procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. M.E. van Hilten Advocaat-Generaal Conclusie van 6 juli 2015 inzake: HR nr. 14/02785 [A] Hof nrs. 13/00225 t/m 13/00230 Rb nrs. AWB 12/1110 t/m 12/1115 Derde Kamer A tegen Douanerechten en omzetbelasting 18 mei 2005 – 3 oktober 2006 staatssecretaris van Financiën 1Inleiding 1.1 Kip. De reclame wil dat dit het meest veelzijdige stukje vlees is. Voor het douanerecht geldt dat in zekere zin ook: aan diverse arresten over onder meer tariefindeling en procesrechtelijke perikelen ligt – al dan niet gekruid – kippenvlees ten grondslag. Ook in deze procedure gaat het om kippenvlees. Meer specifiek de prijs daarvan die ten tijde van de invoer is gehanteerd. Aan de orde is de vraag of een constructie waarbij via een keten van transacties de prijs van (in te voeren) kippenvlees is opgedreven om de heffing van aanvullende douanerechten te ontlopen, misbruik van recht vormt. 1.2 Bij de invoer van bepaalde landbouwproducten – waaronder het in geding zijnde kippenvlees – geldt namelijk dat aanvullende douanerechten verschuldigd zijn, wanneer de prijs van de producten ‘bij aankomst’ aan de buitengrens van de EU beneden een bepaalde minimumprijs ligt. In deze procedure ligt de ‘invoerprijs’ boven deze minimumprijs, zodat in beginsel geen aanvullend recht verschuldigd is. 1.3 Het punt is echter dat de overschrijding van de minimumprijs (bewust) is bewerkstelligd door het kippenvlees een aantal malen te verhandelen. Daarbij is in de keten van transacties (vóór de invoer) een verkoper betrokken, die later (ná de invoer) ook weer koper is, en wiens aandelen nagenoeg alle in handen zijn van een van de (groot)aandeelhouders en/of bestuurders (van wie belanghebbende er een
(4)Ist die Zollschuld aufgrund einer Handlung entstanden, die zu dem Zeitpunkt, als sie begangen wurde, strafbar war, so kann die Mitteilung unter den Voraussetzungen, die im geltenden Recht festgelegt sind, noch nach Ablauf der Dreijahresfrist nach Absatz 3 erfolgen. Engels (…) However, where it is as a result of an act that could give rise to criminal court proceedings that the customs authorities were unable to determine the exact amount legally due, such communication may, in so far as the provisions in force so allow, be made after the expiry of such three-year period. 4. Where the customs debt is the result of an act which, at the time it was committed, was liable to give rise to criminal court proceedings, the amount may, under the conditions set out in the provisions in force, be communicated to the debtor after the expiry of the three-year period referred to in paragraph 3. Frans (…) Toutefois, lorsque c'est par suite d'un acte passible de poursuites judiciaires représsives, que les autorités douanières n'ont pas été en mesure de déterminer le montant exact des droits légalement dus, ladite communication est, dans la mesure prévue par les dispositions en vigueur, effectuée après l'expiration dudit délai de trois ans. 4. Lorsque la dette douanière résulte d'un acte qui était, au moment où il a été commis, passible de poursuites judiciaires répressives, la communication au débiteur peut, dans les conditions prévues par les dispositions en vigueur, être effectuée après l'expiration du délai de trois ans prévu au paragraphe 3. 8.3.8 Het is dan ook de vraag welke betekenis moet worden toegekend aan de wijziging in de formulering. De rechtspraak van het HvJ geeft geen duidelijkheid. Weliswaar is in het arrest van 17 juni 2010, Agra, C-75/09; ECLI:EU:C:2010:352 (hierna: arrest Agra) de nieuwe tekst van artikel 221 (namelijk die van lid 4) van het CDW aan de orde, en in punt 32 van dat arrest verwijst het HvJ naar artikel 221, lid 4, maar geeft hij de tekst weer van het oude artikel 221, lid 3, van het CDW: “(…) bepaalt artikel 221, lid 4 van het douanewetboek dat de douaneautoriteiten, wanneer zij als gevolg van een vervolgbare handeling niet in staat zijn geweest het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten vast te stellen, de genoemde mededeling (…) nog na het verstrijken van de genoemde termijn [MvH: de driejaarstermijn van artikel 221, lid 1 van het CDW] mogen doen (arrest Snauwaert e.a., (…), punt 29).” 