Nr. 14/01737 Zitting: 21 april 2015 Mr. Vellinga Conclusie inzake: [verdachte] 1. Verdachte is – na verwijzing door de Hoge Raad bij arrest van 26 maart 2013, griffienr. 11/02389, ECLI:NL:HR:2013:BY3752, door het Gerechtshof te Den Haag wegens “Medeplegen van valsheid in geschrift” veroordeeld tot een geldboete van € 1000,00, subsidiair 20 dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk, en onttrekking aan het verkeer van een legitimatiebewijs van de KLM, een pashouder en een key koord. 2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 14/01737 en 14/01738. In beide zaken zal ik vandaag concluderen. 3. Namens verdachte heeft mr. T.M.D. Buruma, advocaat te Amsterdam, vijf middelen van cassatie voorgesteld. 4. Deze zaak heeft betrekking op het onderzoek van verdachte naar de beveiliging van Schiphol Oost. In een televisie-uitzending heeft hij laten zien dat een toegangspas voor Schiphol Oost eenvoudig te vervalsen was en dat hij ongemerkt het terrein van Schiphol Oost kon betreden door zich in de kofferbak van een auto het terrein te laten oprijden. 5. Het Hof heeft in de onderhavige zaak – overeenkomstig het bepaalde in art. 359 lid 3 Sv – volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. In het arrest is geen samenvatting van de vaststaande feiten opgenomen. Mogelijk is dat ingegeven door de omstandigheid dat bij pleidooi is gesteld dat over de feiten geen verschil van inzicht meer bestond. Hoe dit ook zij, erg gelukkig is dit niet. Zo is moeilijk na te gaan wanneer de onderhavige pas is vervalst, welke pas door verdachte werd gedragen toen hij in de kofferbak van een door een medewerker bestuurde auto het terrein van Schiphol Oost opreed en welke beelden hij op de televisie heeft vertoond. Hierna geef ik een samenvatting van de feiten zoals deze blijken uit de bewijsmiddelen waarnaar het Hof verwijst. 6. Verdachte is onderzoeksjournalist. In die hoedanigheid wenste hij de deugdelijkheid van de beveiliging van Schiphol Oost te onderzoeken. Daartoe heeft hij zich in de nacht van 27 op 28 november 2008 in de kofferbak van een auto, bestuurd door een KLM-medewerker, die in het bezit was van en toegangspas, op het terrein van Schiphol Oost begeven. Hij heeft aldaar niet rondgelopen om deze KLM-medewerker niet in verlegenheid te brengen. Daarna heeft hij samen met een medewerker – verdachte in de samenhangende zaak – op 12 december 2008 KLM-toegangspassen vervalst. Van het vervalsen van een van die passen – de pas die door middel van vervalsing van andere personalia en van verdachtes foto werd voorzien - heeft hij televisie-opnamen gemaakt. Vervolgens heeft hij in de nacht van 12 op 13 december 2008 samen met een andere medewerker (medeverdachte [medeverdachte] ) onbevoegdelijk het terrein Schiphol Oost weten te betreden. Verdachte had zich verstopt in de kofferbak van een auto die werd bestuurd door die medewerker. De laatste was voorzien van een vervalste pas en wist zo met de door hem bestuurde auto de toegangspoort te passeren. Eenmaal op het terrein van Schiphol Oost gekomen is verdachte uit de kofferbak gekropen en is hij gaan rondlopen bij aldaar staande vliegtuigen waaronder het regeringsvliegtuig. Verdachte heeft televisiebeelden uitgezonden waarin is te zien dat de verdachte en zijn collega zonder verdere controlepunten tegen te komen vanaf de hoofdingang van Schiphol Oost naar hangar 73 zijn gereden, dat deze hangar open was, dat de PH-KBX (het regeringsvliegtuig) daar ook stond gestald, dat verdachte dat vliegtuig zo dicht is genaderd dat hij het kon aanraken, dat het vliegtuig op dat moment afgesloten was maar dat het af en toe ook open stond en dat het via de neergelaten vliegtuigtrap betreden kon worden.Verdachte was bij het betreden van Schiphol Oost in het bezit van een vervalste pas. Dit was de pas die hij met een medewerker had vervalst door deze van willekeurige personalia en zijn foto te voorzien. Hij heeft deze pas niet gebruikt, noch bij de toegangspoort – toen lag hij in de kofferbak – noch toen hij op het terrein van Schiphol Oost tussen de vliegtuigen rondliep. Met deze wijze van handelen wilde verdachte – kort gezegd – laten zien dat de beveiliging van Schiphol Oost allesbehalve op orde was. In een door de verdachte verzorgde televisie-uitzending heeft hij de resultaten van zijn onderzoek gepresenteerd. Daarbij heeft hij aan de aan de hand van de opnamen van het vervalsen van de pas, hierin bestaande dat een bestaande pas werd gekopieerd en werd voorzien van andere personalia (onder andere de naam [A] ) en verdachtes foto, onder meer laten zien hoe eenvoudig een KLM-personeelspas was te vervalsen. 