Nr. 13/00533 Mr. Machielse Zitting 4 maart 2014 Conclusie inzake: [verdachte]
(1)arm van de verdachte vastpakten. Ik zag dat hierop een worsteling ontstaat tussen de twee collega's en de verdachte waarop de collega's trachten de armen en van verdachte op zijn rug te krijgen en waarbij de verdachte zijn arm niet buigt en zich kennelijk verzet bij de aanhouding." Het hof heeft in het arrest aan dit feit nog onder meer de volgende overweging gewijd: "Het hof overweegt daarbij in het bijzonder ten aanzien van feit 2 (parketnummer 05-701726-11): Uit het proces-verbaal van aanhouding van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (proces-verbaal van politie, blz 28 e.v.) blijkt dat [verbalisant 3] voelde dat verdachte – toen verbalisanten hem wilde boeien – zijn linkerarm in tegengestelde richting wilde bewegen. [verbalisant 4] voelde dat verdachte zijn rechterarm in tegengestelde richting wilde bewegen. Verdachte heeft vervolgens wild bewogen en zijn armen voor zijn lichaam gehouden. Het hof is van oordeel dat deze tegenwerkende handelingen van verdachte zijn aan te merken als rukken en trekken in een richting tegengesteld aan die waarin de ambtenaren verdachte trachtten te bewegen, zoals tenlastegelegd. Anders dan de raadsman heeft betoogd levert het bewezenverklaarde zoals hierna aangegeven tevens een strafbaar feit op. Het verweer wordt verworpen." 3.
- Aldus staat wel vast dat verdachte zich heeft verzet. Tevens staat vast dat de verbalisanten verdachte hadden aangehouden, in welke woorden besloten ligt dat zij de bevoegdheid van artikel 53 Sv hebben uitgeoefend met het oog op een voorgeleiding van verdachte voor de officier van justitie of een van diens hulpofficieren. Uit de overweging in het verkort arrest en de gebezigde bewijsmiddelen is wel duidelijk hoe de bewezenverklaring is bedoeld, nl. om aan verdachte te verwijten dat hij zich heeft verzet door met zijn armen te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin die ambtenaren verdachtes armen trachtten te geleiden. Als de Hoge Raad bereid is de bewezenverklaring op deze wijze te lezen, komt de feitelijke grondslag aan deze klacht te ontvallen. Mijn voorstel strekt daartoe. 4.
- Het tweede middel klaagt over de veroordeling voor feit 1 van parketnummer 05/703186-
- Dat de opsporingsambtenaar [verbalisant 1] enig lichamelijk letsel heeft bekomen, is niet uit enig bewijsmiddel af te leiden. 4.
- Het gaat om het volgende. Bewezenverklaard is dat "hij op 02 juli 2010 te Zevenaar, toen aldaar dienstdoende verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1], beiden hoofdagent van politie, verdachte op verdenking van het overtreden van een of meer (verkeers-) overtredingen (inrijden in strijd met een geslotenverklaring en het niet voldoen aan een vordering als bedoeld in artikel 34 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften) op heterdaad ontdekt, hadden aangehouden en vastgegrepen, teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een politiebureau te Arnhem, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner/hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin voornoemde opsporingsambtenaren hem verdachte trachtten te geleiden en door een of meer schoppende bewegingen te maken, ten gevolge waarvan de opsporingsambtenaar [verbalisant 1] enig lichamelijk letsel (kneuzing rechter schouder) bekwam". 4.
- Dat zich de strafverzwarende omstandigheid van artikel 181, aanhef en onder 1 Sr heeft voorgedaan, kan inderdaad niet uit enig gebezigd bewijsmiddel blijken. Gelet op de zeer aanmerkelijke strafverzwaring die deze omstandigheid met zich brengt, meen ik dat het niet aangewezen is om het bewijs van deze strafverzwarende omstandigheid als een kennelijke vergissing te beschouwen en de bewezenverklaring te lezen zonder deze strafverzwarende omstandigheid. Het arrest dient daarom in zoverre te worden vernietigd.
- Aan het eerste middel komt de feitelijke grondslag te ontvallen door verbeterde lezing van een onderdeel van de bewezenverklaring. Het tweede middel is gegrond. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
- Deze conclusie strekt tot verbeterde lezing van de bewezenverklaring van feit 2 van parketnummer 05/701726-11, tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het betreft de beslissingen over feit 1 van parketnummer 07/703186-10 en de strafoplegging en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden HR 16 december 2003, NJB 2004, nr. 28, p. 245; HR 15 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3482; HR 15 mei 2012, NJ 2012, 327 m.nt. Klip.