Zaaknr. 13/04169 mr. E.M. Wesseling-van Gent Zitting: 4 april 2014 Conclusie inzake: Energie Concurrent B.V. tegen 1. Eneco Retail B.V. 2. Groene Energie Administratie B.V., h.o.d.n. Greenchoice 3. [verweerster 3] Het cassatieberoep stelt aan de orde (
(7)het onderzoek moet binnen een redelijke termijn worden afgerond. 3.11 Volgens de richtlijnen van Blanco Fernández, Holtzer, en van Solinge heeft de onderzoeker tot taak, binnen de door de ondernemingskamer gegeven opdracht, het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon te onderzoeken en van zijn bevindingen schriftelijk verslag aan de ondernemingskamer uit te brengen (§ 1.1), neemt hij bij de vervulling van zijn taak de wet, de algemene beginselen van behoorlijk onderzoek, de opdracht en de aanwijzingen van de ondernemingskamer in acht (§ 1.3) en vervult hij zijn taak met de nauwgezetheid van een bekwame onderzoeker (§ 1.4). Met betrekking tot de inrichting van het onderzoek bepalen de richtlijnen dat de onderzoeker dat naar eigen inzicht doet en dat hij partijen vóór de aanvang van het onderzoek in de gelegenheid stelt over de inrichting van het onderzoek opmerkingen te maken (§ 7.1). 3.12 Op 1 januari 2011 zijn op de website www.rechtspraak.nl de “Aandachtspunten, aanbevelingen en suggesties voor onderzoekers in enquêteprocedures (artikel 2:345 BW)” (hierna: de Aandachtspunten) gepubliceerd. Deze zijn door de ondernemingskamer opgesteld op basis van opgedane kennis en ervaring, gesprekken met onderzoekers, en met inachtneming van jurisprudentie en de desbetreffende literatuur. De eerste versie van de Aandachtspunten uit 2011 is vervolgens geëvalueerd en mede aan de hand van ontvangen commentaren daarop en naar aanleiding van de wijziging van het enquêterecht, aangepast. De nieuwe versie geldt per 1 januari 2013. 3.13 In de Preambule wordt de volgende norm over de handelswijze van de onderzoeker geformuleerd: “E. De onderzoeker verricht zijn werkzaamheden in alle stadia van het onderzoek – vanaf de aanvaarding van de opdracht tot en met de deponering van het verslag – naar de maatstaf van hetgeen in de gegeven omstandigheden van een bekwaam en redelijk handelend onderzoeker mag worden verwacht (curs. ondernemingskamer). Wat dat in de praktijk betekent, kan niet in zijn algemeenheid worden gezegd. Ieder onderzoek is anders en verdient maatwerk. De aanpak zal steeds afhankelijk zijn van de concrete omstandigheden, van de aard van de rechtspersoon (betreft het bijvoorbeeld een beursfonds of een besloten verhouding), van de omvang en noodzakelijke diepgang van het onderzoek en van de betrokken belangen.” 3.14 Met betrekking tot de taak van de onderzoeker is in de Aandachtspunten vermeld dat voor het handelen van de onderzoeker steeds bepalend is hetgeen in de gegeven omstandigheden van een bekwaam en redelijk handelend onderzoeker mag worden verwacht (§ 3.1). Met inachtneming van deze norm is de onderzoeker vrij in de uitvoering van de hem opgedragen taken, richt hij het onderzoek naar eigen inzicht in, verricht hij zijn werkzaamheden voortvarend en in volstrekte onafhankelijkheid en onpartijdigheid en in openheid over zijn hoedanigheid in (§ 3.2). Van de onderzoeker mag volgens § 3.5 worden verwacht dat hij het beginsel van hoor en wederhoor als leidraad aanhoudt. 3.15 Op elke pagina van het document wordt in de koptekst uitdrukkelijk vermeld dat de Aandachtspunten “(…) geen regels of voorschriften” zijn. Uit de Preambule onder F blijkt voorts dat de ondernemingskamer met de Aandachtspunten enige verduidelijking heeft willen geven maar geen – uitputtend – overzicht heeft beoogd: “Dit zijn geen regels of voorschriften maar uitsluitend aandachtspunten voor de onderzoeker, met enkele aanbevelingen of suggesties hoe te handelen. Het kan zeer wel voorkomen dat de onderzoeker afwijkt en ook dient af te wijken van de suggesties in dit document.” Ondanks deze clausulering moeten de Aandachtspunten worden gezien als een belangrijk richtsnoer voor het onderzoek, waarnaar de wetgever bij de wijziging van het enquêterecht per 1 januari 2013 op enkele plaatsen heeft verwezen. 3.16 Uit de parlementaire geschiedenis bij de wijziging van het enquêterecht per 1 januari 2013 blijkt dat de kritiek in de literatuur betreffende de aan de onderzoeker toekomende vrijheid (ten dele) gehoor heeft gekregen. De minister van Veiligheid en Justitie heeft daarin onvoldoende aanleiding gezien het onderzoek gedetailleerd te regelen, maar heeft wel de toepassing van hoor en wederhoor gestalte gegeven door in het nieuwe artikel 2:351 lid 4 te bepalen dat de onderzoekers degenen die in het onderzoeksverslag worden genoemd in de gelegenheid moet stellen om kennis te nemen van wezenlijke bevindingen in het (ontwerp)verslag die op die personen betrekking hebben. De memorie van toelichting zegt daarover het volgende: “In de literatuur is een pleidooi gehouden voor een met meer waarborgen omklede onderzoeksfase (…). Zo wordt gewezen op de wenselijkheid van toepassing van het beginsel van hoor en wederhoor door de onderzoeker. Het beginsel van hoor en wederhoor is een belangrijk uitgangspunt in gerechtelijke procedures. Het beginsel brengt mee dat de rechter zich bij de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen uitsluitend mag richten op die gegevens van feitelijke aard waarvan partijen de juistheid en volledigheid hebben kunnen nagaan en ten processe ter discussie hebben kunnen stellen (artikel 198 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dat geldt ook wanneer de rechter zijn oordeel mede baseert op een deskundigenverklaring (Hoge Raad 18 februari 1994, NJ 1994, 742 (Copo/Berger) en Hoge Raad 27 maart 1987, NJ 1988, 130 (Pensioenfonds/Geerlings)). Voor wat betreft de enquêteprocedure meen ik dat inderdaad meer uitdrukkelijk aandacht moet worden gevraagd voor de toepassing van het beginsel van hoor en wederhoor in de onderzoeksfase. Het verslag van de onderzoekers is van wezenlijk belang voor het oordeel van de Ondernemingskamer of sprake is van wanbeleid. Indien de Ondernemingskamer wanbeleid vaststelt, kan dit leiden tot het opleggen van voorzieningen die ingrijpende gevolgen hebben (artikel 2:355 BW). Daarnaast kan het oordeel «wanbeleid» defamerend werken voor de rechtspersoon en zijn