Nr. 12/04329 Zitting: 11 februari 2014 Mr. Vegter Conclusie inzake: [verdachte] 1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 14 augustus 2012 verdachte wegens 1. “diefstal door twee of meer verenigde personen”, 2. ‘medeplegen van moord” en 3. “mishandeling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts zijn beslissingen genomen omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen als nader in het arrest vermeld. 2. Namens verdachte heeft mr. G.J. Gerrits, advocaat te Arnhem, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. S.F.W. van ‘t Hullenaar, eveneens advocaat te Arnhem, bij schriftuur vijf middelen van cassatie voorgesteld. 3. Ten laste van de verdachte is onder 1 en 2 bewezenverklaard dat: “1: zij in de periode van 12 mei 2010 tot en met 13 mei 2010 te Nijmegen, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto (citroen/[AA-00-BB]) en autosleutels en autopapieren toebehorende aan [slachtoffer]. 2 primair: “zij in de periode van 12 mei 2010 tot en met 13 mei 2010 te Nijmegen, tezamen en in verenging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg de handen en/of polsen van [slachtoffer] heeft/hebben vastgebonden en [slachtoffer] heeft/hebben vastgepakt en (vervolgens) naar een bad heeft/hebben gesleurd en (vervolgens) in een bad heeft/hebben geduwd en [slachtoffer] onder water heeft/hebben geduwd en (vervolgens) [slachtoffer] meermalen met een mes in het lichaam (o.a. in de borststreek en de keelstreek) heeft/hebben gestoken tengevolge waarvan voornoemd persoon is overleden.” 4. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: “Ten aanzien van feit 1 1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage op pagina 116 en 118 van het proces-verbaal genummerd 2010047862) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [verbalisant 1]: Op 13 mei 2010 werd een onderzoek ingesteld in de woning [a-straat 1] te Nijmegen. De personenauto van het slachtoffer [slachtoffer] bleek niet meer voor de woning te staan. Deze auto werd als gestolen gesignaleerd. Het betreft een personenauto van het merk Citroen C3, kleur rood, voorzien van het kenteken [AA-00-BB]. 2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (als bijlage op pagina 776-782 van het proces-verbaal genummerd 2010047862) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 1]: [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte [verdachte]) en ik zijn naar [betrokkene 2] gegaan vlakbij de Hatertseweg. We wilden nog wat cocaïne roken, lk denk dat we een halfuurtje binnen zijn geweest. [verdachte] zei toen: “ik weet nog iemand, misschien kunnen we daar nog naar toe gaan”. Ze wilde daar naar toe om het bier en ze wilde kijken of ze nog cocaïne kon scoren. Het was de [a-straat 1] en de man heette [slachtoffer] hoorde ik later. [verdachte] vertelde dat die man een nieuwe auto had. Ze wilde die nieuwe auto meenemen om hem te verkopen en zo geld te maken. Van dat geld wilde ze cocaïne halen. Ze zei dat ze zou vragen aan die man of ze in bad mocht bij hem en als hij dan het bad vol zou laten lopen, dan zouden wij de autosleutels pakken en er met de auto vandoor gaan. Ik vond het goed. Onderweg gebeurde er nog iets. Ze pakte een papiertje van straat af en legde dat op een muurtje. lk zag dat zij de morfinemedicijnen pakte, de capsules openbrak en de inhoud op dat papiertje deed. Ze pakte ook oxexepan tabletten (het hof begrijpt: oxazepam). Ik zag dat ze die fijnmaakte met de hak van de laars die ze daarvoor had uitgetrokken. Ik zag dat ze dit fijngemaakte medicijn ook op het papiertje bij de morfinemedicijnen deed. Ik zag dat ze het papiertje dichtvouwde en in haar broekzak stak. [verdachte] en ik liepen door de gang naar binnen en gingen in de huiskamer op de bank zitten. [verdachte] vroeg of zij in bad mocht, dat