Nr. 15/00215 B Zitting: 19 mei 2015 Mr. Knigge Conclusie inzake: [klaagster 2] c.s.
(2x), terwijl andere omschrijvingen betrekking hebben op onder meer ANBI, (concept) vrijwilligersovereenkomst, sponsoring, PR, jaarrekening en subsidie. Ik neem daarbij ook in aanmerking dat de Rechtbank van de inhoud van de stukken heeft kennisgenomen (zie onder 5.2). Hoewel dus dit feitelijke oordeel toereikend is gemotiveerd, is daarmee, gelet op hetgeen ik onder 5.6 stelde, niet gezegd dat sprake is van corpora en instrumenta delicti. Dat die stukken “zien” op de door klagers aan [betrokkene 1] verleende diensten – waarmee de Rechtbank lijkt te bedoelen dat uit die stukken van die dienstverlening blijkt dan wel dat die stukken de stoffelijke of digitale neerslag zijn van die dienstverlening –, moge zo zijn, maar deze stukken kunnen niet, althans niet in alle gevallen, vereenzelvigd worden met de diensten die zijn verleend. 7.6. Dit brengt mee dat het middel gegrond is. Daarmee is nog niet gezegd dat het ook tot cassatie moet leiden. Ik kom daarop terug nadat ik het derde middel heb besproken. 8Het derde middel 8.1. Het middel klaagt dat het oordeel van de Rechtbank dat het beklag voor wat betreft de documenten genoemd in Bijlage III bij de beschikking ongegrond is omdat geen sprake is van informatie die door een cliënt aan klagers in hun hoedanigheid van advocaat is toevertrouwd, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is, althans onvoldoende is gemotiveerd. 8.2. Zoals hierboven reeds is aangegeven, brengt de aard van het verschoningsrecht mee dat het oordeel omtrent de vraag of bepaalde documenten object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken, in beginsel toekomt aan de tot verschoning gerechtigde persoon. Wanneer deze zich op het standpunt stelt dat kennisneming van de documenten zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. Ook hier zou ik het ervoor willen houden dat de Rechtbank deze maatstaf niet heeft miskend en dat zij met haar in paragraaf 5.5 neergelegde oordeel dat de aldaar bedoelde documenten niet onder het verschoningsrecht van klagers vallen omdat het niet gaat om informatie die door een cliënt aan klagers in hun hoedanigheid van advocaat is toevertrouwd, tot uitdrukking heeft willen brengen dat redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat het andersluidende standpunt van klagers onjuist is. 8.3. In de onderhavige zaak zijn de documenten waarop het beklag betrekking heeft, door of namens klagers onderverdeeld in categorieën. Daarvan zijn op de aangepaste Documentenlijst alleen de categorieën A en C overgebleven. Categorie A betreft volgens de overgelegde pleitnotities (p. 8/9) “processen-verbaal en andere gegevens over letselschade-patiënten, aangetroffen bij [betrokkene 1] ”. Het gaat hier, zo wordt gesteld, om “andere cliënten dan [betrokkene 1] ”. Deze stukken zouden desalniettemin onder het verschoningsrecht van klagers vallen omdat zij namen en andere gegevens over cliënten van het advocatenkantoor bevatten. In het licht van deze stellingname is het oordeel van de Rechtbank dat het niet gaat om informatie die door een cliënt aan klagers in hun hoedanigheid van advocaat is toevertrouwd, ten aanzien van de documenten van categorie A niet onbegrijpelijk te noemen. Erkend wordt immers dat deze categorie documenten geen deel uitmaakt van het vertrouwelijk verkeer tussen de klagers en [betrokkene 1] , terwijl niet is aangevoerd dat deze – onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen – stukken onderdeel vormen van het vertrouwelijke verkeer tussen klagers en de desbetreffende cliënten. Ik merk daarbij op dat het enkele feit dat bepaalde stukken gegevens bevatten over cliënten van het advocatenkantoor, niet maakt dat die stukken onder het verschoningsrecht vallen. Ook voor de stukken die niet onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen zijn, maar (direct) afkomstig waren uit de politiesystemen, geldt tenslotte dat zij gegevens bevatten over personen die beweerdelijk cliënt zijn van het advocatenkantoor. Ik wijs er daarbij ook nog op dat de klachten die in het middel worden geformuleerd, inhoudelijk gezien geen betrekking hebben op de documenten van categorie A. 8.4. Het voorgaande betekent dat het middel in elk geval niet tot cassatie kan leiden voor zover het betrekking heeft op de documenten van categorie A. Wat overblijft, zijn de documenten van Categorie C. Deze categorie betreft “gegevens t.a.v. [betrokkene 1] cq. [A] , bestaande uit rechtshulp van [klaagster 1] aan [betrokkene 1] zelf”. In de pleitnotities wordt aangevoerd dat [betrokkene 1] cliënte is geweest van klagers doordat zij [betrokkene 1] hebben bijgestaan bij het oprichten van [A] . De raadsvrouw van klagers heeft aangegeven dat “het opstellen van alle documenten, inclusief bijvoorbeeld persberichten of folder, [steeds plaatsvond] vanuit een juridisch perspectief en [aldus is] verricht in de hoedanigheid van advocaat”. Daarom zouden de stukken en correspondentie betreffende deze werkzaamheden onder het verschoningsrecht vallen. Het cassatiemiddel strekt ten betoge dat het andersluidende oordeel van de Rechtbank onbegrijpelijk is. 8.5. Ik stel voorop dat het middel raakt aan een problematiek die zijdelings aan de orde kwam in de parlementaire geschiedenis die leidde tot de onder 4.2 al even ter sprake gekomen Wet verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit (Stb. 2014, 445). De Nota naar aanleiding van het Verslag (Kamerstukken II 2013-2014, 33685, nr. 6, p. 20) houdt dienaangaande het volgende in: “De leden van de VVD-fractie merkten op dat de geheimhoudingsplicht van advocaten, notarissen en andere geheimhouders van essentieel belang is, doch gaven er blijk van zich te realiseren dat deze regeling ook kan bijdragen aan het (soms opzettelijk) frustreren van strafrechtelijk onderzoek. Zij vroegen om een reactie op het artikel van officier van justitie mevrouw Mooijen in het Financieele Dagblad van 18 mei 2013 over dit onderwerp. In dit artikel vraagt de auteur aandacht voor de discrepantie die in haar ogen bestaat tussen enerzijds de uitdijende dienstverlening van advocaten en anderzijds het gegeven dat het beroepsgeheim onveranderd blijft en zich bijgevolg dus ook over een steeds breder scala van diverse soorten activiteiten uitstrekt. De redenering van de auteur op dit punt is mijns inziens begrijpelijk. Zij richt zich vervolgens op het verschoningsrecht dat advocaten ter effectuering van hun geheimhoudingsplicht in het strafproces kunnen inroepen en stelt dat ter discussie. Het voorstel tot beperking van het verschoningsrecht heeft verstrekkende gevolgen – omdat dat ook alle andere verschoningsgerechtigden raakt – en lijkt eraan voorbijgegaan dat de reikwijdte van het verschoningsrecht mede wordt bepaald door internationale rechtspraak. Men zou zich daarom kunnen afvragen of de aandacht zich niet veeleer moet richten op de eerste vaststelling van de auteur, de steeds verder uitdijende dienstverlening van advocaten, en de vraag naar de wenselijkheid van het feit dat het beroepsgeheim onverkort van toepassing is. Maar ook dit vraagstuk is – in de eerste plaats door de beroepsgroep zelf – wellicht niet snel van een pasklaar antwoord te voorzien.” 