Nr. 13/02445 Mr. Vegter Zitting 10 juni 2014 Conclusie inzake: [verdachte]
- Het Gerechtshof Leeuwarden heeft bij arrest van 20 december 2012 de verdachte ter zake van
- “afpersing” en
- “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden. Voorts heeft het Hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van een inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven pistool. Verder heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en verdachte dienaangaande een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals in het arrest nader is bepaald. Mr. B. Munneke, advocaat te Velsen, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld. Mr. D.R. Doorenbos, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie. 3.
- Het middel klaagt over een tussenuitspraak aangaande de voorlopige hechtenis. 3.
- In de schriftuur wordt de vraag voorgelegd of het openbaar ministerie in hoger beroep de verlenging van de voorlopige hechtenis moet vorderen – en de rechter in hoogste feitelijke instantie daarop moet beslissen – in de situatie waarin een eerste zitting in hoger beroep plaatsvindt binnen de zestig-dagen-termijn van art. 66, tweede lid, Sv. 3.
- In beginsel heeft de Hoge Raad niet de mogelijkheid om zich uit te laten over rechtsvragen die de voorlopige hechtenis betreffen. Op grond van de artikelen 71 en 87 Sv staat tegen beslissingen ten aanzien van de voorlopige hechtenis immers alleen hoger beroep open. Dit ligt anders wanneer er naar aanleiding van een tussen- of nevenuitspraak in cassatie over wordt geklaagd. Indien de Hoge Raad de betreffende rechtsvraag van belang voor de praktijk acht, worden dergelijke klachten besproken. Doorgaans is dat echter niet het geval. 3.
- Bij de bespreking van het middel mist de verdachte het vereiste belang. Ik voeg daar ten overvloede nog het volgende aan toe. Ook indien de voorlopige hechtenis lopende de appelprocedure wordt tenuitvoergelegd op grond van het door de rechtbank gegeven bevel, is er de periodieke toetsing door het Hof. Dat die waarborg wordt gerealiseerd, is bepalend. Het door de rechtbank gegeven bevel voorlopige hechtenis blijft van kracht indien het onderzoek door het Hof is aangevangen voordat zestig dagen na de dag van de einduitspraak van de rechtbank zijn verstreken (art. 66, tweede lid, Sv). Een dergelijk geval zal zich gelet op de korte tijdspanne niet spoedig voordoen, maar tevens is dat bij gelegenheid van de aanvang van het onderzoek door het Hof verzoeken inzake de voorlopige hechtenis kunnen worden gedaan. Verzoeken zijn bovendien mogelijk op eventueel noodzakelijke vervolgzittingen. De steller van het middel betoogt vooral dat de bewoordingen van de eerste en tweede volzin van het eerste lid van art. 75 Sv hierop niet aansluiten. De eerste volzin dwingt mijns inziens niet tot een nieuwe beslissing over de voorlopige hechtenis indien er nog een bevel loopt, terwijl er in de praktijk niemand is die zich op een ander standpunt stelt dan dat bij de tenuitvoerlegging van een bevel voorlopige hechtenis dat door de rechtbank is gegeven voor het Hof de in de tweede volzin genoemde bepalingen geacht worden van overeenkomstige toepassing te zijn. 3.
- Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden. 3.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaalbij de Hoge Raad der Nederlanden Zie ook Melai/Groenhuijsen, aantekening 4.7 bij art. 428 Sv (bewerkt door A. Dingemanse).
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.