Nr. 14/02373 Zitting: 26 mei 2015 Mr. Bleichrodt Conclusie inzake: [verdachte]
(19), waarbij wel verdovende middelen werden aangetroffen, werd van iedereen afzonderlijk een proces-verbaal van verhoor verdachte, een kennisgeving van inbeslagneming (...) opgemaakt. (...) Voor iedere afzonderlijke verdachte was de aangetroffen en inbeslaggenomen hoeveelheid minder dan 5 gram softdrugs. Opmerking hof: de negentien aanwezige en verhoorde niet-ingezetenen verklaarden allen dat zij die dag softdrugs hadden gekocht in coffeeshop [C] ([betrokkene 4], p. 84-85; [betrokkene 5], p. 89-90; [betrokkene 6], p. 94-95; [betrokkene 7], p. 99-100; [betrokkene 8], p. 103-104; [betrokkene 9], p. 107; [betrokkene 10], p. 111-112; [betrokkene 11], p. 1 16-117; [betrokkene 12], p. 121-122; [betrokkene 13], p. 126-127; [betrokkene 14], p. 131-132; [betrokkene 15], p. 135-136, [betrokkene 16], p. 140-141; [betrokkene 17], p. 142-143; [betrokkene 18], p. 147-148; [betrokkene 19], p. 152-153; [betrokkene 20], p. 157-158; [betrokkene 21], p. 162-163; [betrokkene 22], p. 166-167). 2. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van de rechtbank d.d. 12 juni 2013, voor zover inhoudende: Ik was op 7 en 8 mei 2013 portier bij coffeeshop [C] in Maastricht. Op deze dagen heb ik verschillende personen toegang tot de coffeeshop verleend, van wie ik wist dat ze niet-ingezetenen van Nederland waren. Ik wist ook dat op voornoemde dagen softdrugs vanuit de coffeeshop aan niet-ingezetenen van Nederland werden verkocht.” 46. Het hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering voorts nog het volgende overwogen: “Het hof overweegt dat het hier gaat om verkoop van cannabisproducten in een coffeeshop te Maastricht, nadat door de Vereniging Officiële Coffeeshops Maastricht (VOCM) in een persbericht van 2 mei 2013 (dossierpagina 17) was aangekondigd dat de coffeeshops vanaf 5 mei 2013 weer toegankelijk zouden zijn voor niet-ingezetenen van Nederland, en nadat de burgemeester van Maastricht in een persbericht van 2 mei 2013 (dossierpagina 18) had aangekondigd dat hij het ingezetenencriterium zou handhaven en dat in overleg met het openbaar ministerie was besloten om bij overtreding van dat criterium zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk op te treden. In de coffeeshops is vervolgens bewust het ingezetenencriterium overtreden, zoals is ten laste gelegd. Dit is geschied in het kader van de bedrijfsuitoefening van de onderhavige coffeeshop en in nauwe en bewuste samenwerking van de eigenaar van de coffeeshop met diens personeel, dat als verkoper cannabisproducten verkocht aan niet-ingezeten dan wel als portier niet-ingezetenen toeliet tot de coffeeshop om daar cannabisproducten te kunnen kopen. Anders dan de rechtbank en bepleit door de verdediging komt het hof tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde medeplegen van het in de uitoefening van een bedrijf opzettelijk verkopen van hennep en/of hasjiesj, meermalen gepleegd. Verdachte heeft namelijk als portier van coffeeshop "[C]" in bewuste en nauwe samenwerking met eigenaar [medeverdachte 7] en de andere personeelsleden van de coffeeshop bijgedragen aan de verkoop van hennep en/of hasjiesj in de coffeeshop [C] aan niet-ingezetenen van Nederland. Het hof stelt vast dat in de coffeeshop waar verdachte werkzaam was, sprake was van een bedrijfsmatige structuur met een onderlinge rolverdeling met als voornaamste doel de verkoop van cannabis. Bij een coffeeshop vervult de portier een wezenlijke rol met betrekking tot deze verkoop, immers deze heeft zowel een taak bij het beperken van overlast als bij de controle op de naleving van andere gedoogcriteria, te weten leeftijd en ingezetenschap. Verdachte is door de eigenaar van de coffeeshop geïnstrueerd niet-ingezetenen toe te laten tot de coffeeshop en wist dat het de bedoeling was dat aan die niet-ingezetenen ook cannabis zou worden verkocht. Hij heeft daarmee ten minste willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat aan niet-ingezetenen die hij tot de coffeeshop toeliet cannabis zou worden verkocht. