14/02005 Mr. L. Timmerman Parket, 28 mei 2014 Conclusie inzake: [verzoeker] verzoeker tot cassatie, (hierna [verzoeker]) 1. [verzoeker] heeft op 28 november 2013 een verzoekschrift ingediend tot het uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. 2. De rechtbank Den Haag heeft bij vonnis van 27 januari 2014 [verzoekers] verzoek afgewezen, omdat onvoldoende aannemelijk is dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Volgens de rechtbank zag [verzoekers] totale schuldenlast van € 45.063,02 voornamelijk op onterecht ontvangen geldsommen van de belastingdienst en het UWV en op vorderingen van kredietverstrekkers waaronder Laser Cards in verband met de aanschaf van allerhande luxe goederen voor [verzoekers] ex-vrouw. Deze schulden zijn niet alleen naar hun aard niet te goeder trouw, [verzoeker] wist of behoorde te weten dat hij de door hem ontvangen bedragen van de belastingdienst niet mocht behouden of besteden, zijn inkomsten uit arbeid aan het UWV had moeten doorgeven, en geen schulden moest aangaan voor andere dan noodzakelijke goederen, aldus de rechtbank. 3. Van dit vonnis is [verzoeker] bij verzoekschrift van 31 januari 2014 in beroep gegaan. Het gerechtshof Den Haag heeft in zijn arrest van 8 april 2014 het bestreden vonnis bekrachtigd en daartoe in rov. 5 het volgende overwogen: “5. Met inachtneming van dit criterium is het hof van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [verzoeker] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van een belangrijk deel van de schulden. Blijkens de schuldenlijst behorende bij de art. 285-verklaring heeft [verzoeker] een schuld aan de Belastingdienst van in totaal € 13.735, -. Ook indien deze schuld door afbetaling/verrekening is afgenomen (volgens de door [verzoeker] als productie I overgelegde bescheiden kennelijk met € 4.913,-), is deze schuld nog altijd zeer aanzienlijk. Deze schuld heeft betrekking op onterecht ontvangen geldsommen (toeslagen en inkomstenbelasting) over de jaren 2006 tot en met 2010, zoals de rechtbank heeft vastgesteld, tegen welk oordeel geen grief is gericht. De door [verzoeker] handgeschreven ontstaansdata bij de schuldenlijst houden echter in dat de schulden aanslagen van 2006 tot 2013 betreffen. Dat [verzoeker] erop mocht vertrouwen dat hij de van de Belastingdienst ontvangen gelden rechtmatig had ontvangen is niet aannemelijk geworden, te meer omdat [verzoeker] ter zitting van hof heeft verklaard dat hij de betreffende formulieren van de Belastingdienst heeft ingevuld door willekeurig kruisjes te zetten, naar eigen zeggen alsof hij een lotto-formulier invulde. Gelet daarop wist [verzoeker] dan wel behoorde hij te weten dat de grote geldsommen die de Belastingdienst op zijn rekening stortte op een fout berustten, althans had hij dienen na te gaan of hij wel recht had op deze bedragen. [verzoeker] valt van het ontstaan en onbetaald laten van de schuld aan de Belastingdienst dan ook een groot verwijt te maken. Verder heeft [verzoeker] een schuld aan het UWV van € 10.368,14. Deze schuld heeft betrekking op ten onrechte ontvangen WW-uitkering en is ontstaan doordat [verzoeker] naast zijn WW-uitkering inkomsten uit arbeid genoot. Ook van het ontstaan en onbetaald laten van deze schuld valt [verzoeker] een groot verwijt te maken. [verzoeker] wist althans behoorde te weten dat hij aan het UWV had moeten doorgeven dat hij inkomsten uit arbeid genoot, te meer nu de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten in 2004 en 2005 ook al bijstand had teruggevorderd omdat hij had verzuimd door te geven dat hij inkomsten uit arbeid genoot. Ook de schuld aan het UWV is niet te goeder trouw ontstaan en staat aan de toepassing van de schuldsaneringsregeling in de weg. Verder is aannemelijk geworden dat [verzoeker] tot 2012 schulden ten behoeve van zijn ex-vrouw, van wie hij in 2004 is gescheiden, is aangegaan. Zo blijkt uit de verklaring ex artikel 285 Fw dat [verzoeker] een schuld aan Laser Cards heeft van € 4.417,20, welke is ontstaan in 2012. [verzoeker] heeft in eerste aanleg verklaard dat de schuld onder andere is ontstaan door de aanschaf van een auto, een koelkast en een wasdroger voor zijn ex-vrouw. Dat [verzoeker] zoals hij in hoger beroep heeft aangevoerd slechts garant heeft gestaan voor de schulden van zijn ex-vrouw tussen 2004 en 2006 en dat de schuld aan Laser Cards is ontstaan in 2004, heeft hij niet met schriftelijke stukken kunnen onderbouwen of anderszins aannemelijk kunnen maken. [verzoeker] heeft een beroep gedaan op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw. Het hof is echter van oordeel dat er geen feiten of omstandigheden zijn die, ondanks het ontbreken van de goede trouw, toelating rechtvaardigen. Uit de stukken en ter zitting in hoger beroep is onvoldoende aannemelijk geworden dat de schulden het gevolg zijn van omstandigheden die [verzoeker] dusdanig onder controle heeft gekregen dat aan de hardheidsclausule toepassing kan worden gegeven. Afgezien daarvan wordt toepassing van die hardheidsclausule in dit stadium niet op zijn plaats geacht. Het gebrek aan goede trouw weegt daarvoor te zwaar.” 4 Het tegen dit arrest gerichte cassatierekest, dat op 16 april 2014 en derhalve tijdig is ingediend, telt twee middelonderdelen. 5 Onderdeel 1 richt zich tegen het oordeel van het hof dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [verzoeker] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van een belangrijk deel van de schulden. Volgens het onderdeel geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het ondeugdelijk gemotiveerd, omdat het hof (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.