7. Verdachte is bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 28 april 2011 ter zake van het zich onbevoegdelijk bevinden op – kort gezegd - het terrein van Schiphol Oost ontslagen van rechtsvervolging en ter zake van het voorhanden hebben van een - door het aanbrengen van andere personalia en verdachtes foto - vervalste KLM-personeelspas veroordeeld tot een geldboete. Deze feiten zijn niet meer aan de orde.Bij laatstgenoemd arrest werd de verdachte ook ontslagen van rechtsvervolging ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde medeplegen van valsheid in geschrift bestaande in het aanbrengen op de reeds eerder genoemde KLM-personeelspas van andere personalia en de foto van verdachte. Volgens het Amsterdamse hof zou een veroordeling wegens valsheid in geschrift in vereniging gepleegd een beperking van het recht op vrije meningsuiting opleveren die niet noodzakelijk is in een democratische samenleving. Bovengenoemd arrest van de Hoge Raad heeft betrekking op alleen dit feit. 8. In cassatie hield het ontslag van rechtsvervolging ter zake van dit feit geen stand omdat het Hof – kort gezegd – onvoldoende had onderzocht of de verdachte zich terecht op het standpunt stelde dat er geen alternatief bestond om, zonder het vervalsen van de KLM-pas, op andere overtuigende wijze de gebrekkige controle op Schiphol Oost en de gevolgen daarvan onder de aandacht van het publiek te brengen dan wel omdat het Hof zijn oordeel te dier zake onvoldoende had gemotiveerd. 9. Na verwijzing door de Hoge Raad overwoog het gerechtshof te Den Haag - met inbegrip van de hier niet vermelde voetnoten - : “Strafbaarheid van het bewezen verklaarde.” Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdediging bepleit dat de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsman van de verdachte heeft daartoe, overeenkomstig het gestelde in de overgelegde pleitnotitie, - verkort en zakelijk weergegeven - betoogd dat een veroordeling van de verdachte in strijd is met het recht op vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), nu het bewezen verklaarde handelen van de verdachte en zijn medeverdachte noodzakelijk was om het publiek te informeren over de veiligheidssituatie van Schiphol-Oost en de verdachte en zijn medeverdachte hierbij binnen de grenzen van hun beroepsuitoefening zijn gebleven. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. De onderhavige strafzaak vindt haar oorsprong in een tweetal uitzendingen van het programma "Undercover in Nederland" die de verdachte voor de televisiezender SBS6 heeft gemaakt en die op 28 december 2008 en 4 januari 2009 zijn uitgezonden. In de uitzending van 28 december 2008 is vertoond dat de verdachte, onderzoeksjournalist van beroep, meewerkte aan het namaken van een KLM-personeelspas voorzien van een foto van zichzelf met behulp van een pasjesprinter aan de hand van een KLM-personeelspas van een KLM-medewerker. Door deze KLM-medewerker is verklaard dat hij op verzoek van een medewerker van de verdachte, de medeverdachte [medeverdachte] , zijn KLM-personeelspas voor één dag heeft afgestaan, opdat daarmee een vervalste pas kon worden gemaakt zoals hem toen is verteld. In dezelfde uitzending is vertoond dat de verdachte met behulp van een vervalste KLM-personeelspas door een andere medewerker van de verdachte op het terrein van Schiphol- Oost is gebracht, gelegen in de achterbak van een auto. Het hof stelt voorop dat het recht op vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 van het EVRM zich mede uitstrekt tot de vrijheid van nieuwsgaring, en dus tot het journalistieke onderzoek dat aan de uiteindelijke openbaarmaking van het te brengen nieuws ten grondslag ligt. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat voldoende is gebleken dat de verdachte bij het plegen van het bewezenverklaarde feit het oogmerk had om langs journalistieke weg een maatschappelijk probleem publiekelijk aan de orde te stellen, alsmede dat het plegen van het bewezenverklaarde feit voldoende samenhangt met het onderbouwen en verifiëren van dit probleem. Derhalve zal het hof de strafvervolging en veroordeling van de verdachte aanmerken als een inbreuk op het in artikel 10 van het EVRM neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting. Aldus beschouwd dient het hof vervolgens te beoordelen of de inbreuk op het in artikel 10 van het EVRM neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting, in het licht van het bepaalde in het tweede lid van artikel 10 van het EVRM, geoorloofd is. Op grond van het tweede lid van artikel 10 van het EVRM kan de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting namelijk aan bepaalde beperkingen worden onderworpen, indien deze bij de wet zijn voorzien en noodzakelijk zijn in een democratische samenleving ter bescherming van de in lid 2 genoemde belangen, waaronder het voorkomen van strafbare feiten en het beschermen van de rechten van anderen. Bij de beantwoording van de vraag of door strafvervolging en veroordeling van de verdachte wegens een in het kader van een journalistiek onderzoek gepleegd strafbaar feit een noodzakelijke inbreuk wordt gemaakt op de journalistieke vrijheid van meningsuiting, moeten de plichten en verantwoordelijkheden van degene die met een beroep op zijn recht op vrijheid van meningsuiting het feit pleegde, worden meegewogen. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) volgt dat journalisten - niettegenstaande de vitale rol die de pers in een democratische samenleving speelt - in beginsel niet op grond van de hun door artikel 10 van het EVRM gegeven bescherming worden ontslagen van hun verplichting de door de strafwet getrokken grenzen in acht te nemen (EHRM 21 januari 1999, NJ 1999/713, Fressoz en Roire tegen Frankrijk ). Het door artikel 10 van het EVRM gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting kan echter dwingen tot het maken van een uitzondering op dit uitgangspunt. Derhalve zijn journalisten bij hun werkzaamheden ten behoeve van de nieuwsgaring, aangenomen dat overigens is voldaan aan de voorwaarden waaronder zij zich op de bescherming van artikel 10 EVRM kunnen beroepen, slechts onder bijzondere omstandigheden ontslagen van hun plicht zich aan de strafwet te houden. Bij de beoordeling van de strafbaarheid van het bewezenverklaarde feit naar aanleiding van het beroep op de journalistieke vrijheid van meningsuiting dienen naar het oordeel van de Hoge Raad, zoals uiteengezet in zijn arrest in de onderhavige zaak, in overeenstemming met de jurisprudentie van het EHRM een aantal vragen te worden onderzocht. Vooropgesteld moet worden dat de journalist te goeder trouw en op grond van een accurate feitelijke basis dient te hebben gehandeld en betrouwbare en precieze informatie dient te hebben gegeven in overeenstemming met de journalistieke ethiek. Het hof overweegt dat de vraag of de verdachte aan de bovengenoemde criteria heeft voldaan ter terechtzitting in hoger beroep niet langer wezenlijk ter discussie stond. Het hof is voorts ook ambtshalve van oordeel dat aan voornoemde criteria is voldaan. Het hof merkt daarbij op dat bij het samenstellen van de televisie-uitzendingen en het uitvoeren van het daaraan ten grondslag liggende onderzoek weliswaar op bepaalde punten onvoldoende zorgvuldigheid is betracht, doch dat die onzorgvuldigheden van onvoldoende gewicht zijn om de verdachte een beroep op de bescherming van artikel 10 van het EVRM te ontzeggen. Voorts dient bij de beoordeling van de strafbaarheid van het bewezenverklaarde feit naar aanleiding van het beroep op de journalistieke vrijheid van meningsuiting in het bijzonder de ernst van de inbreuk op de rechtsorde door overtreding van de strafrechtelijke norm, gelet op het belang van het geschonden voorschrift, te worden afgewogen tegen het maatschappelijk belang van de door het bewezenverklaarde feit voorbereide