8.3.9 Neemt het HvJ hier nu als uitgangspunt dat de wijziging van de formulering van de bepaling geen materiële wijziging heeft ingehouden? Of is sprake van een vergissing van het HvJ in die zin dat van de goede bepaling abusievelijk de verkeerde tekst is aangehaald? In het hierna nog aan te halen punt 34 van het arrest wordt wel weer gesproken over een ‘douaneschuld, wanneer deze het gevolg is van een [strafrechtelijk vervolgbare] handeling’. Wat is de betekenis daarvan? Het lijkt mij allemaal niet heel ‘klemvast’. 8.3.10 Dit alles roept de vraag op of deze kwestie aan het HvJ moet worden voorgelegd, opdat hij zich expliciet uitlate over de reikwijdte van de in artikel 221, lid 4, van het CDW opgenomen kan-bepaling. Ik kom hierop terug in onderdeel 8.6. 8.4 Strafrechtelijk vervolgbare handeling 8.4.1 Het begrip ‘strafrechtelijk vervolgbare handeling’ dat in artikel 221, lid 4, van het CDW (en haar voorgangers) wordt gehanteerd, is wel bij het HvJ aan de orde geweest. Diverse malen zelfs. Bijvoorbeeld in het – nog onder de werking van de Verordening Navordering gewezen – arrest van 18 december 2007, ZF Zefeser – Importação e Exportação de Produtos Alimentares, C-62/06, ECLI:EU:C:2007:811 (hierna: arrest Zefeser), waarin de vraag voorlag of de douaneautoriteiten kunnen bepalen of sprake is van een ‘strafrechtelijk vervolgbare handeling’ (in de zin van de Verordening Navordering) of dat dit voorbehouden is aan de strafrechter. Het HvJ oordeelde dat de door de douaneautoriteiten gegeven kwalificatie de doorslag geeft (met mijn cursivering): “21. (…) De uitzondering op de verjaringstermijn van drie jaar krachtens artikel 3 van verordening nr. 1697/79 [is] van toepassing (…) wanneer “de bevoegde autoriteiten constateren dat zij ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat waren het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten bij invoer of bij uitvoer ter zake van het betrokken goed vast te stellen”. 22. Uit de formulering van deze bepaling blijkt duidelijk dat de autoriteiten die bevoegd zijn om een handeling te kwalificeren als “strafrechtelijk vervolgbare handeling”, dezelfde zijn als de autoriteiten die ten gevolge van een dergelijke handeling de verschuldigde douanerechten niet hebben kunnen heffen en deze derhalve willen navorderen. Zoals met name blijkt uit artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1697/79, is het ondubbelzinnig de taak van de douaneautoriteiten van de lidstaten om het bedrag van deze rechten te bepalen en een navorderingsprocedure in te leiden (…). 23. In de tweede plaats wordt de stelling van ZF Zefeser, dat de verjaringstermijn van drie jaar slechts opzij kan worden gezet in geval van een strafrechtelijke veroordeling, weersproken door de formulering zelf van artikel 3, eerste alinea, van verordening nr. 1697/79. 24. Deze bepaling spreekt namelijk niet van een strafrechtelijke veroordeling of zelfs maar van de inleiding van een strafvervolging, maar ondubbelzinnig van het begaan van een handeling die gewoonweg strafrechtelijk vervolgbaar is. (…) 25. Hieruit volgt dat voor de toepassing van de uitzondering van artikel 3 van verordening nr. 1697/79 wat de verjaringstermijn voor de navordering van niet-geheven rechten betreft, niet is vereist dat de strafrechtelijke autoriteiten van een lidstaat daadwerkelijk een strafvervolging hebben ingesteld die tot een veroordeling van de betrokken daders heeft geleid, en nog minder dat de strafvervolging niet is verjaard. 