassen de beide verschijningsvormen ervan omvat. Zowel de in art. 420bis, eerste lid onder a, Sr omschreven variant – het verbergen en/of verhullen van de vindplaats en de verplaatsing van geldbedragen - als enkele van de in art. 420bis, eerste lid onder b, Sr genoemde gedragingen – het verwerven en overdragen en voorhanden hebben van die geldbedragen - zijn bewezenverklaard. Omdat het hier om twee aparte strafbepalingen gaat, heeft het Hof kennelijk samenloop in de zin van art. 57 Sr aangenomen; de verwijzing in het arrest onder “P. Toepasselijke wettelijke voorschriften” duidt daarop. Tegen deze samenloop van de twee verschijningsvormen van witwassen keert het middel zich niet, zodat ik dat punt hier laat rusten. Voorts stel ik vast dat blijkens de bewijsvoering van het Hof de door verzoeker en zijn medeverdachten witgewassen geldbedragen afkomstig zijn van uit een door henzelf begaan grondmisdrijf, te weten de bewezenverklaarde opzetheling. In het onderhavige geval doet zich dus de bijzonderheid van een (kwalificatie)relatie tussen opzetheling (art. 416 Sr) en een witwasbepaling (art. 420bis Sr) voor. 43. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het Hof onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang. Indien het Hof heeft geoordeeld dat reeds sprake is van “witwassen” in de zin van art. 420bis Sr als de verdachte geldbedragen voorhanden heeft die afkomstig zijn uit enig mede door hemzelf begaan misdrijf, heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, aldus de steller van het middel. Indien het Hof daaraan niet heeft voorbijgezien, is zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd, aangezien het Hof niet heeft vastgesteld dat het voorhanden hebben van die geldbedragen heeft bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst daarvan. 44. Klaarblijkelijk keert het middel zich enkel tegen de bewezenverklaring van het ‘voorhanden hebben gehad’ van de geldbedragen (terwijl hij en zijn medeverdachten telkens wisten dat die geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf). Voor het relevante juridische kader haal ik de volgende uitspraak van de Hoge Raad aan. In zijn arrest van 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:714, NJ 2014/303 overweegt de Hoge Raad: “2.3. Vooropgesteld moet worden dat op zichzelf noch de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van de art. 420bis en 420quater Sr eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepalingen omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens - kort gezegd - (schuld)witwassen. Dat geldt, naar uit de tekst van de wet volgt, ook voor het verwerven of voorhanden hebben van zo'n voorwerp. Dit betekent niet dat elke gedraging die in de art. 420bis, eerste lid, en 420quater, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de - in beide bepalingen nader omschreven - kwalificatie witwassen onderscheidenlijk schuldwitwassen rechtvaardigt. Zo kan ingeval het gaat om een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en hem het "verwerven" of "voorhanden hebben" daarvan wordt verweten, de vraag rijzen of een dergelijk enkel verwerven of voorhanden hebben voldoende is om als (schuld)witwassen te worden aangemerkt. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen". Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd. Daarmee wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat. Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het verwerven of voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen. Een vonnis of arrest moet voldoende duidelijkheid verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte. Wanneer het gaat om het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, vgl. HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001. 2.4.1. Deze regels zien uitsluitend op gevallen waarin slechts het verwerven en/of voorhanden hebben van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen is bewezenverklaard. Zij hebben in beginsel geen betrekking op een geval als het onderhavige waarin is bewezenverklaard het "overdragen" en het "gebruik maken" - een en ander in de betekenis die ingevolge art. 420bis, eerste lid sub b, Sr aan die begrippen toekomt - van zulke voorwerpen, en evenmin op het daarin voorkomende begrip "omzetten". 2.4.2. In het vorenstaande wordt gesproken over "in beginsel", omdat niet valt uit te sluiten dat anders moet worden geoordeeld in het bijzondere geval dat zulk "overdragen", "gebruik maken" of "omzetten" van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen. Voorkomen moet immers worden dat de hiervoor onder 2.3 weergegeven regels worden omzeild enkel door het tenlasteleggen en/of bewezenverklaren van een andere delictsgedraging dan "verwerven" of "voorhanden hebben". In zo een bijzonder geval geldt eveneens dat, wil het handelen kunnen worden aangemerkt als "witwassen", sprake dient te zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen gericht karakter heeft in de hierboven onder 2.3 omschreven zin.” 45. Overigens wijs ik erop dat de recente rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de nadere motiveringseisen van het oordeel dat sprake is van witwassen in het geval dat de verdachte een uit enig door hemzelf begaan misdrijf afkomstig voorwerp heeft verworven of voorhanden heeft gehad, geen betrekking heeft op het bewezenverklaarde verbergen en verhullen als bedoeld in art. 420bis, eerste lid onder a, Sr. 46. Kan uit de 38 pagina’s tellende bewijsvoering volgen dat het verwerven en voorhanden hebben van de geldbedragen gericht waren op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die door eigen misdrijf verkregen geldbedragen? 