bestuurders of commissarissen. Ik wil daarom het risico op onjuiste informatie in het verslag van de onderzoekers zo klein mogelijk maken. Op grond van het voorgaande is samengevat bepaald dat degenen die in het onderzoeksverslag worden genoemd in de gelegenheid worden gesteld om kennis te nemen van de gegevens of conclusies die op henzelf betrekking hebben en daarop desgewenst commentaar te leveren. Ik verwijs naar de toelichting op artikel 351 lid 4 BW. Aangezien het onderzoek moet worden toegesneden op de omstandigheden van het geval, voel ik er niet voor om in de wet een gedetailleerde regeling ten aanzien van de onderzoeksfase op te nemen. Wel vind ik het zinvol dat een raadsheer-commissaris toezicht houdt op het verloop van het onderzoek. Ik verwijs naar de toelichting op artikel 2:350 lid 4 BW.” Gesprekken/interviews en verslagen daarvan 3.17 Zoals hiervoor vermeld, kan de onderzoeker bij het verzamelen van gegevens, inlichtingen vragen aan onder meer (gewezen) functionarissen van de rechtspersoon die onderwerp is van de enquêteprocedure dan wel van een rechtspersoon die daarmee nauw verwant is. In de richtlijnen van Blanco Fernández, Holtzer, en van Solinge wordt over het belang van dat soort gesprekken en de verslaglegging daarvan in § 10.3 en 10.4 het volgende bepaald: “10.3 De onderzoeker voert gesprekken met die personen die naar zijn oordeel in het belang van het onderzoek gehoord dienen te worden. De onderzoeker leidt het gesprek. De persoon met wie het gesprek wordt gevoerd kan zich door één of meer adviseurs laten bijstaan, tenzij de onderzoeker in het belang van het onderzoek anders bepaalt. 10.4 De onderzoeker draagt er zorg voor dat van die gesprekken die hij van bijzonder belang acht voor het onderzoek een verslag wordt opgemaakt. Het gespreksverslag bevat een zakelijke weergave van de belangrijkste onderwerpen van het gesprek. De onderzoeker stelt de persoon met wie het gesprek is gevoerd in de gelegenheid over het verslag opmerkingen te maken.” Volgens de toelichting bij de richtlijnen is niet elke mondelinge communicatie tussen de onderzoeker en een ander over het onderzoek als een gesprek in de zin van § 10.3 en 10.4 te verstaan, maar gaat het om gesprekken die een zekere zelfstandige betekenis voor het onderzoek hebben, bijvoorbeeld omdat de onderzoeker aan (een deel van) het gesprek een belangrijke stelling voor het [onderzoeks]verslag (toev. W-vG) ontleent. Criterium bij het optreden van de onderzoeker is het vinden van een juist evenwicht tussen het belang van een voortvarend onderzoek en de belangen van degenen met wie gesprekken worden gevoerd. Redelijke verzoeken van deze personen, die het onderzoek niet in de weg staan, dient de onderzoeker, aldus de toelichting, in beginsel te honoreren, bijvoorbeeld: voorafgaande informatie over het gesprek (onderwerp op hoofdlijnen, geschatte duur, aanwezige personen); verzoeken om zelf notulen te houden, om het gesprek wegens gegronde redenen uit te stellen of te onderbreken. 3.18 De richtlijnen nemen voorts tot uitgangspunt dat de onderzoeker een ruime discretionaire bevoegdheid heeft om te bepalen hoe de gesprekken plaatsvinden en of de inhoud van een gesprek dermate van bijzonder belang is voor het onderzoek dat een schriftelijk verslag daarvan moet worden opgemaakt dan wel of het gesprek op band dient te worden opgenomen. Als een gespreksverslag wordt gemaakt, dient het een zakelijke weergave van de belangrijkste punten van het gesprek te bevatten alsmede andere gegevens die van belang kunnen zijn voor een beoordeling van het gesprek: plaats, datum, begin- en eindtijdstip, aanwezige personen, etc. De verslagen maken deel uit van het onderzoeksdossier (§ 8.2 sub c). Blanco Fernández, Holtzer en van Solinge menen voorts dat de onderzoeker de personen wier uitspraken zijn verslagen, de gelegenheid moet bieden opmerkingen te maken over de inhoud van het gespreksverslag, omdat dit de betrouwbaarheid van dat verslag bevordert. De onderzoeker bepaalt evenwel in welke mate hij rekening houdt met de gemaakte opmerkingen. 3.19 In de Aandachtspunten van de ondernemingskamer van zowel 2011 als 2013 is over het horen van personen en het maken van een gespreksverslag het volgende opgenomen: “3.5 Hoewel artikel 6 EVRM niet van toepassing is op het onderzoek, mag van de onderzoeker worden verwacht dat hij het beginsel van hoor en wederhoor als leidraad aanhoudt. Toelichting: Onder meer valt te denken aan: (…); - het – na tijdige aankondiging – horen van partijen en overige betrokkenen over het onderwerp van onderzoek en/of bepaalde gedeelten daarvan; - het (doen) maken van een verslag van voor het onderzoeksverslag bepalende gesprekken met gehoorde personen, het voorleggen van die verslagen aan die personen en het rekening houden met eventueel gemaakte opmerkingen; - het rekening houden met eventuele voorstellen tot het horen van bepaalde personen en tot het raadplegen van bepaalde documenten; Of en in welke mate deze suggesties van toepassing zijn hangt onder meer af van de aard van de rechtspersoon, de te onderzoeken onderwerpen, de omvang en gewenste diepgang van het onderzoek en de (aard en gevoeligheid van) (bepaalde) bevindingen. In de tweede versie van de Aandachtspunten van 2013 is hieraan het volgende toegevoegd: In ieder geval stelt de onderzoeker degenen die in het verslag worden genoemd in de gelegenheid om opmerkingen te maken ten aanzien van wezenlijke bevindingen die op henzelf betrekking hebben (artikel 2:351 lid 4 BW). ” De gespreksverslagen komen vervolgens nog terug in hoofdstuk 4 over het onderzoeksverslag. In de Aandachtspunten uit 2013 wordt in § 4.3 aanbevolen om bij het onderzoeksverslag bijlagen te voegen, zoals gespreksverslagen waaraan wezenlijke bevindingen zijn ontleend. De eerste versie van de Aandachtspunten uit 2011 spreekt uitsluitend over bijlagen die bij het onderzoeksverslag worden gevoegd. 