14/00564 mr. J.C. van Oven 23 mei 2014 Conclusie inzake: [eiser] eiser tot cassatie (mr. J.P. van den Berg) tegen de Staat der Nederlanden (Ministerie van Infrastructuur en Milieu) verweerster in cassatie (mrs. M.W. Scheltema en R.T. Wiegerink) In deze zaak is onteigening bij vervroeging gevorderd ten behoeve van de omlegging van de Rijksweg A9 nabij Badhoevedorp. Hiertegen is als verweer aangevoerd dat de onteigening leidt tot door het mededingingsrecht verboden bevoordeling van overheidsbedrijven. Die bevoordeling zou erin bestaan dat bij de tracékeuze de gronden van overheidsgelieerde ontwikkelaars zijn ontzien, ten koste van de gronden van gedaagde. In het vonnis waarbij vervroegd de onteigening is uitgesproken heeft de rechtbank dit verweer gepasseerd. Het middel komt hiertegen op met klachten die vooral betrekking hebben op (details van) de motivering die rechtbank voor de verwerping van dit verweer heeft gegeven. In verband met de uitvoering van hetzelfde werk zijn in cassatie nog vier andere onteigeningsprocedures aanhangig waarin mr. Van den Berg voor de onderscheidenlijke eisers tot cassatie optreedt en waarin ik vandaag concludeer: de zaak 14/00561 (Televerde / Staat), waarin de onderhandelingsplicht (art. 17 Ow) centraal staat, en de drie zaken 14/00562 ([A] / Staat), 14/00563 (Chipshol VII / Staat) en 14/00565 (mr. Van Schie q.q. / Staat), waarin dezelfde cassatieklachten zijn aangevoerd als in de onderhavige zaak. In mijn conclusie in de zaak Chipshol VII heb ik een algemeen gedeelte opgenomen (de nrs. 2 en 3), dat ik, om papierverspilling te voorkomen, heb weggelaten in mijn conclusies in de zaken [A], [eiser] en mr. Van Schie q.q. 1Procesverloop 1.1. De Staat heeft [eiser] bij exploot van 19 augustus 2013 gedagvaard voor de rechtbank Noord-Holland en gevorderd vervroegd uit te spreken de onteigening ten name van de Staat en ten algemenen nutte van een gedeelte ter grootte van 02.69.45 ha van het perceel kadastraal bekend Gemeente Haarlemmermeer, sectie [B], nummer [001], totaal groot 02.94.35 ha, kadastraal omschreven als “Terrein (Akkerbouw)” (grondplannummer [002]). 1.2 De Staat heeft aan [eiser] voor de ontneming van het te onteigenen perceelsgedeelte een schadeloosstelling aangeboden van € 673.625. 1.3 De gevorderde onteigening is gebaseerd op het Koninklijk Besluit van 29 mei 2013, nr. 13.001080, Stcrt. 3 juli 2013, nr. 16463. Bij dit besluit is ter uitvoering van het - onherroepelijke - Tracébesluit “Omlegging A9 Badhoevedorp” op grond van art. 72a Ow ter onteigening ten name van de Staat (onder meer) aangewezen het hierboven bedoelde perceelsgedeelte, dat volgens de kadastrale registratie aan [eiser] in eigendom toebehoort. Het werk omvat de omlegging van de Rijksweg A9 (omlegging Badhoevedorp), vanaf het knooppunt Raasdorp (A9 km. 38,71) tot de aansluiting op de bestaande Rijksweg A9 in de richting van Amstelveen/knooppunt Holendrecht op het punt circa 70 meter voor de afslag Aalsmeer (afslag 6, A9 km. 32,60) alsmede de reconstructie van het knooppunt Badhoevedorp, met bijkomende werken in de gemeente Haarlemmermeer. 1.4 In de basisregistratie van het kadaster is [eiser] geregistreerd als eigenaar van de onroerende zaak waartoe het perceelsgedeelte dat de Staat wil onteigenen behoort. Tevens is ingeschreven een koopovereenkomst van 29 mei 1991 waarbij de onroerende zaak is verkocht aan Chipshol I B.V. (hierna: Chipshol I). In deze overeenkomst heeft [eiser] Chipshol I gemachtigd namens hem al zijn rechten als juridisch eigenaar uit te oefenen en tevens Chipshol I een onherroepelijke volmacht tot levering verleend. Chipshol I is daarom aan te merken als economisch eigenaar van het perceelsgedeelte. 