26. In het kader van de toepassing van artikel 3 behoort de kwalificatie van een handeling als “strafrechtelijk vervolgbare handeling” in de zin van de eerste alinea van dit artikel derhalve tot de bevoegdheid van de douaneautoriteiten die het juiste bedrag van de betrokken in‑ of uitvoerrechten moeten bepalen.” 8.4.2 Dat hetgeen het HvJ oordeelde onder de werking van de Verordening Navordering evenzeer opgeld doet onder de werking van het CDW moge blijken uit het arrest van 16 juli 2009, Snauwaert e.a., in de gevoegde zaken C-124/08 en C-128/08, ECLI:EU:C:2009:469 (hierna: arrest Snauwaert), gewezen over een tijdvak waarin de verlenging van de termijn nog in artikel 221, lid 3, van het CDW was ondergebracht: “25. (…) de uitdrukking “strafrechtelijk vervolgbare handeling” in artikel 221, lid 3, van het douanewetboek (…) heeft [betrekking] op handelingen die in de rechtsorde van de lidstaat waarvan de bevoegde autoriteiten rechten navorderen, als strafbare feiten in de zin van het nationale strafrecht worden aangemerkt (…). 26. Het Hof heeft eveneens gepreciseerd dat de kwalificatie van een handeling als “strafrechtelijk vervolgbare handeling” door de douaneautoriteiten geen vaststelling is dat daadwerkelijk een strafbaar feit is gepleegd. Deze kwalificatie wordt slechts verricht in het kader van en voor de doeleinden van een procedure van administratieve aard die uitsluitend tot doel heeft, deze autoriteiten in staat te stellen een onjuiste of onvoldoende heffing van in- of uitvoerrechten te corrigeren (zie naar analogie, met betrekking tot artikel 3 van verordening nr. 1697/79, arrest van 18 december 2007, ZF Zefeser, C-62/06, Jurispr. blz. I-11995, punt 28).” 8.4.3 Ondanks dat het arrest Snauwaert ziet op het ‘oude’ artikel 221, lid 3, van het CDW, meen ik dat hetgeen daarin is overwogen omtrent de invulling van het begrip ‘strafrechtelijk vervolgbare handeling’ eveneens van toepassing is onder het huidige vierde lid van artikel 221 van het CDW. 8.5 Overeenkomstig de in de geldende bepalingen daartoe gestelde voorwaarden 8.5.1 De verlenging van de driejaarstermijn kunnen de lidstaten naar eigen discretie invullen, namelijk ‘overeenkomstig de in de geldende bepalingen daartoe gestelde voorwaarden’. Verwezen zij naar het arrest Agra, waarin het HvJ dat nog eens duidelijk maakt in de punten 34 en 35: “34. (…) opgemerkt [moet worden] dat artikel 221, lid 4, van het douanewetboek, door slechts te refereren aan “de in de geldende bepalingen daartoe gestelde voorwaarden”, naar het nationale recht verwijst voor de regelgeving inzake de verjaring van de douaneschuld, wanneer deze het gevolg is van een handeling die op het tijdstip dat zij werd verricht, vervolgbaar was. 35. Nu het recht van de Unie ter zake geen gemeenschappelijke regels stelt, is het dus aan elk van de lidstaten om regels te stellen voor de verjaring van douaneschulden die niet konden worden vastgesteld vanwege een vervolgbaar feit (zie naar analogie arrest van 16 oktober 2003, Hannl-Hofstetter, C-91/02, Jurispr. blz. I-12077, punten 18-20, en arrest Molenbergnatie, reeds aangehaald, punt 53).” 8.5.2 De omstandigheid dat de lidstaten de verlengde mededelingstermijn nader mogen invullen, betekent naar ik meen overigens niet dat de lidstaten verder mogen gaan dan artikel 221, lid 4, van het CDW toestaat. Anders gezegd: verlenging is alleen mogelijk indien de douaneschuld is ontstaan ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling. 8.5.3 Nederland heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de mededelingstermijn te verlengen. In de tijd waarin de onderhavige procedure zich afspeelde was dit uitgewerkt in artikel 22e van de AWR, dat als volgt luidde: “1. Indien het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten bij invoer niet is komen vast te staan ten gevolge van een strafrechtelijk vervolgbare handeling kan de uitnodiging tot betaling worden vastgesteld binnen vijf jaren te rekenen vanaf de datum waarop de douaneschuld is ontstaan. 