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof sprake van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking gericht op het verkopen van cannabis, ook aan niet-ingezetenen, dat gesproken kan worden van medeplegen zoals primair ten laste gelegd.” 47. Voor het bewijs van medeplegen moet sprake zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Dat de kwalificatie medeplegen gerechtvaardigd moet zijn, is mede van belang omdat het in dit verband vaak gaat om de vraag: medeplegen dan wel medeplichtigheid aan een strafbaar feit. Medeplichtigheid is alleen strafbaar in geval van misdrijf. Verder kent medeplichtigheid een beduidend lager strafmaximum (art. 49, eerste lid, Sr). Medeplegen daarentegen levert regelmatig een wettelijke strafverzwaringsgrond op (zie bijvoorbeeld art. 311, eerste lid onder 4, Sr). Waar het verwijt bij medeplegen zich concentreert op het gewicht van de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte, is het kernverwijt bij medeplichtigheid "het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf". De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. In dergelijke situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. 48. In de onderhavige zaak is de verdachte werkzaam als portier van coffeeshop "[C]". Naar het oordeel van het hof heeft hij in bewuste en nauwe samenwerking met eigenaar [medeverdachte 7] en de andere personeelsleden van de coffeeshop bijgedragen aan de verkoop van hennep en/of hasjiesj aan niet-ingezetenen van Nederland. Het hof heeft dit oordeel gemotiveerd. Het hof heeft in dit verband overwogen dat: (
- i)er in de coffeeshop waar de verdachte werkzaam was, sprake was van een bedrijfsmatige structuur met een onderlinge rolverdeling met als voornaamste doel de verkoop van cannabis. Bij een coffeeshop vervult de portier een wezenlijke rol met betrekking tot deze verkoop. Deze heeft immers zowel een taak bij het beperken van overlast als bij de controle op de naleving van andere gedoogcriteria, te weten leeftijd en ingezetenschap; (
- ii)de verdachte door de eigenaar van de coffeeshop is geïnstrueerd niet-ingezetenen toe te laten tot de coffeeshop en wist dat het de bedoeling was dat aan die niet-ingezetenen ook cannabis zou worden verkocht. Volgens het hof heeft de verdachte daarmee ten minste willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat aan niet-ingezetenen die hij tot de coffeeshop toeliet cannabisproducten zouden worden verkocht. 49. Het oordeel van het hof dat in de onderhavige zaak sprake is van een zodanig bewuste en nauwe samenwerking gericht op het verkopen van cannabisproducten, ook aan niet-ingezetenen, dat van medeplegen kan worden gesproken, acht ik niet zonder meer begrijpelijk. Ik wijs daartoe op het volgende. 50. Uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat de verdachte in de coffeeshop ‘[C]’ de functie van portier vervulde. De verdachte heeft in deze functie op 7 en 8 mei 2013 welbewust aan niet-ingezetenen toegang tot de coffeeshop verleend. Daarbij gaat het om een gedraging die vooraf gaat aan het bewezen verklaarde feit, te weten de bedrijfsmatige verkoop van hennep en/of hasjiesj. Uit de bewijsvoering volgt niet dat de verdachte tijdens de verkoop als zodanig een bijdrage heeft geleverd, in die zin dat gesproken kan worden van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Het lag dan ook op de weg van het hof in de bewijsvoering aandacht te besteden aan de vraag of zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Het hof heeft in dat verband overwogen dat de portier bij de verkoop van cannabis een wezenlijke rol vervult in verband met zijn taak overlast te beperken en te controleren op de naleving van andere gedoogcriteria, te weten leeftijd en ingezetenschap. Naar mijn mening kan uit deze algemeen omschreven taak van de portier en de daaruit voortvloeiende werkzaamheden nog niet volgen dat zijn bijdrage aan de verkoop van hennep en/of hasjiesj als zodanig van voldoende gewicht is om onder het bereik van het medeplegen te komen. Weliswaar zal de portier door personen toe te laten tot de coffeeshop de verkoop van cannabisproducten hebben bevorderd, maar een dergelijke bijdrage voorafgaand aan het strafbare feit past in de regel beter bij medeplichtigheid dan bij medeplegen, zoals in deze zaak ook het standpunt was van de officier van justitie, de advocaat-generaal bij het hof en de rechtbank. Dat sprake was van een onderlinge rolverdeling met het oog op de verkoop van cannabis, zoals het hof overweegt, doet aan het voorafgaande niet af. Die omstandigheid beïnvloedt immers niet het gewicht van de bijdrage van de verdachte aan het feit. 51. De bewezenverklaring is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Het middel is terecht voorgesteld. 