openbaarmaking, het daadwerkelijk nadeel dat door het bewezenverklaarde is ontstaan en de mate waarin de openbaarmaking daadwerkelijk op andere wijze had kunnen worden voorbereid. Het hof overweegt ten aanzien van voornoemde aandachtspunten als volgt. Ernst van de inbreuk op de rechtsorde De verdachte en de medeverdachte hebben, in het kader van een journalistiek onderzoek, tezamen en in vereniging een KLM-personeelspas vervalst. Het in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde vervalsen van een geschrift - waaronder in juridische zin mede een dergelijke pas kan worden begrepen - betreft een misdrijf en is op zichzelf beschouwd een ernstig strafbaar feit. Het hof is dan ook van oordeel dat, gelet op het belang van het geschonden voorschrift (toegespitst op het bewezenverklaarde feit: de bescherming van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in de echtheid van een geschrift dat dient tot bewijs dat degene die zich daarvan bedient bepaalde toegangsrechten heeft), de onderhavige overtreding op zichzelf genomen een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Maatschappelijk belang De verdachte heeft tijdens de televisie-uitzending van 28 december 2008 verklaard dat hem op grond van tips en reacties en eigen waarnemingen bekend was dat de beveiliging van het bedrijventerrein Schiphol-Oost tekortschoot en dat hij het bewezenverklaarde feit heeft gepleegd met het journalistieke doel om deze misstand aan het publiek kenbaar te maken, temeer nu Schiphol-Oost een bedrijventerrein betreft waar onder meer privévliegtuigen vertrekken, passagiers- en vrachtvliegtuigen worden onderhouden en waar bovendien het regeringsvliegtuig is gestald. Het tekortschieten van de beveiliging van Schiphol-Oost zou derhalve - zakelijk weergegeven - grote maatschappelijke risico's met zich brengen. Gelet op het voorgaande is het hof met de verdediging van oordeel dat het aan de orde gestelde vraagstuk van maatschappelijk belang is. Daadwerkelijk nadeel dat door het bewezenverklaarde is ontstaan Het hof is van oordeel dat op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat door het bewezenverklaarde feit daadwerkelijk nadeel is ontstaan, anders dan dat het door artikel 225 van het Wetboek van strafrecht beschermde rechtsbelang in het onderhavige geval is geschonden. Mate waarin de openbaarmaking daadwerkelijk op andere wijze had kunnen worden voorbereid Ter beantwoording van de vraag of de openbaarmaking van de beveiligingsproblematiek daadwerkelijk op andere wijze had kunnen worden voorbereid, is in de eerste plaats van belang welk doel de verdachte en zijn medeverdachte voor ogen hadden op het moment dat zij de KLM-personeelspas vervalsten. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Het hof stelt op grond van de daaraan in de televisie-uitzending van 28 december 2008 gewijde passage vast dat de verdachte heeft beoogd ‘een heel eenvoudige manier om binnen de hekken te komen door met behulp van een simpele pasjesprinter een pas op naam van [A] valselijk op te maken, teneinde het tekortschieten van de beveiliging van het bedrijventerrein Schiphol Oost, in het bijzonder van de daar ondergebrachte vliegtuigen, waaronder het regeringsvliegtuig, te openbaren. Voorts stelt het hof op basis van de televisie-uitzending van 28 december 2008 vast dat de verdachte door meermalen te observeren bij de hoofdingang had waargenomen dat bij de toegangspoort van het bedrijventerrein Schiphol Oost de mensen die daar werkten met hun eigen voertuigen het terrein op mochten, er geen controle van voertuigen plaatsvond en dat de controle van toegangspassen minimaal was. De verdachte heeft waargenomen dat bij de poort geen paslezers aanwezig waren en dat de passen slechts vluchtig door de beveiligers werden bekeken, in de pashouder bleven zitten, niet op echtheid werden gecontroleerd en dat er geen sprake was van enige fysieke controle. Ook werden motorrijders door de poort gelaten zonder dat zij hun helm af dienden te zetten. De verdachte heeft voorts waargenomen dat bij de toegangspoort geen kofferbakcontrole werd uitgevoerd en heeft dit ook zelf ondervonden: hij heeft in de kofferbak van - zoals later is gebleken uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep in tegenstelling tot wat tijdens voornoemde uitzending is te zien,- een KLM-medewerker die over een onvervalste, toegangspas beschikte, het bedrijventerrein betreden en hij kwam aldaar geen bewaking tegen in de buurt van het regeringsvliegtuig. Daarnaast beschikte de verdachte over opnames van (het interieur van) het kennelijk onbewaakte regeringsvliegtuig met neergelaten vliegtuigtrap die de verdachte van een tipgever had ontvangen. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden dat hij ook zonder het vervalsen van de onderhavige KLM-personeelspas met zijn pasfoto erop heeft kunnen aantonen dat sprake was van het tekortschieten van de beveiliging bij de hoofdingang van het bedrijventerrein van Schiphol-Oost en op het bedrijventerrein rondom de hangar waar het regeringsvliegtuig was gestald. Er bestond derhalve een minder vergaande methode om het door hem beoogde doel te bereiken. Zoals hiervoor in overweging is genomen, zijn journalisten bij hun werkzaamheden ten behoeve van de nieuwsgaring slechts onder bijzondere omstandigheden ontslagen van hun plicht - zich aan de strafwet te houden. Die bijzondere omstandigheden doen zich naar het oordeel van het hof ten aanzien van het bewezenverklaarde gelet op het bovenstaande niet voor. Het betoog van de verdediging dat de vervalsing van de KLM-personeelspas moet worden bezien in het geheel van alle handelingen die de verdachte ter uitvoering van zijn journalistieke onderzoek heeft verricht, kan, wat daarvan ook zij, niet tot een ander oordeel leiden. Het hof heeft immers de strafbaarheid van het tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit te beoordelen. Bij die beoordeling gaat het in het onderhavige geval om de vraag of er bij het nastreven van het journalistieke doel voor het bewezenverklaarde handelen een minder ingrijpend alternatief bestond. Die vraag beantwoordt het hof bevestigend. Conclusie Gelet op het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat de veroordeling van de verdachte in beginsel een inbreuk op het in artikel 10 van het EVRM neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting oplevert. Nu is gebleken dat de verdachte en de medeverdachte het maatschappelijk probleem dat zij kenbaar wilden maken ook zonder het vervalsen van de pas onder de aandacht van het publiek konden brengen, is niet voldaan aan de eis dat voor de verdachte geen minder vergaande methode bestond om zijn doel te bereiken dan het vervalsen van de KLM-personeelspas. Vervolging en strafbaarheid van het bewezenverklaarde is ofschoon aan te merken als inbreuk op het recht op vrijheid van meningsuiting daarom desondanks geoorloofd in het licht van het tweede lid van artikel 10 van het EVRM. De veroordeling van de verdachte is derhalve niet in strijd met het recht op vrijheid van meningsuiting.Het verweer van de verdediging wordt verworpen.” 10. Het Hof achtte vervolging en strafbaarheid van de verdachte ter zake van valsheid in geschrift als bewezenverklaard niet in strijd met het recht op vrijheid van meningsuiting. In cassatie wordt met vijf middelen opgekomen tegen dit oordeel en de overwegingen die daar aan ten grondslag liggen. 11. Het eerste middel komt op tegen het oordeel dat valsheid in geschrift op zichzelf een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Volgens de toelichting op het middel is de enkele constatering dat een strafrechtelijk voorschrift is overtreden onvoldoende om aan te nemen dat er dus een ernstige inbreuk op de rechtsorde heeft plaatsgevonden. Derhalve, aldus de toelichting op het middel, heeft het Hof verzuimd in zijn oordeel de concrete omstandigheden van het geval te betrekken. Daarbij wordt erop gewezen dat de feitelijke maatschappelijke impact van de vervalsing klein is geweest. Voorts wordt gesteld dat het Hof, door slechts in abstracto te kijken naar het belang van het geschonden voorschrift en niet de concrete omstandigheden van het geval mee te wegen, een verkeerde maatstaf heeft aangelegd bij de vaststelling dat sprake was van een ernstige inbreuk op de rechtsorde. 