3.20 Anders dan de richtlijnen van Blanco Fernández, Holtzer, en van Solinge en de Aandachtspunten van de ondernemingskamer spreekt Hermans consequent over getuigenverhoor in plaats van gesprekken met gehoorde personen en plaatst hij de vereisten die aan dergelijke gesprekken moeten worden gesteld vooral in de sleutel van de verdediging van de gehoorde personen tegen “het negatiefs dat in het onderzoeksverslag komt te staan”. Z.i. behoren de onderzoekers van ieder getuigenverhoor een verslag te maken dat na afloop van het verhoor aan de getuige voor correctie wordt voorgelegd. De onderzoekers zijn volgens Hermans in beginsel niet gehouden het transcript van het verhoor van de getuigen voor de afronding van het rapport aan de overige partijen toe te zenden, tenzij dat wel verstandig is bijvoorbeeld als de lezing van partijen van een bepaalde gebeurtenis lijnrecht tegenover elkaar staan. In een dergelijk geval, aldus Hermans, komt toezending van het verslag van partijen het debat ten goede komen en kan het leiden tot een betere vaststelling van de feiten. 3.21 In de praktijk wordt door de verschillende onderzoekers een verschillende werkwijze gebruikt. Zo beschrijft Van den Blink dat hij informanten hoort en van die verhoren verslagen maakt zonder dat partijen of hun advocaten daarbij zijn en die verslagen kunnen controleren, behoudens in het geval de gehoorde een met aansprakelijkheid bedreigde beleidsbepaler is. Dan zit diens advocaat er wat hem betreft bij. 3.22 Hepkema daarentegen maakt in zijn onderzoeken altijd schriftelijke verslagen van de inlichtingen die hij in gesprekken met bestuurders, commissarissen en andere betrokkenen heeft gevraagd. Betrokkenen krijgen van hem ook tevoren te horen dat van het gesprek een verslag zal worden gemaakt, dat ze in concept ter becommentariëring zullen krijgen toegezonden. Hij doet dat omdat de betrokkene aldus na reflectie accuraat en volledig tegenover de onderzoeker kan zijn, zodat die bij het weergeven van de gang van zaken in zijn verslag zich mede op dat gesprek kan baseren. Z.i. is een beginsel van behoorlijk onderzoek dat als de gang van zaken in het definitieve onderzoeksverslag wordt geadstrueerd door een citaat uit een gesprek, het citaat alleen kan worden opgenomen als de betrokkene van de geciteerde opmerking heeft kennisgenomen en er geen verdere opmerkingen bij heeft. 3.23 Hepkema acht het wenselijk dat de onderzoeker die gespreksverslagen maakt, die verslagen onder zich houdt om de vertrouwelijkheid van de gesprekken te waarborgen. Dat betekent dat de verslagen niet als bijlagen aan het onderzoeksverslag worden gehecht en verder dat de verslagen niet aan partijen of belanghebbenden worden gegeven of anderszins beschikbaar zijn. Dit betekent volgens hem ook dat de onderzoeker geen toestemming geeft aan belanghebbenden om het gespreksverslag in de tweede fase van de enquêteprocedure te gebruiken. Deze opvatting over het beschikbaar stellen van de gespreksverslagen staat haaks op die van De Kluiver die meent dat in ieder geval de advocaten van de vennootschap inzicht moeten krijgen in de verslagen van alle gesprekken die hebben plaatsgevonden, omdat het rapport van de onderzoekers de basis is voor zeer ingrijpende maatregelen tegen de vennootschap. 3.24 Tijdens de parlementaire behandeling van de wijziging van het enquêterecht is een in de consultatieronde gedaan voorstel aan de orde geweest om te bepalen dat de onderzoekers het gehele concept-onderzoeksverslag voorleggen aan gehoorde personen inclusief bronmateriaal en gespreksverslagen. Daarover heeft de minister van Veiligheid en Justitie in de nota naar aanleiding van het verslag het volgende opgemerkt: “Dit voorstel lijkt tot op zekere hoogte op het voorstel van weer een andere respondent om alle reacties op het conceptverslag te hechten aan het eindverslag. Ik meen dat het niet nodig is om het gehele verslag aan alle gehoorde personen voor te leggen; het is voldoende om personen in staat te stellen om te reageren op passages die hun aangaan. Daarnaast meen ik dat deze voorstellen onvoldoende rekening houden met de wens om eventueel gevoelige informatie niet verder te verspreiden dan noodzakelijk is voor het opstellen van het onderzoeksverslag. Artikel 6 EVRM schrijft voor: «Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen (...) heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak (...)». Het onderzoeksverslag van de onderzoeker leidt niet tot dergelijke vaststellingen; zij geven geen eindoordeel over het bestaan van burgerlijke rechten en verplichtingen. De onderzoekers doen onderzoek en leveren materiaal aan op basis waarvan een rechter kan oordelen. De rechter is echter niet gebonden aan de bevindingen van het onderzoek. Mede in het licht van de hiervoor genoemde aandachtspunten, aanbevelingen en suggesties van de Ondernemingskamer aan de onderzoekers, zie ik geen aanleiding voor een aanpassing van het voorstel.” Uit dit citaat leid ik af dat de minister van Veiligheid en Justitie ook geen voorstander is van het aanhechten van alle reacties op het concept-onderzoeksverslag aan het eindverslag. Positie van de onderzoeker 3.25 In de hiervoor onder 3.16 geciteerde passage uit de memorie van toelichting bij de wijziging van het enquêterecht wordt een relatie gelegd tussen (het toepassen van hoor en wederhoor
- in)de enquêteprocedure en de deskundige. Zo wordt bij de opmerking dat het beginsel van hoor en wederhoor meebrengt dat de rechter zich bij de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen uitsluitend mag richten op die gegevens van feitelijke aard waarvan partijen de juistheid en volledigheid hebben kunnen nagaan en ten processe ter discussie hebben kunnen stellen, verwezen naar het voorschrift van art. 198 lid 2 Rv. over de deskundige. De toelichting voegt er vervolgens aan toe dat dit ook geldt wanneer de rechter zijn oordeel mede baseert op een deskundigenverklaring. Niet duidelijk is of de wetgever meent dat de onderzoeker in de enquêteprocedure een (soort) deskundige is. 3.26 Dat is wel de opvatting van Geerts, die onder verwijzing naar eerdere parlementaire geschiedenis heeft betoogd dat een onderzoeker als een deskundige kan worden gezien. Hermans is het daarmee oneens. Ook Thierry meent dat de onderzoeker geen deskundige is als bedoeld in de art. 194 e.v. Rv. omdat een deskundige vanuit zijn deskundigheid rapporteert en een enquêteur daarentegen als een rechercheur onderzoekt en de resultaten van zijn onderzoek, met de conclusies die hij daaruit trekt, rapporteert. Van Den Blink onderschrijft dit verschil tussen de taak van een enquêteur en die van een