was eigenlijk een afleidingsmanoeuvre. [slachtoffer] zegt: dat is goed. Hij liep naar boven om het bad vol te laten lopen. Ik vond de autosleutels naast de voordeur aan een spijker. Ik zag dat [verdachte] dat papiertje pakte waarin zij die morfinemedicijnen klein in gemaakt had en ik zag dat zij die medicijnen in het bier van [slachtoffer] deed. [slachtoffer] kwam naar beneden. Ik zag dat hij een slok bier nam uit dat flesje. Hij had een zwart mapje bij zich, daar zaten autopapieren in. [verdachte] had dat aan hem gevraagd. Hij gaf dit mapje aan mij om te kijken wat er allemaal op stond. Misschien om te bewijzen dat het een nieuwe auto was. Maar ja, ik had de papieren. Die man is weer naar boven gegaan. Ik heb de auto, een rode Citroen, opengemaakt en gestart. [verdachte] stapte bij mij in de auto. Vervolgens zijn we weggereden. Wij zijn die avond/nacht drie keer bij [slachtoffer] geweest. De eerste keer hebben we de auto gestolen. 3. Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 20 april 2011 van de meervoudige kamer in de rechtbank Arnhem, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven – als verklaring van verdachte: [betrokkene 1] en ik gingen in de nacht van 12 op 13 mei 2010 een biertje halen bij [slachtoffer] in Nijmegen. We kwamen bij [betrokkene 2] vandaan. [betrokkene 1] en ik zijn weggegaan met de auto. [betrokkene 1] is naar de dealer gegaan en kwam terug met een paar bolletjes. We hebben de bolletjes gebruikt. Ik vroeg aan [betrokkene 1] waar de autosleutels waren en [betrokkene 1] zei dat hij die aan de dealer had gegeven. 4. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 3 1 juli 2012, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Ik was boven met [slachtoffer] en [betrokkene 1] was alleen beneden. Toen ik beneden kwam had [betrokkene 1] de sleutels van de nieuwe auto van [slachtoffer]. Ik heb de cocaïne mee opgerookt. Die cocaïne was gekocht in ruil voor de auto van [slachtoffer]. We zijn zonder auto bij [slachtoffer] teruggekomen. Ik wist wel dat [slachtoffer] auto was verdwenen, [betrokkene 1] en ik zijn er samen mee weggegaan. [slachtoffer] had hiervoor geen toestemming gegeven. Ten aanzien van feit 2 5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 142-144 van het proces-verbaal genummerd 2010047862) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3]: Op 13 mei 2010 werd ik, verbalisant [verbalisant 3] door de chef van dienst gebeld. Hij vroeg ons te rijden naar de [a-straat 1] te Nijmegen. De buurman van nummer [2] had de politie gebeld met de mededeling dat al geruime tijd de voordeur van zijn buurman op een kier openstond en dat hij de hond hoorde blaffen. Hierop zijn wij naar de genoemde woning gelopen. lk, [verbalisant 2], ben via de gang de woonkamer ingelopen Op dat moment hoorde ik collega [verbalisant 3] roepen dat hij een lijk had ontdekt op de bovenverdieping. Ik, [verbalisant 3], ben de in de hal gelegen trap opgelopen naar de bovenverdieping. lk zag twee blote voeten op de rand van een badkuip liggen. Ik ben vervolgens de badkamer ingelopen. Ik zag toen een geheel naakte man in de badkuip liggen. Ik zag dat deze man met zijn bovenlichaam in het water lag. Ik [verbalisant 2], zag een manspersoon in een badkuip liggen. De man had een ‘vers’ bebloed gezicht aan de linkerzijde. Ook in de hals en op de borst was bloed zichbaar. Wij, verbalisanten zagen dat het bad bijna tot aan de rand gevuld was met water. Wij zagen dat het water licht rood van kleur was. We konden concluderen dat de man dood was. 6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 145 van het proces-verbaal genummerd 2010047862) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5]: Op 15 mei 2010 werd in bijzijn van ons verbalisanten, het stoffelijk overschot getoond van [slachtoffer], gewoond hebbend op het adres [a-straat 1] te Nijmegen. [betrokkene 3] en [betrokkene 4] zijn zussen van de overleden [slachtoffer]. Wij hoorden dat [betrokkene 4] zei: ‘ja, dat is onze broer”. 