12. In zijn arrest, waarbij de onderhavige zaak naar het Hof is verwezen, overwoog de Hoge Raad dat journalisten in beginsel niet op basis van de hun door art. 10 EVRM gegeven bescherming kunnen worden ontslagen van hun verplichting de door de strafwet getrokken grenzen in acht te nemen en dat zij slechts onder bijzondere omstandigheden zijn ontslagen van hun plicht zich aan de strafwet te houden (rov. 4.2). Vervolgens overwoog de Hoge Raad: “4.3. Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de vervolging en van de strafbaarheid van het bewezenverklaarde feit naar aanleiding van het beroep op de journalistieke vrijheid van meningsuiting dient, vooropgesteld dat de journalist te goeder trouw en op grond van een accurate feitelijke basis handelt en betrouwbare en precieze informatie geeft in overeenstemming met de journalistieke ethiek, in het bijzonder de ernst van de inbreuk op de rechtsorde door overtreding van de strafrechtelijke norm, gelet op het belang van het geschonden voorschrift, te worden afgewogen tegen het maatschappelijk belang van de door het bewezenverklaarde feit voorbereide openbaarmaking, het daadwerkelijke nadeel dat door het bewezenverklaarde feit is ontstaan en de mate waarin de openbaarmaking daadwerkelijk op andere wijze had kunnen worden voorbereid.” Voorts stelde de Hoge Raad vast dat – toen – niet in geschil was dat het onderhavige vervalsen op zichzelf genomen een ernstig strafbaar feit is. 13. In deze overwegingen relateert de Hoge Raad de ernst van de inbreuk op de rechtsorde door overtreding van de strafrechtelijke norm niet aan de omstandigheden van het concrete geval maar aan het belang van het geschonden voorschrift. Dienovereenkomstig merkt de Hoge Raad in een aansluitende overweging op dat (naar toen niet in geschil was) het onderhavige vervalsen op zichzelf genomen een ernstig strafbaar feit is. Daarom heeft het Hof bij zijn oordeel over de ernst van de inbreuk op de rechtsorde door het onderhavige misdrijf de concrete omstandigheden van het geval niet in zijn oordeel behoeven mee te wegen. 14. Overigens heeft het Hof de concrete omstandigheden van het geval wel bij zijn oordeel betrokken. In het kader van de beantwoording van de vraag of het in art. 10 lid 1 EVRM vervatte recht op vrijheid van meningsuiting aan de onderhavige vervolging en veroordeling in de weg stond heeft het Hof immers onder meer in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat door het bewezenverklaarde daadwerkelijk nadeel is ontstaan anders dan door schending van het door art. 225 Sr beschermde rechtsbelang. Daarmee heeft het Hof in zijn oordeel de feitelijke maatschappelijke impact van de onderhavige valsheid in geschrift meegewogen. Voorts heeft het Hof in datzelfde kader overwogen dat verdachte met toetsing van de beveiliging van Schiphol Oost een maatschappelijk belang diende. 15. Het middel lijkt een iets andere wijze van afweging voor te staan dan in de hiervoor aangehaalde overweging van de Hoge Raad besloten ligt. Het middel wil de ernst van het begane strafbaar feit en daarmee de ernst van de inbreuk op de rechtsorde mede laten bepalen door het maatschappelijk belang dat met het begaan van het strafbaar feit is gediend. De Hoge Raad relateert de ernst van inbreuk op de rechtsorde door overtreding van de strafrechtelijke norm aan het belang van het geschonden voorschrift en weegt deze af tegen (onder meer) het maatschappelijk belang van de door het bewezenverklaarde feit voorbereide openbaarmaking. Het resultaat is dat hoe dan ook de concrete omstandigheden van het geval worden meegewogen. 16. Een en ander brengt mij tot de conclusie dat het Hof geen verkeerde maatstaf heeft aangelegd en de concrete omstandigheden van het geval wel in zijn oordeel over het beroep op de vrijheid van meningsuiting heeft betrokken. 17. Het middel faalt. 18. Het tweede middel klaagt dat het Hof bij de beantwoording van de vraag of er voor het door de verdachte nagestreefde doel een minder vergaand alternatief bestond dan het onderhavige vervalsen van de KLM-pas een te indringende toets heeft aangelegd. Volgens de toelichting op het middel heeft het Hof miskend dat de journalistieke vrijheid meebrengt dat de journalist niet alleen de boodschap, maar ook de vorm en wijze waarop die boodschap wordt gebracht mag vaststellen. 