Nr. 14/01251 Mr. Harteveld Zitting 19 mei 2015 Conclusie inzake: [verdachte]
(5). Maximaal mogen vier pogingen ondernomen worden om via een juiste blaasprestatie te komen tot de twee meetresultaten. Indien een blaasprestatie niet leidt tot een meetresultaat moet een tussentijdse nulpuntsbepaling plaatsvinden. Het aantal nulpuntsresultaten kan dan meer dan vijf bedragen. Indien een blaasprestatie niet voltooid is binnen drie minuten wordt dit beschouwd als een onjuiste blaasprestatie.” Onder 3.9.6. is in de voormelde bijlage het volgende opgenomen: “3.9.6. Voortijdige beëindiging van het ademonderzoek. 3.9.6.1. Het ademanalyse-apparaat moet het ademonderzoek voortijdig beëindigen indien: a. een nulpuntsresultaat groter is dan 10 microgram per liter; b. een kalibratiecontroleresultaat meer dan 5% afwijkt van de nominale waarde; c. binnen de ademonderzoekprocedure geen twee juiste blaasprestaties worden geleverd; d. het ademanalyse-apparaat een storing signaleert. 3.9.6.2. Een ademonderzoekresultaat mag niet worden aangewezen of afgedrukt indien het verschil tussen de beide meetresultaten groter is dan 1 0% van het kleinste meetresultaat.” 3.6. Naar het Hof heeft overwogen zijn er in de onderhavige zaak vijf “niet voltooide ademonderzoeken”, waarna bij het zesde onderzoek een ademonderzoeksresultaat is gegenereerd. Die vaststellingen van het Hof zijn kennelijk gerelateerd aan de uit het ademanalyseapparaat ten tijde van het ademonderzoek van verdachte, op 16 maart 2013, uitgedraaide prints die zich als. Deze houden – zo leert een blik in het dossier – samengevat het volgende in: nr. 2057: één meetresultaat van 1035 µg/l en ademonderzoekresultaat "interferentie"; nr. 2058: één meetresultaat van 1066 µg/l en ademonderzoekresultaat "interferentie"; nr. 2059: geen meetresultaten en ademonderzoekresultaat "alcohol in omgeving"; nr. 2060: geen meetresultaten en ademonderzoekresultaat "kalgas-verschil"; nr. 2061: één meetresultaat van 978 µg/l en ademonderzoekresultaat "interferentie"; nr. 2062: twee meetresultaten, 985 µg/l en 970 µg/l, en ademonderzoekresultaat 825 µg/l. Deze gang van zaken leidt het Hof er toe aan te nemen dat de procedure van art. 8 jo. 9 Besluit Alcoholonderzoeken niet is gevolgd, aangezien “vaker is geblazen dan is toegestaan”. Met die uitkomst bevindt het Hof zich in (goed) gezelschap. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3958 het oordeel van het Hof in zekere zin gesanctioneerd, door in de bestuursrechtelijke procedure de aan de verdachte opgelegde maatregel, waarbij een onderzoek naar de geschiktheid was opgelegd en de geldigheid van zijn rijbewijs werd geschorst te vernietigen. Ook naar het oordeel van de ABRvS was geen sprake van een ‘geldig’ onderzoek: “3.2. Vast staat dat het eerste en tweede ademonderzoek met de nummers 2057 en 2058 beide slechts één meetresultaat hebben opgeleverd. Deze ademonderzoeken voldoen daarmee niet aan artikel 8, tweede lid, van het Besluit alcoholonderzoeken, waarin is bepaald dat twee meetresultaten zijn vereist. Ingevolge artikel 9 van het Besluit alcoholonderzoeken kan het onderzoek met toepassing van artikel 8 eenmaal worden herhaald. Het onderzoek dat is verricht na het eerste en tweede ademonderzoek en waarbij een ademalcoholgehalte van 825 µg/l is geconstateerd is daarmee derhalve niet in overeenstemming. Gelet hierop kon het CBR dit onderzoeksresultaat niet aan het in het besluit op bezwaar gehandhaafde besluit van 4 april 2013 ten grondslag leggen.” Het komt er dus op neer dat (ook) de ABRvS elke cyclus, waarbij het apparaat een print heeft afgescheiden, als een ademonderzoek aanmerkt. Tegenover het oordeel van het Hof in de onderhavige zaak bevindt zich echter een uitspraak van hetzelfde Hof, maar op een andere locatie, waarbij naar het lijkt uitsluitend is gelet op het aantal keren dat daadwerkelijk is geblazen. (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,17 april 2014, parketnummer: 24-002634-12) Ook in die zaak is cassatieberoep ingesteld (zaaknr. 