2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van personen wier handelen of nalaten niet was gericht op ontduiking van de rechten bij invoer.” 8.5.4 Het valt op dat de bepaling in de AWR afwijkt van de bepaling uit het CDW. Teneinde de verlengde navorderingstermijn van vijf jaar te kunnen toepassen moet in Nederland immers sprake zijn van een handelen of nalaten dat is gericht op ontduiking van rechten bij invoer; een voorwaarde die niet in artikel 221, lid 4, van het CDW is opgenomen. Het lijkt mij dat de nationale wetgever deze eis mag stellen, nu deze uitwerking niet verder, maar juist minder ver gaat dan artikel 221, lid 4, van het CDW, toestaat (vgl. punt 8.5.2). 8.6 Drie jaar of vijf jaar? – enige ambtshalve overwegingen 8.6.1 Gelet op artikel 201, lid 2, van het CDW, moet ervan worden uitgegaan dat de douaneschuld bij invoer ontstaat op het tijdstip waarop de desbetreffende douaneaangifte wordt aanvaard. In casu is dat – zo valt uit de tot de stukken behorende bijlagen bij de utb’s af te leiden (zie punt 2.2.3 van deze conclusie) – geweest tussen 11 mei 2005 en 25 juni 2008. 8.6.2 De eerste drie uitnodigingen tot betaling dateren van 10 september 2008. Dat is voor de nagevorderde douaneschulden die zijn ontstaan vóór 11 september 2005, ná het verstrijken van de termijn van drie jaar, maar voordat de (verlengde) termijn van vijf jaar van artikel 22e AWR was verstreken. Voor deze douaneschulden geldt dat - als ervan wordt uitgegaan (vgl. onderdeel 8.2 van deze conclusie) dat de bepaling uit het oude artikel 221, lid 3, van het CDW geen materiële wijziging heeft ondergaan met haar onderbrenging in artikel 221, lid 4, van het CDW – de vraag moet worden beantwoord of het niet kunnen berekenen van de correcte (hoogte van
- de)douaneschuld, te wijten was aan een strafrechtelijk vervolgbare handeling. 8.6.3 Naar ik meen is dat niet het geval. Gezien het verloop van de procedure c.q. het daaraan voorafgaande onderzoek, moet ervan worden uitgegaan dat (ook) aan deze utb’s ten grondslag ligt dat de in deze zaak gehanteerde transactiestructuur misbruik van recht vormde. En hoewel laakbaar, vormt misbruik van recht geen strafrechtelijk vervolgbare handeling. Uitgangspunt van misbruik is immers dat de letter van de wet (Verordening) keurig is gevolgd, maar dat dit op een zodanige wijze is gedaan dat daaruit – kort gezegd – een door het Europese recht onbedoeld (maar door de misbruiker wel bedoeld) voordeel is verkregen. 8.6.4 Ik meen uit de arresten Emsland-Stärke en Halifax te mogen opmaken dat ook het HvJ ervan uitgaat dat misbruik van recht niet bestraft moet worden (maar wel geherdefinieerd). Ik citeer punt 93 uit het arrest Halifax: “93. Verder zij eraan herinnerd dat de vaststelling van een misbruik niet moet leiden tot een sanctie, waarvoor een duidelijke en ondubbelzinnige rechtsgrondslag vereist is, maar tot een verplichting tot terugbetaling als louter gevolg van deze vaststelling van een misbruik, waardoor de voorbelasting ten onrechte geheel of ten dele in aftrek is gebracht (zie in die zin arrest Emsland Stärke, (…) punt 56).” 