19. Het Hof heeft op grond van de volgende feiten en omstandigheden geoordeeld dat de verdachte een andere methode ter beschikking stond dan het gebruik maken van een vervalste pas om de beveiliging van Schiphol Oost aan de kaak te stellen: - de verdachte heeft door meermalen te observeren bij de hoofdingang waargenomen dat bij de toegangspoort van het bedrijventerrein Schiphol Oost de mensen die daar werkten met hun eigen voertuigen het terrein op mochten, dat er geen controle van voertuigen plaatsvond en dat de controle van toegangspassen minimaal was; - verdachte heeft waargenomen dat bij de poort geen paslezers aanwezig waren en dat de passen slechts vluchtig door de beveiligers werden bekeken, in de pashouder bleven zitten, niet op echtheid werden gecontroleerd en dat enige fysieke controle ontbrak; - motorrijders werden door de poort gelaten zonder dat zij hun helm hoefden af te zetten; - verdachte heeft waargenomen dat bij de toegangspoort geen kofferbakcontrole werd uitgevoerd en heeft dit ook zelf ondervonden: hij heeft in de kofferbak van een KLM-medewerker die over een onvervalste, toegangspas beschikte, het bedrijventerrein betreden; - hij kwam aldaar geen bewaking tegen in de buurt van het regeringsvliegtuig; - verdachte beschikte over opnames van (het interieur van) het kennelijk onbewaakte regeringsvliegtuig met neergelaten vliegtuigtrap. 20. Een belangrijk deel van deze waarnemingen heeft verdachte in een televisie-uitzending aan de hand van daarvan gemaakte beelden kunnen openbaren, te weten dat de verdachte en zijn collega zonder verdere controlepunten tegen te komen vanaf de hoofdingang van Schiphol Oost naar hangar 73 zijn gereden, dat deze hangar open was, dat de PH-KBX daar ook stond gestald, dat verdachte het vliegtuig zo dicht is genaderd dat hij het kon aanraken, dat het vliegtuig op dat moment afgesloten was maar dat het af en toe ook open stond en via de neergelaten vliegtuigtrap betreden kon worden. 21. Tegen deze achtergrond geeft het oordeel van het Hof dat bij het nastreven van het journalistieke doel een minder ingrijpend alternatief voor het bewezenverklaarde handelen bestond geen blijk van een ongeoorloofde inperking van de journalistieke vrijheid. Verdachte heeft immers ook zonder gebruik te maken van een vervalste pas duidelijk kunnen laten zien hoe gebrekkig de controle op de toegang tot Schiphol Oost en de bewaking van de aldaar aanwezige vliegtuigen, in het bijzonder het regeringsvliegtuig, waren. 22. De vraag is of het voorgaande anders wordt wanneer in aanmerking wordt genomen dat verdachte tevoren niet wist dat zijn pas niet zou worden gecontroleerd toen hij zich eenmaal op het terrein van Schiphol Oost bevond. Mijns inziens is dat niet het geval. Zou verdachte niet in het bezit zijn geweest van een vervalste pas dan had hij de deugdelijkheid van de controle evenzeer kunnen toetsen. Was hij niet in het bezit geweest van een vervalste pas en gecontroleerd, dan was gebleken dat de controle niet zo ondeugdelijk was als verdachte veronderstelde, was hij – zoals in het onderhavige geval – niet gecontroleerd dan bleek daaruit de ondeugdelijkheid van de controle. 23. Het middel faalt. 24. Het derde middel klaagt dat het Hof het beoogde doel van het vervalsen van de passen te beperkt heeft uitgelegd. 25. Het Hof beschrijft het doel dat verdachte met zijn onderzoek nastreefde als “het tekortschieten van de beveiliging van het bedrijventerrein Schiphol-Oost, in het bijzonder van de daar ondergebrachte vliegtuigen, waaronder het regeringsvliegtuig, te openbaren.” of als ”aantonen dat sprake was van het tekortschieten van de beveiliging bij de hoofdingang van het bedrijventerrein, van Schiphol-Oost en op het bedrijventerrein rondom de hangar waar het regeringsvliegtuig was gestald.” 26. Volgens de toelichting op het middel heeft het Hof aldus miskend dat blijkens de voor het bewijs gebezigde verklaring van [verdachte] in hoger beroep als deeldoelen van het onderzoek hadden te gelden (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.