7. Het pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, genummerd 2010.05.12.054, opgemaakt door dr. V. Soerdjbalie-Makoe, arts en patholoog, werkzaam als deskundige bij het NFI, gesloten en getekend op 30 juni 2010 (als bijlage op pagina 378-380 van het proces-verbaal genummerd 2010047862) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Voorafgaand aan en bij sectie op het lichaam van [slachtoffer], geboren [geboortedatum] 1945, is het navolgende gebleken: A3: Er waren in totaal 2 schuin verlopende scherprandige huidperforaties met onderhuidse bloeduitstorting. De ene was gelegen aan de baardstreek, net onder de kin ter lengte van 3,5 cm. De andere was aan de borst links ter lengte van 5 cm. B1: In samenhang met letsel A aan de baardstreek was er een steekkanaal van rechts naar links en van voren naar achteren aan het lichaam. Het steekkanaal was circa 6 cm lang (diep) en eindigde achter op de tong, dus nog net in de keel. B2: Samenhang met letsel B aan de borst was er een steekkanaal van links naar rechts schuin en van voren naar achteren aan het lichaam. Het steek kanaal was minimaal 3,5 cm lang (diep). Er was in relatie met dit steekkanaal perforatie van en een samengevallen Iinkerlong, perforatie van het hartzakje en linkerhartkamer. Er was uitgebreide bloeduitstorting in de linkerborstholte en er waren tekenen van inademing van bloed. Bij sectie werden letsels sub A3 gezien, welke bij leven waren ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig klievend/snijdend en perforerend geweld, zoals bijvoorbeeld opgeleverd kan worden door 1 of 2 messen. Letsel B ging gepaard met onder andere klieving van het hart en de Iinkerlong met daardoor bloedverlies in de linkerborstholte en een samengevallen Iinkerlong. Het intreden van de dood wordt verklaard door het hierdoor opgetreden functieverlies van het hart in combinatie met weefselschade door zuurstoftekort ten gevolge van het doorgemaakt bloedverlies. 8. De in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van verhoor (als bijlage van het proces-verbaal genummerd 2010047862) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [betrokkene 1]: p. 768-771 [verdachte] en ik zijn vanuit de woning van [verdachte] aan de [b-straat] weer teruggegaan naar de woning van die man, [slachtoffer]. [verdachte] heeft die man vastgebonden aan zijn handen, aan zijn polsen. Dit had ze op zijn slaapkamer gedaan. Ik was daar ook bij. Als hij vastgebonden was, dan zou het makkelijker zijn om hem te doden. Toen hij vastgebonden was hebben [verdachte] en ik hem samen naar de badkamer gesleept en in het bad geduwd. Ik heb het mes meegenomen naar het huis van [verdachte]. Ik heb het daar in de aanrechtbak gedaan. Nou schiet me ook te binnen dat [verdachte] [betrokkene 5] met een mes gestoken. Het kan goed zijn dat dat hetzelfde mes is waarmee de man op de [a-straat 1] is gedood. p. 782 De eerste keer hebben we de auto gestolen. De tweede keer was ook op die avond, maar later. Toen zijn we teruggekomen en hierbij is [slachtoffer] gedood. p. 784-789 Ik denk er ongeveer anderhalf à twee uur tussen de eerste en de tweede keer dat we teruggingen zit. Wij, [verdachte] en ik, zijn lopend naar de woning van [slachtoffer] gegaan. Het was [verdachte] haar idee om terug te gaan. [verdachte] ging naar boven, ze zei tegen mij dat ze boven [slachtoffer] vast ging binden. Ik liep achter [verdachte] aan de trap op naar boven. Voordat ik de trap op liep had ik een groot mes gepakt uit een messenblok welke in de keuken stond. Ik heb misschien één à twee minuten buiten de slaapkamer op de