deskundige, omdat de rechter bij een deskundigenopdracht een deel van zijn taak uit handen geeft aan een discipline die de zijne niet is, terwijl een onderzoeker – met name in enquêtes die in feite niet meer zijn dan de eerste ronde in een schadevergoedingsprocedure – werk doet dat de ondernemingskamer ook zelf kan doen. 3.27 Voor- en tegenstanders vinden elkaar in de opvatting dat, zoals verwoord door Thierry en Timmerman, men heel wel het standpunt kan innemen dat de onderzoeker van Boek 2 BW geen deskundige is, maar dat de ondernemingskamer een zekere mate van vrijheid heeft om de art. 194-200 Rv. al dan niet op de onderzoeker toe te passen. Ik ga dan ook kort in op de inrichting van het deskundigenonderzoek. Inrichting deskundigenonderzoek 3.28 Deskundigen als bedoeld in de art. 194 e.v. Rv. dienen de nodige vrijheid en zelfstandigheid gelaten te worden om het onderzoek, waarvoor zij verantwoordelijk zijn, op de hun best voorkomende wijze te verrichten. Deskundigen zijn, aldus de Hoge Raad in zijn arrest van 20 september 1996, in beginsel dan ook niet gehouden tot het honoreren van elk in enige fase van het onderzoek door een van de partijen gedaan verzoek om in de gelegenheid te worden gesteld van de voorlopige bevindingen van de deskundigen kennis te nemen en daarop commentaar te leveren. Om te kunnen voldoen aan de verplichting van art. 198 lid 2 Rv. is het voldoende dat partijen hebben kunnen reageren op het concept-rapport en dat bij de definitieve vaststelling van het rapport rekening is gehouden met het gegeven commentaar, hetgeen kan blijken uit het voegen van het commentaar als een bijlage bij het deskundigenbericht. 3.29 Met betrekking tot de betekenis van het beginsel van hoor en wederhoor in het feitenonderzoek van de deskundige is De Groot van mening dat art. 6 lid 1 EVRM zich tot de rechter richt, en niet tot de deskundige. Het is dan ook niet aan de deskundige om de naleving van het beginsel tijdens het onderzoek te waarborgen. Partijen dienen echter bij de rechter effectief commentaar te kunnen leveren op een deskundigenadvies. Tegelijk is duidelijk dat het erom gaat of het beginsel van hoor en wederhoor wordt nageleefd in de procedure als geheel en dat dit moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Op basis van een zaaksgebonden belangenafweging moet worden bepaald welke betekenis het beginsel van hoor en wederhoor in het feitenonderzoek van een deskundige heeft. 3.30 Art. 198 lid 2 Rv. gaat er, aldus De Groot, van uit dat het aan de deskundige is om partijen gelegenheid te bieden opmerkingen te maken en verzoeken te doen. Het behoort dan ook tot de vrijheid van de deskundige om te bepalen op welke wijze hij uitvoering wil geven aan dit voorschrift. Het is gebruikelijk dat de deskundige in ieder geval uitvoering geeft aan het voorschrift nadat hij het deskundigenbericht heeft voltooid en voordat hij het aan de rechter zendt. De deskundige behoeft geen gelegenheid te bieden om nog te reageren op verwerking van de opmerkingen en verzoeken van partijen in het rapport, nu partijdebat over het deskundigenbericht niet bij de deskundige behoort plaats te vinden, maar in de verdere procedure bij de rechter. In het licht van art. 6 EVRM kan een deskundigenbericht echter niet aan een rechterlijke beslissing ten grondslag worden gelegd indien het beginsel van hoor en wederhoor tijdens het deskundigenonderzoek is geschonden in de zin dat partijen niet gelijkwaardig of afdoende hebben kunnen participeren en na het uitbrengen van het deskundigenbericht geen gelegenheid is geboden tot herstel. Bezwaren tegen het onderzoek(sverslag) 3.31 Bezwaren tegen de wijze waarop het onderzoek is verricht en tegen de bevindingen van het onderzoeksverslag kunnen naar voren worden gebracht in een eventuele vervolgprocedure op de voet van art. 2:355 BW. Indien aan de ondernemingskamer uit het debat dat tussen partijen wordt gevoerd na deponering van het onderzoeksverslag ter griffie, of ambtshalve, blijkt dat het onderzoek niet volledig is geweest, kan zij partijen vragen op de zaak betrekking hebbende bescheiden in het geding te brengen, dan wel de onderzoeker(
- s)vragen aanwezig te zijn tijdens de mondelinge behandeling van de zaak om een toelichting te geven op het verslag of om een oordeel te geven over stellingen van feitelijke aard die partijen inmiddels naar voren hebben gebracht. De ondernemingskamer is voorts (ambtshalve) bevoegd bij tussenbeschikking te gelasten dat het onderzoek wordt heropend. Daarbij heeft de Hoge Raad de beperking aangebracht dat personen die lid zijn (geweest) van de organen van de onderzochte rechtspersoon wel het recht hebben de bevindingen van de onderzoekers te bestrijden maar, vanwege de aard van de tweede procedure van de enquête waarin de wetgever eveneens spoed geboden achtte, in afwijking van de hoofdregel van art. 284 lid 1 Rv. geen recht hebben om tegenbewijs te leveren tegen voor hen nadelige bevindingen van de door de ondernemingskamer benoemde onderzoeker(s). Een aanbod om stellingen te bewijzen door getuigenverklaringen en andere bewijsmiddelen mag in dat geval (impliciet) worden gepasseerd. Bespreking van de onderdelen 3.32 Onderdeel 1 is gericht tegen het door de ondernemingskamer in rechtsoverweging 2.9, tweede volzin, geformuleerde uitgangspunt dat de onderzoeker vrij is in de uitvoering van het aan hem opgedragen onderzoek en dat hij dit onderzoek naar eigen inzicht inricht. Het onderdeel klaagt dat de onderzoeker is gebonden aan de door de wet gestelde eisen en aan de (fundamentele) beginselen van behoorlijk onderzoek (en van een goede procesorde) zoals de beginselen van hoor en wederhoor, onafhankelijkheid, zorgvuldigheid en equality of arms. 3.33 Het onderdeel faalt. Daargelaten dat nadere regels kunnen worden gesteld en in de praktijk ook worden gesteld aan de wijze waarop de onderzoeker het onderzoek uitvoert (zie onder meer de Aandachtspunten van de ondernemingskamer) geeft het oordeel van de ondernemingskamer dat de onderzoeker in beginsel vrij is in de inrichting en uitvoering van het hem opgedragen onderzoek, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In zoverre is de onderzoeker te vergelijken met een deskundige voor wie hetzelfde geldt. Zoals ook blijkt uit de hierna volgende bespreking van onderdeel 2, heeft de onderzoeker m.i. daarbij – in het licht van de opvattingen daarover bij de wetgever, de literatuur en de aanbevelingen van de ondernemingskamer – geen (wettelijke) beginselen van behoorlijk onderzoek geschonden. 3.34 Onderdeel 2 richt zich tegen de oordelen van het hof in rechtsoverweging 2.9, vijfde tot en met zevende volzin. Daarin heeft het hof achtereen volgens geoordeeld dat (
