← Nederland

ECLI:NL:PHR:2014:282

K 384 Aan de Hoge Raad der Nederlanden, Vierde Meervoudige Kamer Vordering als bedoeld in artikel 46o van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren betreffende [betrokkene] geboren op [geboortedatum] 1953, wonende aan de [a-straat 1] te [woonplaats]. Betrokkene is rechter in de Rechtbank Limburg en derhalve een rechterlijk ambtenaar als bedoeld in artikel 46b van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra). Zij is sinds 28 februari 2011 arbeidsongeschikt wegens ziekte. Artikel 46i lid 1 Wrra bepaalt dat een rechterlijk ambtenaar die wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid door de Hoge Raad kan worden ontslagen indien

  1. a)de ongeschiktheid twee jaar onafgebroken heeft geduurd,
  2. b)herstel van zijn ziekte binnen een periode van zes maanden na voornoemde termijn van twee jaar redelijkerwijs niet is te verwachten en
  3. c)kort gezegd, naar het oordeel van de functionele autoriteit duurzame re-integratie in de eigen of in andere passende arbeid niet binnen een redelijke termijn is te verwachten. Artikel 46j Wrra houdt in – kort gezegd - dat de Hoge Raad het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) betrekt bij de beoordeling of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 46i lid 1. Uit de stukken van het UWV blijkt het volgende. Bij beslissing van het UWV van 12 november 2012 werd aan betrokkene een zogenoemde WGA-uitkering toegekend, waarbij WGA staat voor ‘werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten’. Volgens de beslissing waren de redenen daarvoor dat betrokkene 79,12% arbeidsongeschikt was en een meer dan geringe kans op herstel had. Tegen deze beslissing maakte betrokkene bezwaar, alsook het bestuur van de Rechtbank Limburg. Bij beslissing op het bezwaar van betrokkene van 9 april 2013 werd de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene vastgesteld op 80-100%. De beslissing vermeldde voorts dat de verzekeringsarts van mening was dat verbetering van de belastbaarheid niet was uitgesloten en dat betrokkene daarom geen recht had op een IVA-uitkering, een voorziening voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten. Tegen deze beslissing stelde betrokkene beroep in omdat zij meende wel in aanmerking te komen voor een IVA-uitkering. Op grond van de medische informatie die in het beroep werd ingebracht, kwam de verzekeringsarts tot de conclusie dat per november 2012 geen verbetering te verwachten was op dat moment, het eerst volgende jaar en daarna. Daardoor voldeed betrokkene aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een IVA-uitkering (rapportage van de verzekeringsarts van het UWV van 25 juli 2013). Vervolgens is aan betrokkene een IVA-uitkering toegekend (beslissing van het UWV van 5 augustus 2013). Daarop heeft betrokkene haar beroep ingetrokken. Het bestuur van de Rechtbank Limburg is van oordeel dat duurzame re-integratie evenmin binnen een redelijke termijn is te verwachten (brief President Rechtbank Limburg d.d. 5 juli 2013). Op grond van het voorafgaande ben ik van oordeel dat ten aanzien van betrokkene is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor ontslag op grond van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte. Alvorens over te gaan tot het instellen van een vordering bij de Hoge Raad heb ik betrokkene bij schrijven van 6 februari 2014 in de gelegenheid gesteld haar zienswijze naar voren te brengen. De rechtsbijstandsverzekeraar van betrokkene heeft in een brief van 10 februari 2014 laten weten dat sinds 28 februari 2011 inderdaad sprake is van langdurige arbeidsongeschiktheid, waarbij het niet de verwachting is dat herstel voor de functie zal optreden. Betrokkene verzet zich niet tegen het verzoek van de President van de Rechtbank Limburg aan mij om bij de Hoge Raad haar ontslag te vorderen. Zij verzoekt de vordering toe te wijzen en haar op grond van het bepaalde in artikel 46i lid 1 Wrra ontslag te verlenen. De stukken van deze zaak leg ik over overeenkomstig de bijgevoegde inventarislijst. Gelet op het voorafgaande vorder ik dat de Hoge Raad [betrokkene] op de voet van artikel 46i lid 1 Wrra zal ontslaan met ingang van 1 mei 2014. ’s-Gravenhage, 6 maart 2014 De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Inventarislijst dossier [betrokkene] (K 384) Brief van de President Rechtbank Limburg houdende een verzoek tot vordering van ontslag van [betrokkene], d.d. 5 juli 2013, met bijlagen Brief namens de President Rechtbank Limburg d.d. 30 augustus 2013, met bijlage Brief UWV 30 september 2013, met bijlage (beslissing UWV 5 augustus 2013) Brief Procureur-Generaal d.d. 17 december 2013 aan de President Rechtbank Limburg Brief van de President Rechtbank Limburg d.d. 10 januari 2014, met bijlagen Brief Procureur-Generaal d.d. 6 februari 2014 aan [betrokkene] Brief mr. D.E. de Hoop (DAS Rechtsbijstandsverzekering) d.d. 10 februari 2014

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.