overloop staan wachten en toen ben ik de slaapkamer binnengelopen. Ik dat zag [slachtoffer] op zijn rug in bed lag. Hij was helemaal naakt. Ik zag dat [verdachte] de man zijn polsen aan het vastbinden was. Ze deed dit met een stuk draad. Ik liep naar de badkamer en pakte een ceintuur van een badjas en die gaf ik aan [verdachte] en [verdachte] bond dat ook om zijn polsen of om zijn enkels heen. [verdachte] zei tegen [slachtoffer]: “kom maar, kom maar”. [verdachte] probeerde hem overeind te helpen, maar dat lukte niet. Ik besloot te helpen. Ik ben naast het bed gaan staan en heb hem onder zijn armen vastgepakt en zo zijwaarts van het bed getrokken. [verdachte] hielp mee de man naar de badkamer te slepen. Hij kon zelf niet rechtop staan. Ik denk dat hij versuft was door de medicijnen. We probeerden hem in het bad te duwen. Opeens lukte het om hem in bad te duwen. Het bad zat nog vol met water. We hielden hem onder water. We liepen nog naar de slaapkamer van de man want daar lag zijn telefoon. Die telefoon pakte ik en nam hem mee. We hebben de spullen gepakt en zijn weggegaan. Na deze tweede keer hebben we nog op het bankje in het park gezeten en nog wat gerookt en nog wat gedronken. Ik had plastic zakken bij me waar alles in zat. [verdachte] hielp ook mee een tas te dragen. 9. De in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van verhoor (als bijlage van het proces-verbaal genummerd 2010047862) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte: p. 830-833 Ik kreeg van [slachtoffer] een smsje of ik langs wilde komen. Dat smsje was van die dag of van dag te voren. Ik ben gewoon langs gegaan die avond. Het voorstel kwam van mij. [betrokkene 1] en ik gingen samen naar [slachtoffer]. Ik stelde de mannen aan elkaar voor, dat was binnen in de huiskamer. [slachtoffer] ging naar boven om het bad aan te zaten. [betrokkene 1] en ik bleven beneden. p.835-840 Ik ben met [slachtoffer] naar boven gegaan en toen voelde ik dat het water koud was. [slachtoffer] ging op bed liggen. Hij was een beetje moe. Ik heb toen zijn handen vastgebonden met een stropdas. We liepen vanuit de slaapkamer naar de badkamer. Toen het allemaal gebeurd was heb ik mijn kleren gepakt. Ik ging op de bank zitten en [betrokkene 1] kwam naast mij zitten. Ik nam een slok bier. [betrokkene 1] heeft een zak gepakt en spullen erin gedaan. Voordat ik de woning uit ging heb ik de hond eten gegeven. p. 847-849 Ik heb ook in de kasten gezeten. Ik heb een fles wijn uit de kast gepakt en een pak bier uit de kelder. [betrokkene 1] wilde de computer nog meenemen maar ik zei dat [dat] niet mocht. Dit was nadat [slachtoffer] dood in bad lag. Ik had de wijn en [het] bier in een oranje tas gedaan. [betrokkene 1] droeg toen hij de woning verliet de grijze vuilniszak met daarin het mes in de blauwe handdoek. Ik heb de stropdas om zijn handen gedaan en afgedaan toen [slachtoffer] in bad lag. Het klopt dat [betrokkene 1] in de badkamer vertelde: “nu is hij dood”. Voor het steken heb ik de stropdas eraf gehaald. p. 900-901 Ik ben twee keer bij de woning van [slachtoffer] geweest. We besloten om terug te gaan naar [slachtoffer]. Het was mijn voorstel. We zijn naar binnen gegaan. [betrokkene 1] zat bij mij op de bank. We hadden het erover hoe we [slachtoffer] moesten vertellen dat zijn auto weg was. [betrokkene 1] wist er geen antwoord op. Hij had 16 jaar en 7 jaar TBS gehad en hij wilde niet meer de bak in. 10. Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 20 april 2011 van de meervoudige kamer in de rechtbank Arnhem, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven – als verklaring van verdachte: [betrokkene 1] en ik gingen in de nacht van 12 op 13 mei 2010 een biertje halen bij [slachtoffer] in Nijmegen. Het was tussen 23.00 en 23.30 uur toen wij aankwamen. Toen we de tweede keer binnenkwamen was [slachtoffer] niet beneden. Ik ben bij [slachtoffer] op bed gaan zitten. Ik bond hem vast met een snoertje. Ik heb het snoertje in stukken gesneden met een mesje. Ik heb het mes teruggelegd op het nachtkastje. Ik weet niet of dat een ander mes was dan waarmee hij later is gestoken. 11. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 31 juli 2012, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: lk heb [slachtoffer] vastgebonden. Ik ben met [slachtoffer] naar de badkamer gegaan. Toen we daar stonden kwam [betrokkene 1] eraan. Die had mij geholpen om [slachtoffer] vast te binden.” 5. Het eerste middel komt met drie klachten op tegen de bewezenverklaring van feit 2. 6. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in: “Vaststaande feiten Het hof gaat uit van de volgende feiten, die door de verdediging niet zijn betwist. Op 13 mei 2010 werd het stoffelijk overschot aangetroffen van [slachtoffer] in het nog met water gevulde bad in zijn woning. Bij onderzoek aan het lichaam van [slachtoffer] werden twee steekplaatsen aangetroffen, in de baardstreek en de borst. De dood van [slachtoffer] werd verklaard door opgetreden functieverlies van het hart in combinatie met weefselschade door zuurstoftekort ten gevolge van bloedverlies. Uit de verklaringen van de verdachte zelf komt het volgende naar voren. Op 12 mei 2010 is zij samen met medeverdachte [betrokkene 1] naar de woning van [slachtoffer] gegaan. Verdachte kende [slachtoffer], [betrokkene 1] kende [slachtoffer] niet. De auto van [slachtoffer] is meegenomen en geruild tegen harddrugs, die verdachte en [betrokkene 1] hebben gebruikt. Op enig moment is verdachte naar de slaapkamer van [slachtoffer] gegaan en heeft zij hem vastgebonden. Verdachte heeft [slachtoffer] meegenomen naar de badkamer waar een met water gevuld bad stond terwijl [slachtoffer] op dat moment nog vastgebonden was.” 7. De eerste klacht, inhoudende dat het door het Hof gebezigde bewijsmiddel 11 niet redengevend is voor het bewijs, faalt, nu het in ieder geval wat betreft de rol van de verdachte redengevend is. Immers, daaruit volgt dat (ook) zij het slachtoffer heeft vastgebonden en met hem naar de badkamer is gegaan, hetgeen aansluit bij de bewezenverklaring en de door het Hof vastgestelde feiten. 8. De tweede klacht houdt in dat de inhoud van bewijsmiddel 11 ‘ernstig strijdig’ is met bewijsmiddel 2 (bedoeld zal zijn bewijsmiddel 8, PV). Aan de steller van het middel moet worden toegegeven dat uit bewijsmiddel 11 inderdaad volgt dat de verdachte alleen met het latere slachtoffer naar de badkamer is gegaan, terwijl uit bewijsmiddel 8 blijkt dat de verdachte en [betrokkene 1] samen het slachtoffer naar de badkamer hebben gebracht. Gelet evenwel op het feit dat het hier gaat om het medeplegen van moord en het Hof in de bewezenverklaring open heeft gelaten wie van beide verdachten dan wel zij tezamen welke handelingen heeft verricht, acht ik de geconstateerde tegenstrijdig niet dusdanig dat daarmee de bewezenverklaring onvoldoende met reden is omkleed, zodat de tweede klacht ook faalt. 9. De derde in het middel vervatte klacht faalt eveneens, nu het opkomt tegen een overweging ten overvloede. Het Hof verwerpt het alternatieve scenario immers met de vaststelling dat dit scenario niet strookt met de verklaringen van de getuige [betrokkene 1] voor zover door het Hof voor het bewijs gebezigd. Voorts ziet de steller van het middel over het hoofd dat in voorkomende gevallen de rechter – indien hij komt tot een bewezenverklaring - ter weerlegging van een alternatieve toedracht zal kunnen volstaan met het oordeel dat deze niet aannemelijk is geworden. Dat het Hof daarbij in casu had dienen aan te geven aan welk(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.