47. Uit een aantal in de afgelopen twee jaar gewezen arresten blijkt dat de Hoge Raad ‘het verwerven en voorhanden hebben van voorwerpen gericht op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die door eigen misdrijf verkregen voorwerpen’ niet snel aanneemt. Verhullend of verbergend in dat opzicht is bijvoorbeeld niet de omstandigheid dat de verdachte op verschillende plaatsen geld in zijn huis bewaart, noch het bewaren van geld in enveloppen of in een kluis bij de verdachte thuis. Ik neem aan dat de Hoge Raad het te ver vindt gaan om in dergelijke gevallen aan te nemen dat de verdachte daarmee de criminele herkomst van de voorwerpen heeft willen verhullen of verbergen en daarbij in aanmerking neemt dat de verdachte al voor het grondmisdrijf kan worden vervolgd, bijvoorbeeld voor vermogensdelicten als opzetheling en verduistering. Daar komt in het onderhavige geval dan nog bij dat reeds het verbergen en/of verhullen van de vindplaats en de verplaatsing van de geldbedragen als bedoeld in art. 420bis, eerste lid onder a, Sr is bewezenverklaard. 48. Gelet op deze rechtspraak heeft de steller van het middel een punt. Het op een ongebruikelijke plaats verbergen van hoge geldbedragen, zoals € 100,000,- in kussens op een bank in een woning en € 95.500,- achter een plint van een keukenblok in een woning valt onder het verbergen of verhullen van de vindplaats en/of de verplaatsing van deze geldbedragen als bedoeld in art. 420bis, eerste lid onder a, Sr, en dat is (reeds) door het Hof bewezenverklaard. Niet echter kan uit de bewijsvoering van het Hof worden afgeleid dat sprake is van meer dan het enkele verwerven en voorhanden hebben van die geldbedragen, nu niet is vastgesteld dat de gedragingen van verzoeker en zijn medeverdachten ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de geldbedragen. Dat betekent dat dit oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is en dat de bewezenverklaring op dat onderdeel niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. 49. Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld. De vraag is evenwel of dit tot cassatie moet leiden. Ik meen dat verzoeker daarbij geen belang heeft, nu uit de gebezigde bewijsmiddelen in ieder geval kan volgen dat verzoeker en zijn medeverdachten de vindplaats van de beide geldbedragen hebben verborgen en/of verhuld als bedoeld in art. 420, eerste lid onder a, Sr en een geldbedrag is overgedragen in de zin van art. 420bis, eerste lid onder b, Sr, en dit al zonder meer als ‘medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd’ kan worden gekwalificeerd. Indien de Hoge Raad mij daarin niet kan volgen, zal de uitspraak van het Hof in zoverre dienen te worden vernietigd. 50. Al met al meen ik dat het middel niet tot cassatie kan leiden. 51. Het tiende middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden. 52. Door verzoeker is op 29 mei 2012 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 2 september 2013 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de hier geldende inzendtermijn van acht maanden met iets meer dan zeven maanden is overschreden. Nu deze overschrijding van de inzendtermijn niet meer door een voortvarende behandeling van de zaak kan worden gecompenseerd, dient dit te leiden tot strafvermindering. 53. Het middel slaagt. 54. Hetgeen als zevende middel onderscheidenlijk als achtste middel is voorgesteld, levert niet op een cassatiemiddel in de zin der wet en behoeft mitsdien geen bespreking. Het eerste middel, het tweede middel, het derde middel, het vierde middel, het vijfde middel en het zesde middel falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81, eerste lid, RO bedoelde motivering. Het negende middel is tevergeefs voorgesteld, tenzij uw Raad van oordeel is dat verzoeker in dat verband wel belang bij cassatie heeft. Het tiende middel slaagt. 55. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. 56. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan in de mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen (en subsidiair tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend wat betreft de beslissingen aangaande het onder 1 bewezenverklaarde “Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd”) en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Deze zaak hangt samen met de zaken met de griffienummers 12/02739 en 12/02934, in welke zaken ik heden eveneens concludeer. Kennelijk is de verdediging daar ook vanuit gegaan, en zo ook de steller van het middel. Vgl. HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6910, NJ 2013/266 m.nt. Borgers: “Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen.” A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2012, p. 187. Zie daarover R.M. Vennix, Het voorontwerp witwassen: samenloop met heling en enige beslagperikelen, DD 29, 1999, afl. 4, p. 311 e.v. Zie HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:956, NJ 2014/304 en HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:716, rov. 3.4.1. HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3302, NJ 2013/453 m.nt. Reijntjes. HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6909, NJ 2013/265 m.nt. Borgers en HR 8 januari 3013, ECLI:NL:HR:2013:BX6910, NJ 2013/266 m.nt. Borgers. Het enkel aantreffen van een plastic tas met geld in een auto levert echter nog niet het “verhullen” op in de zin van art. 420bis, eerste lid onder a, Sr, aldus HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:14, NJ 2014/63 met een beroep op de wetsgeschiedenis.