Nr. 14/00153 Zitting: 25 november 2014 Mr. Bleichrodt Conclusie inzake: [verdachte] 1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 17 december 2013 het vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 16 mei 2013, waarbij de verdachte wegens 1. “poging tot doodslag”, 2. “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen en munitie van categorie III, meermalen gepleegd”, 3. “afpersing, meermalen gepleegd en diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” en 4. “medeplegen van opzettelijk iemand van de vrijheid beroven, meermalen gepleegd” is veroordeeld, bevestigd, behalve wat betreft de beslissing op het beroep op noodweer en de strafoplegging. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van een voorwerp en de teruggave gelast van een aantal andere voorwerpen, één en ander zoals in het arrest vermeld. 2. Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte] (nr. 14/00463), waarin ik vandaag eveneens concludeer. 3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. 4. Het middel behelst de klacht dat het hof het beroep op noodweer ten aanzien van feit 1 ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft verworpen. 5. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezen verklaard dat hij: “op 15 juli 2012 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [medeverdachte] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen kogels naar en in de richting van [medeverdachte] heeft geschoten, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.” 6. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, die zijn weergegeven in de door het hof bevestigde “Promis-bewijsmotivering” van de rechtbank, blijkt dat het hof ten aanzien van dit feit het volgende heeft vastgesteld. Op 15 juli 2012 zijn de verdachte, [betrokkene 2] en [slachtoffer] (hierna ook: de drie mannen) vanuit Amsterdam naar Utrecht gereden. In een flatwoning op het adres [a-straat 1] in Utrecht hebben zij gezamenlijk een ‘ripdeal’ gepleegd. Daarbij hebben zij met behulp van vuurwapens een tas met ongeveer vijftien kilogram hasj, mobiele telefoons en (huis)sleutels gestolen van een groep personen, bestaande uit [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 1] en [betrokkene 5] (feiten 2 en 3). Voor het verlaten van de flatwoning hebben de verdachte, [betrokkene 2] en [slachtoffer] deze personen opgesloten in de flatwoning door de voordeur op slot te doen (feit 4). [medeverdachte] heeft zich tijdens de ‘ripdeal’ buiten bij de portiek van de flat opgehouden. Op het moment dat de drie mannen naar buiten kwamen, heeft er een schietpartij tussen hen en [medeverdachte] plaatsgevonden. [slachtoffer] is om het leven gekomen door een kogel, die afkomstig was uit het vuurwapen van [medeverdachte]. De verdachte heeft twee keer in de richting van [medeverdachte] geschoten, waarbij [medeverdachte] in zijn been is geraakt. 7. Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep van 3 december 2013 overgelegde pleitnotities, heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat de verdachte ten aanzien van feit 1 dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de verdachte heeft gehandeld in een situatie van noodweer. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. Uit de verklaringen van buurtbewoners komt het beeld naar voren dat de verdachte, [betrokkene 2] en [slachtoffer] eerst zijn beschoten en dat daarop is gereageerd. Deze verklaringen ondersteunen de verklaring van de verdachte dat hij pas heeft geschoten nadat hij en zijn medeverdachten werden beschoten door [medeverdachte]. De verdachte heeft teruggeschoten, nadat hij eerst iemand “liggen, liggen” had horen schreeuwen toen hij uit de flat kwam, hij meteen daarna een knal had gehoord en [slachtoffer] in elkaar had zien zakken. Vervolgens heeft de verdachte zich omgedraaid en nog een keer op [medeverdachte] geschoten, nadat hij was weggerend en nogmaals door [medeverdachte] was beschoten. De verklaring van [medeverdachte], inhoudende dat de verdachte als eerste heeft geschoten, is zodanig ongeloofwaardig en onbetrouwbaar dat deze buiten beschouwing moet worden gelaten. Aldus was er sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte, alsmede van [betrokkene 2] en [slachtoffer]. Gelet op het karakter van de aanval, voldeed de reactie van de verdachte aan de eis van proportionaliteit. Vervolgens is de verdachte weggerend, zodat ook is voldaan aan de subsidiariteitseis. Bovendien is er geen sprake van culpa in causa, aangezien uit geen enkele handeling van de verdachte kan worden afgeleid dat hij door zijn schuld de confrontatie heeft opgezocht dan wel de confrontatie opzettelijk heeft doen ontstaan, aldus nog steeds de raadsman. 