52. Het eerste middel faalt. Het tweede middel slaagt. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen. 53. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het tegen deze uitspraak gerichte hoger beroep van de burgemeester gegrond. Vgl. RvS 18 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2181. Op deze uitspraak kom ik later in deze conclusie nog terug. Aldus de nota ‘Gedogen in Nederland’, Kamerstukken II 1996/97, 25 085, nrs. 1-2, p. 37. Zie nader: P.H.P.H.M.C. van Kempen en M.I. Fedorova, Internationaal recht en cannabis, Deventer: 2014 en T. Blom, Opiumwetgeving en drugsbeleid, tweede druk, Deventer 2015. Vgl. art. 167, tweede lid, Sv en Van Kempen en Fedorova, a.w., o.a. p. 5. Zie de annotatie van F.R. Vermeer bij RvS 20 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO1169, AB 2011/76. Kamerstukken II, 2011/12, 24 077, nr. 265. Sedert 1 maart 2015 is een nieuwe Aanwijzing Opiumwet in werking getreden (Stcrt. 27 februari 2015, nr. 5391). Per die datum zijn handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van de handel in en productie of teelt van middelen vermeld op lijst II strafbaar gesteld in het nieuwe artikel 11a Opiumwet. Deze bepaling kent een opzet- en een schuldvariant; de Aanwijzing gaat nader in op de schuldvariant met betrekking tot illegale hennepteelt. Zie paragraaf 2.3 van de Aanwijzing (oud). Zie de Aanwijzing (oud), alsmede Kamerstukken II 2012/13, 24 077, 293. Tot 18 mei 2013 heeft gegolden het Damoclesbeleid Coffeeshops 2013, tot stand gekomen op 21 januari 2013 en in werking getreden op 2 februari 2013. Op 18 mei 2013 is een nieuw Damoclesbeleid Coffeeshops 2013 in werking getreden. Zie de uitspraak 201304752/1/A3 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2181, rov. 9.1. Vgl. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280, NJ 2013/109, m.nt. Schalken. Vgl. HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5002 en HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:536, NJ 2015/2000, m.nt. Reijntjes. Vgl. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:7, NJ 2013/563, m.nt. Van Kempen. Vgl. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:7, NJ 2013/563, m.nt. Van Kempen. Kamerstukken II 1996/97, 25 392, nr. 3, p. 10. HvJ EU 16 december 2010, C-137/09, ECLI:NL:XX:2010:BO8814, NJ 2011/290 m.nt. A.H. Klip. Zie voorts de daarop gevolgde uitspraak van de Afdeling: RvS 29 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ9684, JB 2011/250, m.nt. Schutgens. Zie de conclusie van Staatsraad A-G L.A.D. Keus van 24 december 2013 in de zaken 201304752/2/A3, 201304645/2/A3 en 201301818/2/A3, ECLI:NL:RVS:2013:2532, onder 9.13. Zie de in de vorige noot genoemde conclusie, onder 10.1. RvS 29 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ9684, JB 2011/250, m.nt. Schutgens. Zie rov. 42. Zie rov. 70. Zie rov. 75 en 76. Vgl. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280, NJ 2013/109. WODC-rapport “Coffeeshops, toeristen en lokale markt. Evaluatie van het Besloten club- en het Ingezetenencriterium voor coffeeshops. Eindrapport”, M. van Ooyen-Houben, B. Bieleman & D.J. Korf, Cahier 2014-12, p. 53. Bijlage bij Kamerstuk II, vergaderjaar 2013/14, 24077, nr. 320. Kamerstuk II, vergaderjaar 2013/14, 24077, nr. 320. Zie eveneens de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de RvS, 201304752/1/A3, van 18 juni 2014, rov. 14. Vgl. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474 en HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718.