8.6. Ik geloof niet dat het aangewezen is om het probleem van de uitdijende dienstverlening te laten voor wat het is totdat de beroepsgroep met een pasklaar antwoord is gekomen. Daarmee wil uiteraard niet gezegd zijn dat de Hoge Raad een dergelijk pasklaar antwoord zou kunnen geven. Maar wellicht kunnen in de jurisprudentie wel geleidelijk criteria worden ontwikkeld die behulpzaam kunnen zijn bij de beantwoording van de vraag of bepaalde gegevensuitwisseling onder het vertrouwelijk verkeer valt van een verschoningsgerechtigde met zijn cliënt. Uitgangspunt daarbij kan zijn dat niet alles wat bijvoorbeeld een advocaat al dan niet tegen betaling voor een als klant aangemerkte persoon verricht, onder diens geheimhoudingsplicht valt, ook niet als de dienstverlening van juridische aard is. Als bijvoorbeeld een advocaat in barre tijden van een teruglopend zaaksaanbod zijn boterham belegd poogt te houden door het geven van bijlessen aan rechtenstudenten, is van een vertrouwelijk verkeer van een raadsman met zijn cliënt geen sprake, hoe privacygevoelig de informatie die onderling wordt uitgewisseld misschien ook moge zijn. Wat nodig is om van vertrouwelijk verkeer als hier bedoeld te kunnen spreken, is tenminste dat de persoon in kwestie zich als rechtszoekende tot de advocaat heeft gewend vanwege diens hoedanigheid als advocaat. 8.7. Uit hetgeen in de pleitnotities wordt aangevoerd met betrekking tot de contacten die klagers met [betrokkene 1] onderhielden, blijkt zonneklaar dat het bij die contacten in elk geval niet uitsluitend ging om een relatie tussen een advocaat en een rechtzoekende. In een “Ten geleide” (p. 2 t/m 4) wordt geciteerd uit een uitvoerige brief die klagers aan het OM stuurden om “nuance in de zaak aan te brengen”. De strekking van de brief is dat het de normaalste zaak van de wereld was dat [betrokkene 1] politiegegevens aan letselschadeadvocaten verstrekte; dat zij dit al deed toen zij nog bij [D] werkte; dat ook andere vrijwilligers van [D] dat destijds deden en dat ook andere advocatenkantoren op deze wijze werden bediend. [betrokkene 1] zou op een gegeven moment gezegd hebben dat de politie haar gevraagd had om als contactpersoon op te treden, zodat de klagers te goeder trouw waren geweest. Wat van dat laatste ook moge zijn, in deze beklagzaak is buiten kijf dat de klagers met [betrokkene 1] geregeld contacten onderhielden die niets met een advocaat cliënt-verhouding hadden uit te staan. 8.8. Natuurlijk sluit dat niet uit dat daarnaast tevens sprake is geweest van een relatie tussen [betrokkene 1] en klagers die wel als een advocaat cliënt-verhouding moet worden aangemerkt. Zo is ook niet ondenkbaar dat de advocaat die een student bijles geeft, die student op zeker moment bijstaat in een klachtenprocedure over de beoordeling van een afgelegd tentamen. Dat maakt echter niet dat alles wat de student de advocaat tijdens de bijlessen heeft toevertrouwd opeens onder het verschoningsrecht van de advocaat komt te vallen. De vraag is en blijft welke informatie aan de advocaat in diens hoedanigheid van advocaat is toevertrouwd. Toegespitst op de onderhavige zaak betekent dit dat niet beslissend is of [betrokkene 1] zich op een gegeven moment inderdaad als klant tot klagers heeft gewend om een advies te krijgen over een door haar op te richten stichting. De vraag is wel of [betrokkene 1] in zoverre als een rechtszoekende kan worden aangemerkt die zich tot klagers heeft gewend in hun hoedanigheid van advocaat. De vraag is ook of, zo dit het geval is, of de inbeslaggenomen documenten informatie bevatten die door [betrokkene 1] in het kader van het gevraagde advies aan klagers is toevertrouwd. 8.9. Welnu, in aanmerking genomen dat (
- i)klagers zelf hebben gesteld dat zij een langdurige en werk gerelateerde relatie met [betrokkene 1] onderhielden waarbij [betrokkene 1] niet de klant, maar juist de dienstverlenende partij was; (
- ii)het geven van een advies over een op te richten stichting een vorm van dienstverlening is die heel wel door anderen dan advocaten kan worden verricht (zoals een notaris of een rechtenstudent); (iii) klagers een letselschadepraktijk uitoefenden waarbinnen het geven van adviezen over op te richten stichtingen als een wezensvreemde activiteit heeft te gelden, terwijl niet is aangevoerd dat [betrokkene 1] zich als klant met letselschade tot klagers heeft gewend; (