- i)evenmin aannemelijk is geworden dat de onderzoeker aan [betrokkene] c.s. zou hebben toegezegd dat zij hun afgelegde verklaringen achteraf, na kennisneming van de concept-interviewverslagen nog zouden kunnen wijzigen; (
- ii)een dergelijke afspraak ook bepaald niet voor de hand ligt, [nu] een interviewverslag naar zijn aard een – zakelijke – weergave is van hetgeen betrokkene heeft verklaard, niet van hetgeen betrokkene (al dan niet bij nader inzien) had willen verklaren en (iii) de mededeling van de onderzoeker dat hij bij het verwerken van het commentaar van de geïnterviewden op de concept-interviewverslagen dit onderscheid heeft gemaakt en dat hij dienovereenkomstig aanvullingen en wijzigingen achteraf, waar relevant, als zodanig herkenbaar (door voetnoten) in de verslagen heeft verwerkt, met een niet ongebruikelijke en redelijke werkwijze van onderzoekers strookt. 3.35 Het onderdeel klaagt dat de ondernemingskamer met deze oordelen en de daarop gebaseerde conclusie in rechtsoverweging 2.10, heeft miskend dat uit het stelsel van de wet en/of uit de (fundamentele) beginselen van behoorlijk onderzoek (en van een goede procesorde) voortvloeit dat aan de persoon die wordt gehoord in het kader van een onderzoek als bedoeld in art. 2:345 BW het recht toekomt om, gelijk het recht van een getuige bij een proces-verbaal van een getuigenverhoor, in het door de onderzoeker opgestelde (concept)interviewverslag zodanige veranderingen en bijvoegingen te (laten) maken als hem goeddunkt. Betoogd wordt dat dit recht niet behoeft te berusten op een daartoe strekkende afspraak met of een toezegging van de onderzoeker, althans dat dit recht afhankelijk is van alle omstandigheden van het geval. Voorts wordt betoogd dat, hoewel het EHRM heeft geoordeeld dat in de onderzoeksfase geen beroep kan worden gedaan op art. 6 EVRM, degene die ‘informeel’ door de onderzoeker wordt gehoord dezelfde waarborgen moet hebben als degene die ‘formeel’ wordt gehoord ten overstaan van een rechter. Indien dit anders zou zijn kan de persoon die de onderzoeker wenst te horen er baat bij hebben zijn medewerking weigeren om vervolgens bij een regulier met waarborgen omkleed getuigenverhoor gehoord te worden. Daarnaast klaagt het subonderdeel dat de ondernemingskamer ten onrechte tot uitgangspunt neemt dat een belanghebbende zoals Energie Concurrent een onjuiste weergave van het interview in een eventuele tweede fase procedure aan de orde kan stellen. Deze mogelijkheid biedt weinig soelaas omdat de onjuistheden in het interviewverslag dan al gevolgen hebben gehad voor het onderzoeksverslag en een bestuurder zoals Energie Concurrent in de tweede faseprocedure bovendien niet het recht heeft om tegenbewijs te leveren tegen voor hem nadelige bevindingen van de door de ondernemingskamer benoemde onderzoeker(s). 3.36 Hoewel de bestreden oordelen alle feitelijk zijn, bepleit het onderdeel naar aanleiding daarvan de rechtsopvatting dat de geinterviewden [betrokkene] c.s. het recht toekomt wijzigingen en toevoegingen aan te (laten) brengen als hen goeddunkt. 3.37 Uit – de in cassatie niet bestreden – rechtsoverweging 2.7, rechtsoverweging 2.9, achtste volzin en de bij het verweerschrift van Energie Concurrent van 15 april 2013 gevoegde producties blijkt dat de onderzoeker in de onderhavige zaak de concept-interviewverslagen ter becommentariëring aan [betrokkene] c.s. heeft toegestuurd en dat zij aangepaste interviewverslagen aan de secretaris van de onderzoeker hebben geretourneerd. De (secretaris van
- de)onderzoeker heeft vervolgens de finale versies van de interviewverslagen aan [betrokkene] c.s. toegezonden, waarin zichtbaar is gemaakt welke opmerkingen van [betrokkene] c.s. niet zijn overgenomen en welke wijzigingen/aanvullingen [betrokkene] c.s. in de afgelegde verklaringen wilden aanbrengen. Deze – niet tijdens het interview maar nadien naar voren gebrachte – opmerkingen zijn in het finale verslag herkenbaar door noten. 3.38 De onderzoeker heeft hiermee toepassing gegeven aan het beginsel van hoor en wederhoor (zie de opmerkingen van de minister in de memorie van toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag van de wijziging van het enquêterecht, als hiervoor onder 3.16 en 3.24 vermeld) en voorts aan de aanbevelingen en richtlijnen op dit punt, zoals § 3.5 van de Aandachtspunten van de ondernemingskamer (zie hiervoor onder 3.19) en § 10.4 van de richtlijnen van Blanco Fernández, Holtzer en van Solinge (waarover eerder onder 3.17-3.18). 3.39 Het horen op de voet van art. 2:351 lid 1 BW van (gewezen) functionarissen en (oud)werknemers van de vennootschap is niet hetzelfde als het horen van een getuige zoals geregeld in Rv. Anders dan bij een getuigenverhoor waarbij van de getuigenverklaring op de voet van art. 180 Rv. een proces-verbaal wordt opgemaakt, is er dan ook geen op de wet gebaseerde verplichting voor de onderzoeker om van het horen van (gewezen) functionarissen en (oud)werknemers een gespreksverslag op te stellen. De bepaling van art. 180 lid 2 Rv. is dan ook niet op het gespreksverslag van toepassing. Met Hepkema meen ik dat een interviewverslag daarnaast ook een andere functie heeft dan een proces-verbaal van getuigenverhoor, nu het vooral een hulpmiddel is voor de onderzoeker bij het opstellen van het onderzoeksverslag, en bovendien de vertrouwelijkheid van de gesprekken moet worden gewaarborgd . 3.40 In de memorie van toelichting op de wijziging van het enquêterecht is het nieuwe vierde lid van art. 2:351 BW dat bepaalt dat de onderzoekers degenen die in het onderzoeksverslag worden genoemd in de gelegenheid moet stellen om kennis te nemen van wezenlijke bevindingen in het (ontwerp)verslag die op die personen betrekking hebben, verduidelijkt met de opmerking dat de onderzoekers niet verplicht zijn om eventuele opmerkingen van de betrokken personen ten aanzien van de bevindingen over te nemen en het verslag aan te passen, omdat de onderzoekers de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het oordeel over de feiten en omstandigheden behouden. Als de onderzoeker al niet verplicht is om opmerkingen over onderzoeksverslag over te nemen, geldt dit m.i. temeer met betrekking tot het gespreksverslag. 