1.5 [eiser] heeft verweer gevoerd tegen de gevorderde onteigening en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de Staat in de door hem gevorderde onteigening, althans deze vordering af te wijzen. In dat kader heeft [eiser] een beroep gedaan op art. 25j lid 1 Mededingingswet (Mw). 1.6 Bij incidenteel vonnis van 9 oktober 2013 heeft de rechtbank N.V. Landinvest (hierna: Landinvest) - in haar hoedanigheid van houder van een tweede recht van hypotheek op het perceelsgedeelte - toegelaten als tussenkomende partij in het in de hoofdzaak aanhangige geding tot onteigening. Landinvest heeft in de hoofdzaak geconcludeerd tot referte wat betreft de gevorderde onteigening. 1.7 Nadat partijen de zaak op 15 november 2013 hadden doen bepleiten, heeft de rechtbank bij vonnis van 18 december 2013 ten name van de Staat de gevorderde vervroegde onteigening uitgesproken, het door de Staat te betalen voorschot op de schadeloosstelling bepaald op € 673.625, een deskundigenonderzoek ter begroting van de schadeloosstelling bevolen en bepaald dat het voorlopig oordeel van de - reeds eerder op de voet van art. 54a Onteigeningswet (Ow) benoemde - deskundigen zal gelden als een conceptdeskundigenrapport ter begroting van de schade in de onderhavige procedure. 1.8 Bij akte houdende verklaring van cassatie van 31 december 2013 heeft [eiser] (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van 18 december 2013. De cassatieverklaring heeft hij bij exploot van 15 januari 2014 (tijdig) aan de Staat laten betekenen met dagvaarding in cassatie. De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep en verzocht om spoedbehandeling. Partijen hebben hun respectieve standpunten nader schriftelijk toegelicht. [eiser] heeft gerepliceerd. 2Bespreking van het cassatiemiddel 2.1 Het middel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank (rov. 4.6.-4.7) dat het op het mededingingsrecht (meer bepaald: art. 25j lid 1 Mw) gebaseerde verweer wordt gepasseerd alsmede tegen het oordeel (rov. 4.8) dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld voor een eventueel beroep op misbruik van recht. 2.2 Het middel bevat drie onderdelen (a-c). Alvorens op de klachten van deze onderdelen in te gaan, stel ik vast dat het middel - naar mij dunkt terecht - niet is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.7 dat de Mededingingswet niet strekt tot bescherming van (privaat) eigendom maar tot bevordering van de marktwerking en het bestrijden van onaanvaardbare concurrentiebeperking in het bedrijfsleven en dat daarom de omstandigheid dat bij de keuze in het tracébesluit mogelijk sprake is van bevoordeling van een overheidsbedrijf waarin de Staat zelf (indirect) participeert, niet kan afdoen aan de rechtsgeldigheid van het onteigeningsbesluit. 2.3 Onderdeel a klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat de stellingen van [eiser] over de bevoordeling van overheidspartijen niet alleen betrekking hadden op zijn beroep op art. 25j lid 1 Mw, maar ook op zijn betoog dat sprake is van misbruik van recht. 2.4 De klacht faalt naar mijn mening. De rechtbank is op het beroep van [eiser] op misbruik van recht niet diepgaand ingegaan omdat [eiser] daartoe naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende heeft gesteld (rov. 4.8). Ik interpreteer dit oordeel als volgt. Kennelijk zag de rechtbank in hetgeen mr. H.J.M. van Schie op de zitting van 15 november 2013 namens [eiser] heeft aangevoerd met betrekking tot de bevoordeling van overheidspartijen onvoldoende grond voor een oordeel dat de vordering tot onteigening zou moeten worden afgewezen omdat de Staat misbruik van recht maakt door die vordering in te stellen. Die visie van de rechtbank getuigt volgens mij niet van een onjuiste rechtsopvatting en lijkt mij ook begrijpelijk in het licht van de rechtspraak van Uw Raad en de omstandigheden (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.