- iv)de inbeslaggenomen documenten, voor zover zij in een kenbaar verband met klagers staan, betrekking hebben op werkzaamheden die, zoals de Rechtbank overwoog, niet kunnen worden gerekend tot de beroepsuitoefening van een advocaat en (
- v)[betrokkene 1] tegenover de politie heeft verklaard dat die werkzaamheden “gewoon een gift” betroffen, acht ik het oordeel van de Rechtbank dat er redelijkerwijze geen twijfel over kan bestaan dat het standpunt van klagers dat hun verschoningsrecht zich tot de inbeslaggenomen documenten uitstrekte onjuist is, in het licht van (
- i)hetgeen door en namens klagers in raadkamer is aangevoerd, (
- ii)de omschrijvingen van de documenten van categorie C die in Bijlage III van de beschikking worden gegeven en (iii) het feit dat de Rechtbank van de inhoud van deze documenten heeft kennisgenomen, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. 8.10. Hetgeen in de toelichting op het middel wordt aangevoerd, kan daaraan niet afdoen. Anders dan in de schriftuur wordt gesteld, heeft het verschoningsrecht alleen betrekking op informatie die door de rechtszoekende aan de verschoningsgerechtigde is toevertrouwd. Uiteraard zal het vaak zo zijn dat brieven die een advocaat naar zijn cliënt stuurt, onder het verschoningsrecht vallen omdat uit die brieven direct of indirect blijkt dat (en waarom) de cliënt zich in vertrouwen tot de advocaat heeft gewend. Maar de opvatting dat het verschoningsrecht niet “alleen geldt voor informatie die een cliënt deelt met zijn advocaat”, maar ook “op informatie die de advocaat deelt met zijn cliënt”, is onjuist, zodat ook onjuist is dat alle brieven die een advocaat aan zijn cliënt stuurt “mitsdien” onder het verschoningsrecht vallen. 8.11. Anders dan in de schriftuur wordt aangevoerd, kan uit het feit dat de Rechtbank in haar beschikking spreekt van “een aantal brieven en geschriften [die] in beginsel [zouden] kunnen vallen onder het verschoningsrecht van klagers [en] zien op door klagers aan [betrokkene 1] verleende diensten in verband met [A] of [B] ”, niet worden afgeleid dat de Rechtbank uitgegaan is van de juistheid van de door klagers betrokken stelling dat [betrokkene 1] een cliënte van klagers was. In de bedoelde overweging kan niet meer worden gelezen dan dat de door de Rechtbank opgesomde kenmerken maken dat een nader onderzoek naar de vraag of die brieven en geschriften onder het verschoningsrecht vallen, op zijn plaats is. De Rechtbank heeft in het midden gelaten of [betrokkene 1] op enig moment klant van klagers is geweest. De Rechtbank kon dat ook in het midden laten, omdat het niet gaat om een gegeven dat beslissend is. Zie daarover punt 8.8 van deze conclusie. 8.12. Het middel faalt. 9Nogmaals het tweede middel 9.1. Ik concludeerde dat het tweede middel gegrond is, maar dat de vraag is of dat tot cassatie dient te leiden. Ik meen dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord. Voor zover het bij de stukken vermeld in Bijlage II gaat om documenten van categorie A, meen ik onder verwijzing naar hetgeen ik over die categorie onder punt 8.3 opmerkte dat een ander oordeel dan dat die documenten geen deel uitmaken van het vertrouwelijke verkeer tussen klagers en een cliënt, onbegrijpelijk zou zijn. Voor zover het gaat om stukken van categorie C kan het er mijns inziens voor gehouden worden dat de Rechtbank, als zij niet had geoordeeld dat het hier om corpora et instrumenta delicti ging, tot dezelfde slotsom zou zijn gekomen als zij is gekomen met betrekking tot de documenten van categorie C die in Bijlage III staan vermeld, namelijk dat die documenten geen deel uitmaken van het vertrouwelijke verkeer van klagers met een cliënt. Gelet immers op hetgeen de Rechtbank met betrekking tot die documenten vaststelde (namelijk dat zij zien op door klagers aan [betrokkene 1] verleende diensten in verband met [A] of [B] ) en op de omschrijvingen die in Bijlage II van die documenten worden gegeven, is van enig relevant verschil met de documenten van Bijlage III geen sprake. Een en ander maakt dat klagers bij cassatie geen belang hebben. 