8. Het hof heeft dit verweer verworpen en daartoe onder “beroep op noodweer” het volgende overwogen: “Namens verdachte is een beroep gedaan op noodweer. Voor een geslaagd beroep op noodweer in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat de handelingen van verdachte noodzakelijk waren ter verdediging van zijn eigen of een andermans lichaam tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar hiervoor. Vaststaande feiten In het kader van het beroep op noodweer gaat het hof uit van de onderstaande lezing van de feiten: - [verdachte] is op 15 juli 2012 samen met [betrokkene 2] en [slachtoffer] uit het portiek van de flat aan de Falklanddreef te Utrecht naar buiten gelopen, waarbij [slachtoffer], met in zijn hand uitsluitend een 'bigshopper'-tas van de Albert Heijn, voorop liep; - [medeverdachte] is met een doorgeladen wapen (semi-automatisch en kaliber .45) in zijn hand uit de blauwe Seat Ibiza gekomen; - Op enig moment is er uit een raam van de flat aan de Falklanddreef te Utrecht geschreeuwd. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld wat de daadwerkelijke bewoordingen van het geschreeuw zijn geweest en wanneer [medeverdachte] dit geschreeuw gehoord heeft; - Zowel [verdachte] als [betrokkene 2] zijn bewapend als zij uit het portiek van de flat aan de Falklanddreef komen. [verdachte] was in het bezit van een doorgeladen pistool kaliber 9mm; - Op enig moment toen [medeverdachte] tegenover de drie personen stond, die uit de flat aan de Falklanddreef te Utrecht naar buiten zijn gekomen, heeft hij iets geroepen, waarin tweemaal het woord "liggen" voorkwam. Op basis van de bewijsmiddelen zijn de precieze bewoordingen niet vast te stellen (in het dossier wordt zowel melding gemaakt van de woorden "ga liggen", dan wel "laat liggen", welke bewoordingen verschillend kunnen worden geduid). - [medeverdachte] heeft tenminste eenmaal geschoten in de richting van de drie personen die uit de flat aan de Falklanddreef te Utrecht naar buiten zijn gekomen; - Toen [verdachte] voor de portiekdeur van de flat aan de Falklanddreef te Utrecht stond, heeft hij tenminste eenmaal in de richting van [medeverdachte] geschoten; - [slachtoffer] is om het leven gekomen door een kogel afkomstig uit het wapen van [medeverdachte]; - Nadat [slachtoffer] door de kogel was geraakt en was neergevallen, zijn zowel [verdachte] als [betrokkene 2] weggerend; - [verdachte] heeft tenminste eenmaal geschoten in de richting van [medeverdachte], terwijl hij en [betrokkene 2] zich uit de voeten maakten. Voorts wordt overwogen Het hof kan op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen - noch op basis van het forensisch onderzoek, noch op basis van de verklaringen van de getuigen en de medeverdachten - niet vaststellen in welke volgorde er is geschoten. Het hof kan eveneens niet vaststellen wie als eerste een schot heeft gelost noch hoe de schotenwisseling zich daarna heeft ontwikkeld. Lezing verdachte In het kader van het beroep op noodweer heeft verdachte als volgt verklaard. Verdachte was in het bezit van een vuurwapen op het moment dat hij de flat aan de Falklanddreef te Utrecht uit is gekomen. Het wapen zat in zijn broeksband. Toen zij de flat uitgingen, liep [slachtoffer] als eerste het portiek uit, daarachter liep verdachte en achteraan liep [betrokkene 2]. Op het moment dat zij buiten kwamen, hoorde verdachte: "liggen, liggen". Meteen daarna hoorde hij een knal. Toen hij opkeek, zag verdachte een man voor hem staan, naar later bleek [medeverdachte], met een vuurwapen. [slachtoffer] is direct na de knal op de grond gevallen. Vervolgens heeft verdachte zijn wapen gericht. Hij heeft geschoten en is daarna weggerend. Toen verdachte achterom keek, zag hij dat [medeverdachte] zijn vuurwapen op hen richtte. [medeverdachte] heeft vervolgens nog een keer geschoten. Daarop heeft verdachte, al rennend, nog een keer teruggeschoten. Conclusie hof In de verklaring van verdachte, zoals ook verwoord door zijn raadsman in eerste aanleg en in hoger beroep, ligt het verweer besloten dat door hem is geschoten omdat hij geconfronteerd werd met een man die iets riep en schoot, waardoor [slachtoffer] is neergevallen en dat hij vervolgens nog een keer heeft geschoten tijdens de vlucht omdat toen wederom op hem geschoten werd. Naar het oordeel van het hof is die feitelijke weergave niet aannemelijk geworden. Het hof heeft hierbij het volgende in aanmerking genomen:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.