3.41 Ook art. 198 lid 2 Rv., indien al rechtstreeks toepasselijk, geeft de deskundige de vrijheid om te bepalen op welke wijze hij uitvoering wil geven aan het voorschrift om partijen gelegenheid te bieden opmerkingen te maken en verzoeken te doen. De bepaling bevat geen verplichting voor de deskundige om partijen gelegenheid te bieden om nog te reageren op verwerking van de opmerkingen en verzoeken van partijen in het rapport, nu partijdebat over het deskundigenbericht niet bij de deskundige behoort plaats te vinden, maar in de verdere procedure bij de rechter, laat staan, zo voeg ik toe, dat de deskundige de opmerkingen een op een moet overnemen. 3.42 Uit het voorgaande volgt dat de verstrekkende eis die het onderdeel tot uitgangspunt neemt, geen steun vindt in een wettelijke bepaling of de parlementaire geschiedenis van de (de herziening van) het enquêterecht, noch in de Aanbevelingen van de ondernemingskamer, de richtlijnen van Blanco Fernández, Holtzer en van Solinge, of de literatuur inzake het enquêterecht, noch in de regeling van en literatuur over het deskundigenbericht als bedoeld in art. 194 e.v. Rv. 3.43 Zoals hiervoor vermeld, kan Energie Concurrent in een eventuele tweede fase de bevindingen in het – op de interviewverslagen – gebaseerde onderzoeksverslag bestrijden. Dat er in de tweede fase procedure voor personen die lid zijn (geweest) van de organen van de onderzochte rechtspersoon geen recht op tegenbewijs bestaat, is onvoldoende reden om toe te staan dat gehoorde personen gespreksverslagen mogen wijzigen en aanpassen zoals hen goeddunkt. Onderdeel 2 kan mitsdien niet tot cassatie leiden. 3.44 Onderdeel 3 is gericht tegen de zevende volzin van rechtsoverweging 2.9 en klaagt dat, indien de ondernemingskamer er vanuit gaat dat de onderzoeker al het commentaar van betrokkenen op de concept-interviewverslagen heeft verwerkt en alle aanvullingen en wijzigingen achteraf als zodanig herkenbaar in de verslagen heeft verwerkt, dat oordeel onbegrijpelijk is gezien de onweersproken stelling van Energie Concurrent dat het commentaar van betrokkenen ten dele niet is opgenomen. 3.45 De ondernemingskamer heeft in de bestreden volzin uiteengezet dat de onderzoeker bij de verwerking van het commentaar van [betrokkene] c.s. – kort gezegd – onderscheid heeft gemaakt tussen opmerkingen op het concept-interviewverslag en het aanbrengen van wijzigingen in de afgelegde verklaringen. Voorts blijkt uit het tussenvoegsel “waar relevant” dat aanvullingen en wijzigingen achteraf slechts voor zover relevant, herkenbaar in het verslag zijn verwerkt. Het onderdeel mist dan ook feitelijke grondslag. 3.46 Onderdeel 4 is gericht tegen de oordelen van het hof in rechtsoverweging 2.9, derde en vierde volzin en het daarop gebaseerde oordeel in rechtsoverweging 2.10, waarin het hof heeft geoordeeld dat (
- i)er geen algemene regel bestaat die de onderzoeker verplicht om aan degenen die hij in het kader van zijn onderzoek hoort een geluidsopname ter beschikking te stellen van het desbetreffende gesprek en (
- ii)dat gelet op de mededelingen van de onderzoeker en Eneco ter zitting niet aannemelijk is geworden dat [betrokkene] c.s. er op grond van uitlatingen van de onderzoeker op mochten rekenen dat de onderzoeker aan hen een kopie van de geluidsopnames zou verstrekken. Het onderdeel klaagt in de kern dat de ondernemingskamer aldus heeft miskend dat uit het stelsel van de wet of uit de beginselen van behoorlijk onderzoek (of van een goede procesorde), voortvloeit dat een geïnterviewde het recht toekomt om ten behoeve van het maken van veranderingen en aanvullingen op het verslag de beschikking dient te krijgen over (een kopie van) de door de onderzoeker gemaakte geluidsopname van het desbetreffende interview en dat dit recht niet behoeft te rusten op uitlatingen van (of een afspraak met) de onderzoeker. Onderdeel 5 klaagt, daarop voortbouwend, dat de ondernemingskamer in rechtsoverweging 2.10 heeft miskend dat het recht op (een kopie van) de door de onderzoeker gemaakte geluidsopname onverkort bestaat en niet afhankelijk is van een belangenafweging. Onderdeel 6 klaagt dat, indien het recht op afgifte wel afhankelijk is van een belangenafweging, het oordeel in de tweede volzin van rechtsoverweging 2.10 onbegrijpelijk of onvoldoende is gemotiveerd. 3.47 Het oordeel van het hof onder (
- i)is gelet op hetgeen ik bij onderdeel 1 en 2 heb opgemerkt, juist. Dit is niet anders indien het (concept)verslag niet (vrijwel) onmiddellijk na afname van het interview aan de betrokkene wordt voorgelegd. 3.48 Het oordeel van het hof onder (
- ii)is feitelijk en kan derhalve in cassatie niet met een rechtsklacht worden bestreden. Het oordeel is voorts, mede gelet op de in cassatie niet bestreden eerste volzin van rechtsoverweging 2.7 ook niet onbegrijpelijk. De onderdelen falen mitsdien. 3.49 Onderdeel 7 bouwt op de voorgaande onderdelen voort en behoeft gezien het voorgaande geen bespreking meer. 4Conclusie De conclusie strekt tot verwerping. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Ik heb de feiten voor zover in cassatie van belang, eerder opgenomen in mijn tussenconclusie van 21 februari 2014, maar vermeld ze hier voor de leesbaarheid opnieuw. Zie voor een volledig overzicht van de feiten de rov. 2.1-2.40 van de beschikking van de ondernemingskamer van 27 april 2012 (ECLI:NL:GHAMS:2012:BW6048). Het procesverloop tot 21 februari 2014, voor zover in cassatie van belang, is ook weergegeven in mijn tussenconclusie van die datum. Zie voor het procesverloop de beschikking van de ondernemingskamer van 23 mei 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:2089, (ARO 2013/88, JOR 2013/240, m.nt. P.D. Olden) onder “1. Het verloop van het geding” met verwijzing naar de eerdere beschikkingen van de ondernemingskamer van 27 april 2012, 3 mei 2012 (ECLI:NL:GHAMS:2012:BW6186) en 27 juli 2012. Zie de rov. 2.2 en 2.5 van de in noot 1 genoemde beschikking van de ondernemingskamer van 27 april 2012. Zie rov. 2.40 van de in noot 1 genoemde beschikking van de ondernemingskamer van 27 april 2012. Zie het cassatieverzoekschrift onder 2.2 en het verweerschrift onder 1d. Zie de bestreden beschikking van 23 mei 2013 onder 1.4. Dienaangaande heeft de ondernemingskamer bij beschikking van 21 juni 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2014:BX8601) beslist dat het onderzoek ten hoogste € 225.000 (exclusief BTW) mag kosten. Zie voorts rov. 1.4 van de beschikking van de ondernemingskamer van 9 januari 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:16), waarin de ondernemingskamer de vergoeding van de onderzoeker heeft vastgesteld op het bedrag van € 225.000 (exclusief BTW). Het verzoekschrift is op 22 augustus 2013 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Het verzoekschrift bevat op p. 2 een voorbehoud tot aanvulling van het cassatiemiddel nadat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 mei 2013 zal zijn ontvangen. Van dat voorbehoud is geen gebruik gemaakt. Zie de beschikking van de ondernemingskamer van 9 januari 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:16) (rov. 1.5-1.6). Zie de Borgersbrieven van de cassatieadvocaat van Eneco van 25 februari 2014 en van de cassatieadvocaat van Energie Concurrent van 7 maart 2014. In wezen twee afzonderlijke verzoekschriftprocedures die beide eindigen met een eindbeschikking. HR 20 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7322, (OR 2010/29 m.nt. Geerts). HR 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8831, (NJ 2002/225); HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440, (NJ 2003/486); HR 4 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR8899, (NJ 2005/127), waarover J.W.H. van Wijk in De Hoge Raad en het enquêterecht: een overzicht, OR 2007/117. Deze groep is overigens met de wetswijziging per 1 januari 2013 uitgebreid (zie art. 2:346 BW, Kamerstukken II, 2010-2011, 32 887, nr. 3, p. 5-17 en p. 27). Zie voor de actuele situatie voetnoot 7. Anders dan ten aanzien van het met ingang van 1 januari 2013 inwerking getreden art. 2:350 lid 4 BW waaraan Eneco in haar verweerschrift onder 6 refereert. Besluit van 29 juni 2012 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de wet van 18 juni 2012 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van het recht van enquête, Stb. 2012/305. Stb. 2012/274. Kamerstukken II, 2010-2011, 32 887, nr. 3, p. 38. Art. III van de Wet van 18 juni 2012 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van het recht van enquête (Stb. 2012/274) bepaalt – voor zover van belang – dat “het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing blijft ten aanzien van zaken waarin het verzoek als bedoeld in artikel 345 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is ingediend voor dat tijdstip.” Zowel in haar verweerschrift in cassatie (onder 5), als in de Borgersbrief van haar cassatieadvocaat van 25 februari 2014. Toelichting Meijers, Parl. Gesch. Bk 3, p. 915. Zie ook Jongbloed, GS Vermogensrecht, art. 3:303 BW, aant. 6. HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5010, (NJ 2006/443, m.nt. G. van Solinge); HR 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1234, (NJ 1990/466). Zie onder 1.1. Cassatieverzoekschrift, 3.1-3.7. Cassatieverzoekschrift onder 1. Ook wel ‘rapporteur’ of ‘enquêteur’ genoemd, zie bijv. resp. J.M. Blanco Fernández, M. Holtzer, G. van Solinge, “Richtlijnen voor de onderzoeker in de enquêteprocedures”, 2004, § 5 en P.G.F.A. Geerts, Enkele formele aspecten van het enquêterecht, 2004, p. 145. HR 4 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7240, (NJ 1997/671); HR 27 september 2000 (Gucci), ECLI:NL:HR:2000:AA7245, (NJ 2000/653) en “Aandachtspunten, aanbevelingen en suggesties voor onderzoekers in enquêteprocedures (artikel 2:345 BW)” van de ondernemingskamer, Te raadplegen via www.rechtspraak.nl/Organisatie/Gerechtshoven/Amsterdam/OverHetGerechtshof/Organisatie/Ondernemingskamer. Zie J. Beurkens, V&O 2011, nr. 6, p. 115 en Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/774. Asser 2-II* 2009/774 met verwijzing naar de art. 2:350 lid 3 BW t/m art. 2:352a BW. Geerts, a.w., p. 145 met verwijzing naar R.M. Hermans, Het onderzoek in de enquêteprocedure, in: Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2002-2003, p. 155-157; Richtlijnen Blanco Fernández, Holtzer en G. van Solinge, afdeling 1, § 1. HR 31 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2483, (NJ 1996/431 m.nt. Maeijer). Beurskens, t.a.p., p. 115. S. Hepkema, De onderzoeker in het enquêterecht: beschermd of bevoogd?, Ondernemingsrecht 2012/135, p. 1-11, met name p. 6. Asser 2-II* 2009/776; Geerts, a.w., p. 145; Hermans, t.a.p., p. 123. L.P. van den Blink, Enige ervaringen van een enquêteur, in: Willems’ wegen, Opstellen aangeboden aan prof. mr. J.H.M. Willems, 2010, p. 61. ECLI:NL:GHAMS:1983:AC8007, (NJ 1984/481 m.nt. Maeijer) en (TVVS 1986, p. 51 m.nt. Slagter) (Linders Hofstee). Zie daarover ook Beurskens, t.a.p., p. 116. Asser 2-II* 2009/776 met verwijzing naar OK 9 oktober 2006, (JOR 2007/9) (UMI). Hermans, Het onderzoek in de enquêteprocedure, t.a.p., p.125-126 en Geerts, a.w., p. 146. Geerts, a.w., p. 146. Dit hangt samen met zijn opvatting over de positie van de onderzoeker, waarover hierna onder 3.26. Hermans, Het onderzoek in de enquêteprocedure t.a.p., p.127 met verdere verwijzing. EHRM 19 maart 2002, ECLI:NL:XX:2002:AG8133, (JOR 2002/127; OR 2002/32) L. Timmerman en D.M. Thierry, De onderzoeker in het vennootschappelijke enquêterecht, TREMA Special 2004, p. 215-220, met name p. 219. Zie voorts Kamerstukken II, 2010-2011, 32 887, nr. 6, p. 30: “De onderzoekers doen onderzoek en leveren materiaal aan op basis waarvan een rechter kan oordelen. De rechter is echter niet gebonden aan de bevindingen van het onderzoek.” HR 4 juni 1997, Text Lite, ECLI:NL:HR:1997:AG7240, (NJ 1997/671 m.nt. Maeijer), rov. 4.4.2, waarover Hermans, Het onderzoek in de enquêteprocedure, t.a.p., p. 127 en noot 65. Zie Geerts, a.w., § 3.4, p. 159 e.v. HR 25 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0710, (JOR 2010/226) met verwijzing naar EHRM 19 maart 2002, ECLI:NL:XX:2002:AG8133, (JOR 