14/02286). Bij dit alles is het, als gezegd, nog maar de vraag of, in de context van het begrip ‘onderzoek’ in art. WVW 1994, van doorslaggevende betekenis is of wellicht te vaak geblazen is, of althans de medewerking aan de ademanalyse is gevorderd. Bij de vraag of een aan het aantal keren dat moet worden geblazen gerelateerde weigering van de verdachte om nog (verder) gevolg te geven aan de aanwijzingen van de opsporingsambtenaar strafbaar is zou dat wél van belang kunnen zijn. Denkbaar is ook dat een verdachte weigert de bloedproef te ondergaan omdat hij – naar zijn mening – nog recht heeft op een of meer keren ‘blazen’. In zulke gevallen kan de strafzaak op scherp komen te staan. 3.7. Het lijkt mij goed om te benadrukken dat de ademanalyse in het systeem van de Wegenverkeerswet 1994 weliswaar het primaire middel is ter bepaling van het alcoholgehalte in het lichaam maar dat – subsidiair – soms nog moet worden teruggevallen op de bloedproef. Die komt aan de orde bij (bijzondere) geneeskundige redenen die maken dat de verdachte niet kan blazen (art. 163 lid 3 WVW 1994) maar ook indien de verdachte wel zijn medewerking heeft verleend aan de ademanalyse maar ondanks die medewerking geen voltooid ademonderzoeksresultaat is tot stand gekomen (art. 163 lid 4 WVW 1994. In dat kader is van belang hoe de wetgever die – mogelijke – overgang naar de bloedproef heeft gepositioneerd. Met betrekking tot die medewerking van de verdachte bepaalt de WVW 1994 zelf in art. 163 slechts dat de verdachte verplicht is ademlucht te blazen in het voor het onderzoek bestemde apparaat en gevolg moet geven aan alle aanwijzingen die hem ten dienste van het onderzoek worden gegeven door de opsporingsambtenaar. Hoe vaak dat zou moeten is in het wetgevingsproces leidend tot de invoering van de ademanalyse echter wel degelijk aan de orde geweest. Ik heb getracht te achterhalen of daaraan diepe gedachten van de wetgever ten grondslag liggen maar dat blijkt niet zozeer het geval te zijn. De Memorie van toelichting (p. 7) noemt een aantal van twee keer blazen. Dat aantal keren was nodig om aan de hand van het verschil te kunnen uitsluiten dat de meting beïnvloed was door mondalcohol. In het Eindverslag (nr. 11, p.3) werd vervolgens door enkele fracties in de Tweede Kamer aangedrongen op verhoging van dat aantal, bijvoorbeeld tot drie of vier, teneinde te voorkomen dat al te vaak op de bloedproef moest worden teruggevallen. De indieners van het wetsvoorstel zagen daar niet veel in, omdat dit tot vertraging zou kunnen leiden, maar merkten wel op dat materieel gezien hetzelfde kon worden bereikt door de mogelijkheid een tweede ademanalyse uit te voeren (Nota naar aanleiding van het Eindverslag, nr. 12, p. 9). Uit de Toelichting bij art. 8 Besluit alcoholonderzoeken kan worden opgemaakt dat de indieners van de wet toch hebben “besloten te bepalen dat de verdachte binnen één onderzoekscyclus viermaal ononderbroken dient te blazen, met dien verstande dat het blazen kan worden beëindigd zodra twee meetresultaten verkregen zijn.” In art. 8 van het Besluit alcoholonderzoeken is vervolgens inderdaad bepaald dat de – in art. 163 lid 2 WVW 1994 bedoelde – verplichting ademlucht te blazen in het apparaat – in ieder geval – omvat de verplichting