Nr. 13/04985 Zitting: 26 mei 2015 Mr. Bleichrodt Conclusie inzake: [verdachte]
(1987)), aant. 5 op art. 344 Sv. Blok en Besier gaan ervan uit dat art. 344, tweede lid, Sv is bedoeld voor het bewijs van talloze overtredingen. Vgl. A.J. Blok en L.C.Besier, Het Nederlandsche strafproces, tweede deel, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink & Zn. 1925, p. 160-
- Lubbers stelt zelfs dat art. 344, tweede lid, Sv enkel is geboren uit utiliteitsoverwegingen. Vgl. M.A. Lubbers, De waarde van de ambtsedige waarheid. De betrouwbaarheid en de bewijskracht van het proces-verbaal van de opsporingsambtenaar, Amersfoort: Celsius juridische uitgeverij 2014,p.
- Zie onder meer W.L. Borst, De bewijsmiddelen in strafzaken, Arnhem: Gouda Quint 1985, p. 229-230 en p. 286, Corstens/Borgers, p. 812, B. de Wilde, ‘Bewijsminimumregels als waarborgen voor de waarheidsvinding in strafzaken?’, in: J.H. Crijns, P.P.J. van der Meij en J.M. ten Voorde (red.), De waarde van waarheid. Opstellen over waarheid en waarheidsvinding in het strafrecht Den Haag: Boom juridische uitgevers 2008, p. 290-291 en Lubbers, a.w., p. 48-53, die tevens naar diverse publicaties van P.J. van Koppen verwijst. Zie in algemene zin ook M.J. Dubelaar, Betrouwbaar getuigenbewijs, Deventer:
- Zie bijvoorbeeld H. Anker, Over vertrouwen in ambtsedige processen-verbaal, NbSr 2008, p. 14 en
- Voluit: Staatscommissie voor de herziening van het Wetboek van Strafvordering. Zie voor de beraadslagingen van de commissie: Van Ort tot ORO (samenstelling: K. Lindenberg), Groningen
- Zie voor de gedachtewisseling met name Van Ort tot ORO, a.w., p. 166 en p. 328-
- Van Ort tot Oro, a.w., p.
- Kamerstukken II 1913/14, 286, nr.
- Zie Kamerstukken II 1913/14, 286, nr. 3, p.
- Zie Kamerstukken II 1917/18, 77, nr. 1, p. 122-
- Zie Kamerstukken II 1917/1918, 77, nr.
- Zie Handelingen TK 1919/1920, p. 1988-
- Lubbers (a.w., p. 57) merkt op dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever niet lijkt te hebben bedoeld de situatie waarin de opsporingsambtenaar tevens slachtoffer is onder het bereik van art. 344, tweede lid, Sv te brengen. Uit het voorafgaande volgt dat dit standpunt geen steun vindt in de wetsgeschiedenis. Zie voor een overzicht: Lubbers, a.w., p. 55-
- Vgl. P.J. van der Meij, De beledigde en bedreigde politieagent als beroepsmatig benadeelde partij. Een pleidooi voor afschaffing van de bijzondere bewijskracht en voor de categorische afwijzing van schadevergoedingen, in: Roosachtig strafrecht, Deventer: 2013, p. 401-
- Vgl. HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3366, NJ 2010/672, m.nt. Buruma. Zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19 november 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:
- De benadeelde partij werd in deze vordering overigens niet-ontvankelijk verklaard. Vgl. HR 24 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT7085, NJ 2013/49, m.nt. Mevis. Zie voor een geval van misbruik, waarin een verbalisant is veroordeeld wegens het doen van een valse aangifte en meineed: Rechtbank Amsterdam 20 augustus 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BX
- De rechtbank achtte aannemelijk dat (onder meer) het perspectief dat de verdachte als benadeelde partij schadevergoeding zou kunnen verkrijgen bij de valsheid een rol had gespeeld. Zie HR 31 december 1934, NJ 1935, p.
- Zie Gerechtshof Amsterdam 7 september 2011, NbSr 2012/
- Zie in deze zin ook Rechtbank Midden-Nederland 4 februari 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:570, en Rechtbank Almelo 12 januari 2010, ECLI:NL:RBALM:2010:BK
- Zie Gerechtshof te ‘s-Gravenhage 12 oktober 2012, NbSr 2013/
- Zie onder meer De Wilde, a.w., p. 282-294 en Lubbers, a.w., met verdere literatuurverwijzingen. Hetzelfde geldt overigens voor het onderscheid tussen processen-verbaal die overtredingen betreffen en gevallen waarin misdrijven centraal staan. Zie Handelingen TK 1919/1920, p.
- In die zin ook de kritische opmerkingen van Knigge in zijn noot onder HR 10 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AL8446, NJ 2004/
- HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5513, NJ 2013/53, m.nt. Mevis. Vgl. mijn conclusie voorafgaand aan HR 25 november 2014, nr. 13/05588 (art. 81 RO; ongepubliceerd). Zie ook Naeyé in zijn noot onder HR 16 juni 1998, NJ 1999/
- Vgl. HR 14 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8755, NJ 2012/
- Vgl. HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5513, NJ 2013/53, m.nt. Mevis. Vgl. HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO4048, NJ 2004, 438 (https://www.navigator.nl/), m.nt. Reijntjes en HR 21 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR5013, NJ 2005/83.