8.6.5 Ervan uitgaande dat misbruik van recht geen strafrechtelijk vervolgbare handeling is, betekent dit dat voor de utb’s waaraan misbruik ten grondslag ligt, niet wordt toegekomen aan toepassing van de verlengde mededelingstermijn van artikel 221, lid 4, van het CDW. Dat betekent dat – in elk geval voor de in de eerste drie utb’s opgenomen douaneschulden die zijn ontstaan vóór 11 september 2005 – niet aan de orde is de vraag of voor toepasbaarheid van artikel 221, lid 4 (c.q. de equivalente nationale bepaling) nodig is dat de douaneschuld is ontstaan door een strafrechtelijk vervolgbare handeling. Het HvJ hoeft derhalve op dit punt en voor deze utb’s niet geraadpleegd te worden (vgl. punt 8.3.10 van deze conclusie, waarin ik deze vraag opwierp). 8.6.6 Ik kom dan bij de laatste drie utb’s. Naar ik meen zijn deze opgelegd binnen de termijn als bedoeld in artikel 221, lid 3, van het CDW en wordt ook bij deze utb’s niet toegekomen aan de toepasbaarheid van de verlenging van de termijn uit het vierde lid. 8.6.7 Ik licht dat als volgt toe. 8.6.8 Tegen de eerste drie utb’s (van 10 september 2008) is, blijkens de stukken van het geding, bezwaar gemaakt op 22 september 2008. Door het instellen van bezwaar – de eerste fase van ‘beroep’ in de zin van artikel 243 van het CDW – werd de termijn van drie jaar waarbinnen mededeling moest worden gedaan, geschorst ingevolge artikel 221, lid 3, van het CDW (ik verwijs naar onderdeel 8.2. van deze conclusie) en wel voor de duur van het bezwaar (of preciezer: ‘het beroep in de zin van artikel 243’ van het CDW). Nu de uitspraken op bezwaar ten aanzien van alle zes utb’s dateren van 16 januari 2012, moet worden vastgesteld dat de driejaarstermijn voor mededeling in elk geval van 22 september 2008 tot 16 januari 2012 geschorst moet zijn geweest. 8.6.9 De laatste drie utb’s waren toen echter al opgelegd: deze dateren immers van 7 en 10 mei 2010. Dit betekent mijns inziens dat moet worden vastgesteld dat deze (aanvullende) utb’s – die voor het overgrote deel op dezelfde douaneschulden zien als de eerste drie utb’s – niet buiten de termijn van artikel 221, lid 3, van het CDW zijn opgelegd. In tegendeel, zij zijn uitgereikt op een tijdstip waarop de klok van de mededelingstermijn stilstond: namelijk toen de driejaarstermijn geschorst was. 8.6.10 Dat noopt tot de conclusie dat ook bij deze utb’s niet de vraag speelt of zij veroorzaakt zijn door een strafrechtelijk vervolgbare handeling. Navordering was, gezien de schorsing van de mededelingstermijn, ook zonder gebruikmaking van een verlengde mededelingstermijn mogelijk, met uitzondering van de mededeling van de douaneschulden die vóór 11 september 2005 zijn ontstaan. Kortom, ook deze utb’s vallen buiten de werkingssfeer van artikel 221, lid 4, van het CDW (maar gewoon onder artikel 221, lid 3), zodat ook ten aanzien van deze utb’s niet de in 8.3.10 opgeworpen vraag behoeft te worden beantwoord. 8.6.11 Met betrekking tot het derde middel, kom ik derhalve ambtshalve tot de slotsom dat het middel slaagt nu een aantal van de in de zes utb’s vervatte douaneschulden te laat zijn medegedeeld, en derhalve niet nagevorderd hadden mogen worden. 9Overeenkomst samenwerking Duitsland – Zwitserland (middel 4) 9.1 Ter onderbouwing van de in mei 2010 uitgereikte utb’s heeft de Inspecteur mede gebruikt gemaakt van informatie verkregen van de Duitse autoriteiten. Deze autoriteiten hebben de betreffende informatie in juli 2009 verkregen van de Zwitserse autoriteiten op grond van de Overeenkomst. 9.2 Belanghebbende voert in cassatie aan dat de Inspecteur die informatie niet mag gebruiken voor de belastingheffing. 9.3 Op grond van artikel 13, lid 4, van het CDW – op 11 mei 2005 in werking getreden bij Verordening (EG) nr. 648/2005 van het Europees Parlement en de Raad – mogen (met mijn cursivering): “In het kader van de (…) controles (…) douane- en andere bevoegde autoriteiten, zoals veterinaire diensten en politiediensten, gegevens die zij hebben ontvangen in het kader van binnenkomst, uitgang, doorvoer, overbrengen en bijzondere bestemming van goederen welke vervoerd worden tussen het douanegebied van de Gemeenschap en derde landen en van de aanwezigheid van goederen die niet de status van communautaire goederen hebben, aan elkaar, de douaneautoriteiten van de lidstaten en de Commissie doorgeven indien dit vereist is om de risico's te minimaliseren.” 