9.2. Ik laat dan nog daar dat de Rechtbank weliswaar overweegt niet te zijn toegekomen aan de vraag of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waarin het verschoningsrecht moet wijken voor het belang van de waarheidsvinding, maar dat in haar vaststellingen wel besloten ligt dat van dergelijke omstandigheden kan worden gesproken. Uit haar overwegingen kan immers worden afgeleid dat de Rechtbank van oordeel is dat sprake is van een redelijk vermoeden van schuld dat klagers zich ten behoeve van hun advocatenpraktijk hebben schuldig gemaakt aan actieve omkoping van een ambtenaar, terwijl dergelijke corruptie een ernstige aantasting vormt van het vertrouwen dat in de samenleving in de advocatuur moet kunnen worden gesteld en de inbreuk op het verschoningsrecht, zo daarvan al sprake is, beperkt is. 9.3. Ik merk ten slotte nog op dat de ratio legis van de wijzigingen die de Wet verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit (Stb. 2014, 445) in de regeling van de cassatieprocedure heeft gebracht (namelijk dat in beklagzaken die betrekking hebben op het professionele verschoningsrecht met uiterste voortvarendheid gestreefd moet worden naar een definitieve beslissing), wellicht vraagt om een herbezinning op de wijze waarop met het voorschrift van art. 448 lid 1 Sv wordt omgegaan. Zou de Hoge Raad, indien hij de bestreden beschikking vernietigt, niet zelf in de zaak moeten voorzien als dat op basis van de stukken kan en de klager bij nader feitelijk onderzoek onvoldoende belang heeft? 10Het vierde middel 10.1. Het middel klaagt over de verwerping van het verweer dat het openbaar ministerie niet de juiste procedure heeft gevolgd bij de inbeslagneming van de onderhavige documenten. 10.2. De Rechtbank heeft met betrekking tot het bedoelde verweer het volgende overwogen en beslist: “5.2. Ten aanzien van de rechtmatigheid van het beslag 5.2.1. Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofdzaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofdzaak te geven oordeel (vgl. Hoge Raad 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654). 5.2.2. Hieruit volgt dat het onderzoek in raadkamer zich niet kan uitstrekken tot vragen die betrekking hebben op de mogelijke onrechtmatigheid van gebruik voor het bewijs van hetgeen door de inbeslagneming is verkregen (vgl. Hoge Raad 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV3004, NJ 2013/505 m.nt. J. Legemaate). 5.2.3. Indien de teruggave van een in beslag genomen voorwerp wordt verzocht met een beroep op feiten en omstandigheden op grond waarvan de beslaglegging zelve van onwaarde moet worden geacht, zal de rechtbank moeten onderzoeken of de feitelijke grondslag van dat beroep aannemelijk is en zo ja, of die onregelmatigheid moet leiden tot gegrondverklaring van het klaagschrift (vgl. Hoge Raad 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:130). 5.2.4. Tegen de achtergrond van bovenstaand beoordelingskader is de rechtbank van oordeel dat hetgeen de klagers hebben aangevoerd over de gang van zaken omtrent de beslaglegging niet tot gegrondverklaring van het klaagschrift kan leiden. Zo er al sprake was van beslag op vertrouwelijke stukken, hetgeen hieronder nader wordt besproken, en/of van onregelmatigheden bij de wijze waarop door het Openbaar Ministerie met deze stukken is omgegaan, dwingt dit, naar het oordeel van de rechtbank, niet reeds thans tot het oordeel dat de inbeslagneming onrechtmatig is geschied. Een en ander kan bij de inhoudelijke behandeling, al dan niet in het kader van artikel 359a Sv, aan de orde worden gesteld.” 