om (zo nodig) tot viermaal toe zoveel lucht te blazen in het apparaat als voor het onderzoek nodig is. Die laatste toevoeging – de verplichting zoveel lucht te blazen als voor het onderzoek nodig is – keert ook terug in de Bijlage bij de Regeling ademanalyse: “Maximaal mogen vier pogingen ondernomen worden om via een juiste blaasprestatie te komen tot de twee meetresultaten. Indien een blaasprestatie niet leidt tot een meetresultaat moet een tussentijdse nulpuntsbepaling plaatsvinden. Het aantal nulpuntsresultaten kan dan meer dan vijf bedragen. Indien een blaasprestatie niet voltooid is binnen drie minuten wordt dit beschouwd als een onjuiste blaasprestatie.” Het lijkt mij dat uit dit samenstel van regels niet veel meer kan worden afgeleid dan dat (
- i)de verdachte in het kader van de ademanalyse in ieder geval tot ten hoogste vier keer verplicht kan worden te blazen en (
- ii)dat de ademanalyse kan worden herhaald, waarna nogmaals een verplichting tot ten hoogste vier maal blazen ontstaat. Een cyclus waarbij in het geheel niet is geblazen maar die door het apparaat zelf voortijdig is beëindigd wegens een storing in het apparaat zelf of in de omgevingsvariabelen – hetgeen in overeenstemming is met het bepaalde in Bijlage 1 bij de Regeling ademanalyse – lijkt mij daarbij niet te moeten worden meegeteld. De vaststelling van het Hof dat ”te vaak” is geblazen lijkt mij zodoende blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is zij, tegen de achtergrond van hetgeen in het dossier te vinden is, onbegrijpelijk. 3.8. Dan het tweede vraagpunt, en wel het punt dat in het middel expliciet aan de orde wordt gesteld: zo er al een fout gemaakt is bestaande uit het onterecht herhalen van de ademanalyse – zoals het Hof aanneemt – dient dit dan ook te leiden tot een vrijspraak van het primair tenlastegelegde, aangezien geen sprake is van een “onderzoek” zoals bedoeld in art. 8 WVW 1994 en zoals, in diezelfde betekenis, in de tenlastelegging van dat primaire feit is opgenomen? Het middel betoogt met kracht van aan de jurisprudentie van de Hoge Raad ontleende argumenten dat het antwoord op deze vraag ontkennend moet luiden en dat lijkt mij geheel juist. 3.9. Het betreft hier als al gezegd de vraag naar hetgeen dat, zoals de Hoge Raad het ziet, behoort tot de “strikte waarborgen” waarmee het “onderzoek” als bedoeld in art. 8 lid 2 sub a WVW 1994 is omgeven. Het gaat daarbij om een leerstuk dat de Hoge Raad al ontwikkeld had voordat sprake was van wettelijke sanctionering van vormverzuimen zoals thans in art. 359a Sv is voorzien en dat ook al (lang) gold bij de voorganger van art. 8 WVW 1994, namelijk art. 26 van de Wegenverkeerswet uit 1956, waarin in eerste instantie de bloedproef als enige vorm van “onderzoek” was opgenomen. Het niet in acht nemen van essentiële vormvoorschriften bij die – ingrijpende – procedure leidde de Hoge Raad ertoe te bepalen dat alsdan geen sprake was van een “onderzoek” als bedoeld in de wettelijke zin, zodat van dat bestanddeel – en dus van de gehele tenlastelegging – moest worden vrijgesproken. De hoofdlijnen van dit stelsel zijn verder uitgebouwd, ook na invoering van de ademanalyse als primaire vorm van “onderzoek” naar het alcoholgehalte in het lichaam. Het processuele kader waarbinnen deze vraag speelt is – mede gelet op die oorsprong - geheel anders van aard dan bij art. 359a Sv het geval is; reden waarom de Hoge Raad dat laatste artikel niet van toepassing acht op het leerstuk van de “strikte waarborgen”. Bij die strikte waarborgen dient men bij de ademanalyse primair te denken aan de waarborgen die rechtstreeks in verband staan met de