← Nederland

ECLI:NL:PHR:2014:95

13/06129 Mr. L. Timmerman Zitting 31 januari 2014 Conclusie inzake: [verzoekster], verzoekster tot cassatie, (hierna: [verzoekster]). 1. [verzoekster] heeft in eerste aanleg een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ingediend, alsmede een verzoek tot oplegging van een gedwongen schuldregeling als bedoeld in art. 287a lid 1 Fw. De rechtbank Den Haag wees het tweede verzoek af (vonnis van 29 oktober 2013) en het door [verzoekster] gehandhaafde toelatingsverzoek toe (vonnis van 12 november 2013). Bij arrest van 3 december 2013 verklaarde het gerechtshof Den Haag [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot oplegging van een gedwongen schuldregeling, omdat [verzoekster] na het instellen van het hoger beroep door de rechtbank was toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. 2 Hiertegen richt zich het op 11 december 2013 (derhalve tijdig) ingediende cassatieverzoekschrift, dat in twee middelen aanvoert dat het oordeel van het hof in strijd is met art. 322 Fw, de devolutieve werking van het appel en met de opzet en strekking van de wettelijke regeling van de schuldsanering om zoveel mogelijk tot een buitengerechtelijke sanering van schulden van natuurlijke personen te komen. Dat laatste zou ’s hofs oordeel bovendien onbegrijpelijk maken. De middelen werpen de vraag op of een schuldenaar ontvankelijk is indien hij appelleert tegen de afwijzing van een bevel tot instemming met een schuldregeling terwijl hij reeds is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Die vraag is door de Hoge Raad in zijn arrest van 14 december 2012 (ECLI:HR:2012:BY0966; NJ 2013/43) ontkennend beantwoord. Het gerechtshof heeft voornoemd arrest aangehaald (zie rov. 4) en toepassing gegeven aan de erin vervatte rechtsregel. In cassatie staat vast dat [verzoekster] ten tijde van de beoordeling van het hoger beroep door het hof tot de schuldsaneringsregeling was toegelaten. In het voetspoor van de Hoge Raad heeft het hof aangenomen dat er in die situatie geen rechtsmiddel kan worden aangewend. Voor de veronderstelling dat het hof enige rechtsregel heeft miskend biedt het arrest geen grond. Waarom art. 332 Fw, de strekking van de wettelijke regeling of de devolutieve werking van het hoger beroep dit anders maken, licht het middel niet toe. Ook anders is mij dat niet duidelijk: art. 332 heeft betrekking op een andere kwestie (namelijk de stemming over een aan de schuldeisers aangeboden akkoord), de strekking van de wettelijke schuldsaneringsregeling ligt juist ten grondslag aan de thans toegepaste regel, terwijl de devolutieve werking van het hoger beroep er niet aan in de weg staat dat het hof op grond van rechtspraak van de Hoge Raad [verzoekster] niet-ontvankelijk verklaart. Dat het bestreden oordeel onbegrijpelijk is, kan in het licht van het voorgaande niet worden volgehouden. 3 De in cassatie geponeerde klachten kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Ik concludeer daarom tot toepassing van art. 80a lid 1 RO. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.