9.4 Op grond van deze bepaling kunnen de Nederlandse en de Duitse douaneautoriteiten elkaar derhalve bijstaan en gegevens uitwisselen. Daarvoor is de Overeenkomst niet nodig. 9.5 Het vierde middel faalt. 10Recapitulatie van de middelen 10.1 Naar volgt uit hetgeen ik heb betoogd in onderdeel 6 van deze conclusie faalt het door belanghebbende voorgestelde eerste middel. Datzelfde lot treft het vierde middel (zie onderdeel 9 van deze conclusie). 10.2 Het derde middel zou mijns inziens (ambtshalve) slagen en tot cassatie en verwijzing moeten leiden – ik verwijs naar onderdeel 8 van deze conclusie. 10.3 Verwijzing is mijns inziens echter (nog) niet aan de orde in verband met de naar mijn mening bestaande noodzaak om ten aanzien van het schuldenaarschap van belanghebbende (het tweede middel) de in punt 7.17 geformuleerde prejudiciële vraag voor te leggen aan het HvJ. 11Conclusie Ik geef de Hoge Raad in overweging het geding te schorsen en op de voet van artikel 267 VWEU het HvJ te verzoeken om een prejudiciële beslissing inzake de onder punt 7.17 van deze conclusie geformuleerde vraag, en iedere verdere beslissing aan te houden totdat het HvJ naar aanleiding van voormeld verzoek uitspraak heeft gedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Zie bijvoorbeeld HvJ 10 november 2011, X, C-319/10 en C-320/10; ECLI:EU:C:2011:720, HvJ 18 juli 2007, FTS, C-310/06, ECLI:EU:C:2007:456 en – overigens over kalkoenvlees – HvJ 17 maart 1983, Dinter, nr. 175/82; ECLI:EU:C:1983:86. Het arrest van 31 maart 2005, [D] , C-499/03P, ECLI:EU:C:2005:136, over gewettigd vertrouwen in de zin van artikel 220, lid 2, onderdeel b, van het CDW, kan met wat goede wil ook in deze categorie worden gerangschikt. Zie bijvoorbeeld HvJ 13 januari 2004, Kühne en Heitz, C-453/00; ECLI:EU:C:2004:17 over de gevolgen van een prejudicieel arrest nadat een andersluidend besluit van de nationale autoriteiten – na een gerechtelijke procedure tot in hoogste instantie – definitief is geworden. Ik merk hier op dat hoewel een van de uitnodigingen tot betaling ook omzetbelasting vermeldt, tegen de heffing daarvan geen middel is ingesteld. Besluit van 4 maart 1996 verband houdende met de herziening van de douanewetgeving (Douanebesluit); Stb. 1996, 166. Gevestigd te [Q] (Duitsland). Ik ga ervan uit dat [D] alle aandelen in [F] houdt. Feitelijk vastgesteld is dat niet. [G] is gevestigd in [S] (Zwitserland). Dit bedrag wordt in januari 2006 verhoogd met CHF 83.333 (zie de feiten zoals vastgesteld door Hof Amsterdam). Uit de bijlagen bij de nader te noemen utb’s leid ik af dat er ook aangiften zijn die al vóór deze periode (namelijk 11 mei 2005) zijn aanvaard. Uit de utb’s leid ik af dat het voornamelijk ging om de invoer van bevroren rauw pluimveevlees zonder been, van oorsprong uit Brazilië, van de postonderverdelingen 0207 14 10 00 of 1602 3211 00 van de Gecombineerde Nomenclatuur. Inspecteur, mede namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van de Belastingdienst/Douane [P] . Verordening (EG) nr. 1484/95 van de Commissie van 28 juni 1995 houdende bepalingen voor de toepassingen van de aanvullende rechten in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede ovalbumine, en houdende vaststelling van representatieve prijzen en intrekking van Verordening nr. 163/67/EEG, PB L 145, blz. 47. Rechtbank Noord-Holland en Hof Amsterdam vermelden niet van wie de aanvullende informatie is gevraagd. Gelet op de tekst van artikel 3, lid 4, van Uitvoeringsverordening moet het gaan om informatie