2002/127; OR 2002/32) Hof Amsterdam (OK) 18 maart 1976, ECLI:NL:GHAMS:AC5709, (NJ 1978/317 m.nt. Wachter). Hermans, Het onderzoek in de enquêteprocedure, t.a.p., p. 150 e.v. J.M. Blanco Fernández, M. Holtzer, G. van Solinge, Richtlijnen voor de onderzoeker in de enquêteprocedures, 2004. Deze richtlijnen worden in de praktijk door onderzoekers soms als leidraad gebruikt maar hebben geen officiële status, zie de richtlijnen, p. 13 en S.M. Bartman, M. Holtzer, Enquêterecht voorzichtig onder het mes, OR 2010/14, nr. 5 met verdere verwijzing in noot 64. Zie ook Bartman/Holtzer, t.a.p., p. 8. Uit de algemene regel van hoor en wederhoor leidt Hermans vervolgens een aantal subregels af, zie § 7.5, p. 157 e.v. Te raadplegen via www.rechtspraak.nl/Organisatie/Gerechtshoven/Amsterdam/OverHetGerechtshof/Organisatie/Ondernemingskamer. Zie ook de Preambule onder F. Kamerstukken II, 2010-2011, 32 887, nr. 6, p. 29 en 30. Kamerstukken II, 2010-2011, 32 887, nr. 3, p. 25; Kamerstukken II, 2010-2011, 32 887, nr. 6, p. 24 e.v. Zie ook Bartman/Holtzer, t.a.p., nr. 5. Kamerstukken II, 2010-2011, 32 887, nr. 3, p. 25. Richtlijnen, p. 51. De eerste versie van de Aandachtspunten van 2011 is niet meer te raadplegen via internet en heb ik ambtshalve opgevraagd bij de ondernemingskamer. Bedoeld wordt het onderzoeksverslag van art. 2:351 lid 4 BW. Zie daarover R.M. Hermans, Gewijzigde aandachtspunten, aanbevelingen en suggesties voor onderzoekers, Ondernemingsrecht 2013/96, nr. 6. Hermans, Het onderzoek in de enquêteprocedure, t.a.p., p. 168. Hermans, Het onderzoek in de enquêteprocedure, t.a.p., p. 169. Van den Blink, t.a.p., p. 60. Hepkema, t.a.p., p. 7 en 8. Zie echter de nadien opgenomen aanbeveling in § 4.3 in de tweede versie van de Aandachtspunten uit 2013. H.J. de Kluiver, Rol en functie van onderzoekers en de positie van de (advocaat van
- de)onderzochte vennootschap in het enquêterecht, in: Willems’ wegen, Opstellen aangeboden aan prof. mr. J.H.M. Willems, 2010, p. 243. Kamerstukken II, 2010-2011, 32 887, nr. 6, p. 30. Zie daarover M.W. Josephus Jitta, Het wetsvoorstel tot wijziging van het enquêterecht, Ondernemingsrecht 2011/105, § 3, p. 8 en A.F.J.A. Leijten en M.P. Nieuwe Weme, Het wetsvoorstel aanpassing enquêterecht, in: Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2011-2012, § 5.1, p. 153 e.v. Zie ook Hermans, Het onderzoek in de enquêteprocedure, t.a.p., p. 158, die in zijn opvatting dat de onderzoekers bij hun onderzoek het beginsel van hoor en wederhoor moeten toepassen ook naar art. 198 lid 2 Rv. verwijst. In de ter consultatie voorgelegde concept-toelichting (p. 26) is de rechtspraak met betrekking tot deskundigen overigens uitgebreider aan de orde geweest. Wetsgeschiedenis (Bundel NV en BV), p. Xe-12. Geerts, a.w., p. 137 e.v., 170. Hermans, Het onderzoek in de enquêteprocedure, t.a.p., p. 119 met verdere verwijzing in noot 36. Zie ook M.W. Josephus Jitta, Enkele gedachten over het formele enquêterecht; is het efficiënt wanneer de dienstmaagd moeder wordt?, preadvies van de Vereeniging ‘Handelsrecht’, 2004, p. 25, noot 52. D.M. Thierry, Een nader onderzoek in de enquêteprocedure, Ondernemingsrecht 2002-14, p. 429-432. Van den Blink, t.a.p., p. 60. Timmerman/Thierry, t.a.p., p. 217. Zie ook Hermans, t.a.p., p. 119; Asser 2-II* 2009/775; W.G. van Hassel, De enquête: een juridisch niemandsland?, in Willems’ wegen, Opstellen aangeboden aan prof. mr. J.H.M. Willems, 2010, p. 144; GS rechtspersonen, artikel 351 Boek 2 BW, aant. 3.1 met verwijzingen; Thierry, t.a.p., p. 430 meent zover de regeling van het deskundigenbericht wel van toepassing zou kunnen zijn, dit niet geldt voor bepalingen die te veel inbreken in deze systematiek zoals art. 194 lid 5 Rv.; Beurskens, t.a.p., p. 115-116 en noot 7, wijst erop dat het onderzoeksverslag betreffende Ahold in de strafrechtelijke procedures tegen de individuele bestuurders van Ahold als een deskundigenverslag (in strafvorderlijke zin) is aangemerkt. Parl. Gesch. Nieuw Bewijsrecht, p. 344. HR 20 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2141, (NJ 1997/328 m.nt. G.R. Rutgers), rov. 3.1. Zie voor een voorbeeld van een dergelijke werkwijze bijv. HR 20 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2141, (NJ 1997/328 m.nt. G.R. Rutgers). G. de Groot, Het deskundigenadvies in de civiele procedure, diss. 2008, § 6.4.2.1 en Civiel deskundigenbewijs, 2012, § 5.5.2.4. Zie over het enquête-onderzoek en art. 6 EVRM A.J.P. Schild, De invloed van het EVRM op het ondernemingsrecht, diss. 2012, § 5.4.3-5.4.7. De Groot, 2012, § 5.6.3.2-5.6.3.3. De Groot, 2012, § 5.5.2.3. Zie ook Van Hassel, t.a.p., p. 142 die naar de beschikking van de ondernemingskamer van 28 juni 2001, (JOR 2001/48, m.nt. Van den Ingh) (De Vries Robbé) verwijst. HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5010, (NJ 2006/443 m.nt. G. van Solinge), rov. 3.11 en HR 10 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6078, (NJ 2010/483), rov. 3.5.2. HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5010, (NJ 2006/443 m.nt. G. van Solinge), rov. 3.9. Verwezen wordt naar art. 2:350-352a BW en/of art. 198 lid 1 en 2 Rv. Zie onder 3.1 en 4.7 van het cassatieverzoekschrift. Zoals de ondernemingskamer al in 1976 heeft geoordeeld, zie noot 48. Zie ook Bartman/Holtzer, t.a.p., nr. 5 met verwijzing naar art. 6 EVRM en het Text Lite-arrest van het EHRM. Vgl. ook de toelichting van de minister van Veiligheid en Justitie, Kamerstukken II, 2010-2011, 32 887, nr. 3, p. 25, dat het onderzoek moet worden toegesneden op de omstandigheden van het geval, zodat er geen aanleiding is om in de wet een gedetailleerde regeling ten aanzien van de onderzoeksfase op te nemen. Parl. Gesch. Nieuw Bewijsrecht, p. 344. Verwezen wordt naar art. 180 lid 2 Rv. Zie Hepkema, t.a.p., p. 7 en 8. Kamerstukken II, 2010-2011, 32 887, nr. 3, p. 38. Zie ook de richtlijnen, p. 51. Zie De Groot, hiervoor onder 3.30 weergegeven. HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5010, (NJ 2006/443 m.nt. G. van Solinge). Het onderdeel verwijst hiervoor naar de pleitnota van Energie Concurrent onder 14 en de e-mails van de secretaris van de onderzoeker van 15 februari 2013 en 8 maart 2013 (productie 1 bij het verweerschrift van Energie Concurrent van 15 april 2013).