Nr. 13/00775 A Zitting: 8 april 2014 Mr. Aben Conclusie inzake: [verdachte]
(1997)(hierna: SvC), om toepassing te geven aan de bevoegdheid van art. 358, eerste lid, SvC. Dit artikelonderdeel bepaalt, voor zover van belang, dat het Hof, indien aan het Hof de noodzakelijkheid blijkt van het verhoor van op de terechtzitting nog niet verhoorde deskundigen, tegen een door het Hof te bepalen tijdstip de dagvaarding van die deskundigen beveelt. Anders dan de vrij recente Nederlandse regeling van art. 315, derde lid, Sv, stipuleert art. 358, eerste lid, SvC niet met zoveel woorden dat het Hof een nieuwe deskundige kan benoemen, zodat het nog maar de vraag is of het in casu gedane verzoek überhaupt voor toewijzing vatbaar is. Niettemin heeft het Hof met toepassing van de noodzakelijkheidsmaatstaf geoordeeld dat het verzoek moet worden afgewezen.
- Het middel klaagt uitsluitend over de onbegrijpelijkheid van de verwerping. Het Hof heeft het verzoek ter zitting afgewezen door te overwegen dat de verdediging reeds in een vroeg stadium vragen heeft gesteld met betrekking tot het radaranalyserapport en dat er vervolgens een aanvullend proces-verbaal is gekomen, waardoor het Hof het niet noodzakelijk acht om de zaak aan te houden om alsnog een onafhankelijke radardeskundige te benoemen. In het bestreden vonnis is het Hof nader ingegaan op de door de verdediging naar voren gebrachte discrepanties die afbreuk zouden doen aan de betrouwbaarheid van het radaranalyserapport, en heeft het Hof geoordeeld dat en waarom er naar zijn oordeel geen feiten en omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat het radaranalyserapport onjuiste gegevens bevat. Gelet op dat oordeel en de daaraan ten grondslag liggende motivering, en mede gelet op hetgeen door de verdediging omtrent het radaranalyserapport is aangevoerd, acht ik ’s Hofs afwijzing van het verzoek voldoende begrijpelijk gemotiveerd.
- De tweede klacht houdt in dat voor gebruik van het tot het bewijs gebezigde radaranalyserapport onvoldoende steunbewijs voorhanden is. Deze klacht berust op de veronderstelling dat het radaranalyserapport een “ander geschrift” is als bedoeld in art. 387, eerste lid onder e, SvC, welke geschriften blijkens de bewoordingen van dat artikelonderdeel inderdaad slechts kunnen gelden in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Het Hof heeft dit rapport echter kennelijk – en m.i. niet onbegrijpelijk – opgevat als een “verslag van een deskundige” als bedoeld in art. 387, eerste lid onder d, SvC. Dit artikelonderdeel luidt: “Onder schriftelijke bescheiden worden verstaan: (…) d. verslagen van deskundigen behelzende hun gevoelen betreffende hetgeen hun wetenschap hen leert omtrent datgene wat aan hun oordeel onderworpen is”. Hoewel de steller van het middel terecht opmerkt dat deze bepaling nog de ‘bewijsbestemming’ bevat als in de oude tekst van art. 344, eerste lid onder 4 Sv, betekent dit m.i. niet dat daaronder geen rapporten zouden kunnen vallen als het onderhavige tot het bewijs gebezigde gedeelte van het radaranalyserapport, welk rapport is opgemaakt door [betrokkene 2], senior radaranalist, en welk rapport een weergave bevat van hetgeen de radar heeft gesignaleerd en voorts wat de analyse is van [betrokkene 2] van die radarsignaleringen. M.i. is dit rapport juist bij uitstek een voorbeeld van de in art. 387, eerste lid onder d SvC bedoelde “verslagen van deskundigen”. Reeds daarom faalt de klacht.
- Welwillend gelezen – want slechts in de toelichting op het middel opgemerkt – bevat het middel nog de klacht dat het bewezenverklaarde medeplegen van invoer van cocaïne van de bemanning van de “[A]” niet, althans niet zonder meer, uit de gebezigde bewijsmiddelen kan blijken. Nu deze klacht slechts voortborduurt op de reeds hiervoor verworpen klachten – de steller van het middel gaat er namelijk vanuit dat het Hof het radaranalyserapport met meer (steun)bewijs had moeten aanvullen en dat daarom het bewezenverklaarde medeplegen onvoldoende is gemotiveerd – behoeft de klacht geen bespreking.
- Het middel faalt in al zijn onderdelen en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO bedoelde motivering.
- Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, AG Dit artikelonderdeel luidde destijds gelijk aan het huidige Curaçaose artikelonderdeel. Het met ingang van 1 januari 2010 geldende art. 344, eerste lid onder 4 Sv luidt: “verslagen van deskundigen met het antwoord op de opdracht die aan hen is verleend tot het verstrekken van informatie of het doen van onderzoek, gebaseerd op wat hun wetenschap en kennis van hen leren omtrent datgene wat aan hun oordeel onderworpen is”. Vgl. HR 21 februari 1978, NJ 1978/
- In Nederland lijkt de Wet deskundige in strafzaken (Stb. 2009, 33) hierin verandering te hebben gebracht doordat met ingang van 1 januari 2010 uitsluitend rapportage die in opdracht (van justitie) is opgemaakt als verslag van een deskundige kan worden aangemerkt en als zodanig als bewijsmiddel kan worden gebruikt. Zie vorige voetnoot. Het lijkt er sterk op dat Uw Raad deze eis heeft gerelativeerd in HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8821, NJ 2011/516, m.nt. Reijntjes.