betrouwbaarheid (of juistheid) van het gegenereerde onderzoeksresultaat. In het verlengde daarvan – en behorend tot de strikte warborgen – ligt de mogelijkheid voor de verdachte om op verzoek een contra-expertise in de vorm van een bloedproef te laten uitvoeren (art. 10a Besluit alcoholonderzoeken). Voorbeelden van de eerste categorie zijn, zoals uit de jusrisprudentie van de Hoge Raad kan worden gedestilleerd: de eis dat het apparaat is goedgekeurd (art. 3 Besluit alcoholonderzoeken en art. 2 Regeling ademanalyse), de voorschriften met betrekking tot de uitdraai van het resultaat, en de regeling van de twintig minuten die moeten verstrijken na de (voorlopige) blaastest op straat dan wel het eerste contact met de verdachte door een opsporingsambtenaar (art. 6 Besluit alcoholonderzoeken). Ten aanzien van de bedienaar van het apparaat is dat wel de eis dat de bedienende opsporingsambtenaar ter zake deskundig moet zijn, maar behoort daartoe niet de eis dat de opsporingsambtenaar uitdrukkelijk ook is aangewezen (hoezeer dit ook is vereist in art. 7 Besluit Alcoholonderzoeken). Dit laatste geval illustreert dat niet bij alle procedurele eisen – waar wel eens wat mis kan zijn gegaan – de bewijsbaarheid van het bestanddeel ‘onderzoek’ in het geding is. Niet alle waarborgen zijn dus essentieel. Tegen deze achtergrond en met in achtneming hetgeen hierboven omtrent de totstandkoming van het voorschrift van art. 8 Besluit alcoholonderzoeken is gebleken acht ik geen grond aanwezig om hetgeen in dat voorschrift met betrekking tot het vier maal blazen is vervat tot de strikte waarborgen van art. 8 lid 2 WVW 1994 te rekenen. Met de betrouwbaarheid van de uiteindelijk wel gelukte meting heeft dat niet te maken. Naar mijn mening is bij die rubricering van het betrokken voorschrift ook een factor dat in het geheel niet aannemelijk is dat de verdachte door de gang van zaken in zijn belang is geschaad. Hooguit kan immers betoogd worden dat de opsporingsambtenaar eerder naar de – subsidiair – aangewezen bloedproef had moeten overstappen. Die zou (tenminste) een vergelijkbaar resultaat hebben opgeleverd. 3.10. Het middel slaagt. 4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Per 1 januari 2013 is art. 8 van het Besluit op een ondergeschikt punt gewijzigd. Stb. 1997, 293 (in werking treding 11 juli 1997). In Stb. 1987, 432: de toelichting op de voorganger van het huidige Besluit Alcoholonderzoeken. Zoals het geval was in HR 3 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9715, VR 1994, 211. De verdachte vond dat twee keer blazen wel genoeg was. Daarmee werd miskend dat het onderzoek herhaald kan worden. Zie de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat geleid heeft tot de invoering van de ademanalyse, Kamerstukken II 1985-1986, nr. 19 285, nr. 3 (MvT), p. 3. Vgl. Harteveld/Krabbe (red.), De wegenverkeerswet 1994, tweede druk, p. 149. HR 29 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1721; zie ook de noot van J.B.H.M. Simmelink onder het arrest in VR 2013/26. Vgl. HR 2 oktober 2007, ECLI:HR:2007:BA7952, NJ 2008, 247 m. nt. Y. Buruma. HR 31 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD2037. HR 22 december 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC9169, NJ 1993, 386. HR 3 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0841. HR 16 september 1991, ECLI:NL:HR:1991:AD1482NJ 1992, 138. HR 2 oktober 2007, ECLI:HR:2007:BA7952, NJ 2008, 247 m. nt. Y. Buruma, VR 2007, 145 m. nt. B.F. Keulen. Tenminste – omdat zoals algemeen bekend genoemd mag worden de correctiefactor bij de ademanalyse doorgaans een lager alcoholgehalte oplevert dan de bloedproef.