10.3. Gelet op de hiervoor ten aanzien van het tweede en het derde middel bereikte slotsom, moet er in cassatie van worden uitgegaan dat van inbeslagneming van stukken die onder het verschoningsrecht vallen, geen sprake is geweest. Dat betekent dat klagers bij het middel geen belang hebben. 10.4. Het middel faalt. 11. Alle middelen falen. Het eerste en het vierde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. 12. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen. 13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, AG Voor de motivering van dit standpunt verwijs ik kortheidshalve naar de conclusie die ik vorige week nam in de zaak met nr. 14/05189. Tot de stukken waarvan de Rechtbank kennis heeft genomen behoren blijkens de bestreden beschikking onder meer (punt 19 van de gegeven opsomming): “Ordners 1 t/m 6 als ‘aanvullend dossier’ Cabri toegezonden door het Openbaar Ministerie op 1 april jl”. Klaarblijkelijk gaat het hier om de stukken die de klagers volgens de klaagschriften “op april jl” resp. “eind maart” hebben ontvangen. De ordners bevinden zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. De paginanummers corresponderen met de paginanummers op de door de verdediging opgestelde documentenlijst. De vraag is of het de Rechtbank in een beklagprocedure als de onderhavige is toegestaan van de inhoud van de (beweerdelijke) geheimhouderstukken kennis te nemen. Vgl. de noot van F. Vellinga-Schootstra onder HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1566, NJ 2014, 476. Die vraag behoeft hier geen bespreking, nu de middelen daarop geen betrekking hebben. Het komt mij overigens voor dat, als het niet om stukken gaat die zich in een gesloten enveloppe bevinden en waarvan zowel de klagers als het OM kennis hebben kunnen nemen, tegen kennisneming daarvan door de Rechtbank geen enkel bezwaar bestaat. Met ‘ [klager 4] ’ wordt als ik het goed begrijp [klager 4] , één van de klagers, bedoeld. Zie bijv. recent HR 21 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1092, rov. 2.3. Indien de Rechtbank van oordeel was dat het leerstuk van de corpora en de instrumenta alleen betrekking heeft op strafbare feiten die door de verschoningsgerechtigde zijn begaan, berust dat oordeel op een onjuiste rechtsopvatting. Zo men al van mening zou kunnen zijn dat de ambtenaar het voorwerp van art. 277 Sr is, dan is het niet een voorwerp waarop art. 98 lid 2 Sv kan zien. Ook datgene waartoe men de ambtenaar tracht te bewegen, kan mijns inziens bezwaarlijk als het voorwerp van het strafbare feit worden aangemerkt. Het gaat daarbij immers om het oogmerk van de dader. Dat valt op te maken uit de raadkamerbehandeling en meer in het bijzonder uit de aldaar overgelegde pleitnota (p. 8/9). De verdediging legde zich neer bij het standpunt dat de Rechtbank in een eerdere beklagzaak (die als ik het goed vergrijp betrekking had op de doorzoeking van het advocatenkantoor) dat “de processen-verbaal afkomstig van [betrokkene 1] (aangetroffen bij [klaagster 1] ) en correspondentie met [betrokkene 1] rondom de verstrekking van deze processen-verbaal” corpora delicti betreffen. Dit leidde tot een gewijzigd standpunt van de verdediging. De (onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen) “correspondentie/documenten/e-mails waarin gerefereerd wordt aan het opvragen van processen-verbaal bij [betrokkene 1] ” moesten volgens de verdediging “inderdaad” worden aangeduid als corpora delicti. Ten aanzien van deze documenten beriepen de klagers zich daarom niet langer op enig verschoningsrecht. Dat leidde tijdens de behandeling tot een aanpassing van de (door de verdediging opgestelde) Documentenlijst. Met [A] wordt kennelijk [A] bedoeld. De bijlage bevat nog zes andere vermeldingen die eveneens betrekking hebben op deze brochure.