die bij [F] is ingewonnen. Voor zover van belang luidt de betreffende bepaling namelijk (mijn cursivering): “De importeur moet (…) uiterlijk binnen zes maanden (…) vanaf de datum waarop de aangifte voor het vrije verkeer is aanvaard, bewijzen dat de partij is afgezet tegen zodanige condities dat de opgegeven prijs (…) juist is. (…)”. Cif staat voor ‘cost insurance and freight’. De verkoper zorgt voor het vervoer tot de haven van bestemming en zorgt er voor dat de goederen zijn verzekerd. Zie bijlage 16 bij het verweerschrift van de Inspecteur in de procedure voor Hof Amsterdam. Zie punt 5.2.3 van het controlerapport en de hierna te melden utb’s van 10 september 2008. Deze zijn als bijlage 4 bij het verweerschrift van de Inspecteur in de procedure voor Hof Amsterdam gevoegd. In zijn uitspraak hanteert Hof Amsterdam abusievelijk de eindletters “C”, in plaats van “D” bij de vermelding van de utb-nummers. MvH: Deze aangifte maakt deel uit van de correctie die bij de (in punt 2.3.3 bedoelde) als tweede vermelde utb van 10 september 2008 heeft plaatsgevonden. Vgl. punt 2.6 van de (door het Hof overgenomen) uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland. Hof Amsterdam heeft ook bij de vermelding van deze utb’s een onjuiste eindletter gehanteerd (in de uitspraak). Zie bijlage 10 bij het verweerschrift van de Inspecteur in de procedure voor Hof Amsterdam. Het bericht is ondertekend, maar ik kan niet zien of het belanghebbendes handtekening is. Belanghebbende heeft zes beroepschriften ingediend bij de Rechtbank. Tractatenblad 2004, 332. Brief van de Staatssecretaris van 27 november 2014. Aan elk van de betrokkenen zijn op dezelfde data als waarop aan belanghebbende utb’s zijn uitgereikt, utb’s uitgereikt en wel tot dezelfde bedragen als waarvoor belanghebbende tot betaling is uitgenodigd. Verwezen zij naar de uitspraken van Hof Amsterdam in de zaken met de HR nrs. 14/02786 ( [X] ), 14/02788 ( [B] ) en 14/02789 ( [D] ). Uit het controlerapport leid ik af dat er ook utb’s zijn uitgereikt aan [F] en de aangevers ( [AA] B.V. en [BB] B.V.). Artikel 213 van het CDW luidt: “Indien er voor eenzelfde douaneschuld verscheidene schuldenaren zijn, zijn zij hoofdelijk tot betaling van deze schuld gehouden.”. Kippenvlees geldt op grond van artikel 32, leden 1 en 2, EG en de bij dat verdrag behorende Bijlage I als landbouwproduct. Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon (1 december 2009) de Unie. Omdat de feiten van de onderhavige zaak zich vóór de inwerkingtreding van ‘Lissabon’ plaatsvinden, hanteer ik in deze conclusie ook wel de term Gemeenschap in plaats van Unie. De gemeenschappelijke markt, waarvan de EG/EU zich de instelling ten doel stelt (vgl. artikel 2 EG) omvat, blijkens artikel 32 EG de landbouw en de handel in landbouwproducten. PB L 282, blz. 77. Deze verordening is met ingang van 1 juli 2008 ingetrokken en vervangen door Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007, PB L 299, blz. 1 (vgl. artikel 201, lid 1, onder c, van laatstgenoemde verordening). MvH: ‘fob’ staat voor ‘free on board’. Deze Incoterm houdt in dat alle kosten (de kosten van het vervoer naar de haven, de overslag etc.) om je zending aan boord van het schip in de haven van vertrek te krijgen, voor rekening van de verkoper zijn. Zie artikel 3, lid 1, van de Uitvoeringsverordening: “Het aanvullende recht wordt op basis van de cif-invoerprijs van de betrokken partij vastgesteld, overeenkomstig artikel 4.”. Opgemerkt zij dat de representatieve prijzen in bijlage I bij de Uitvoeringsverordening zijn opgenomen, maar in de geconsolideerde versie van die verordening niet worden vermeld omdat zij ‘regelmatig worden vervangen door besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben’. Artikel 4 van de Uitvoeringsverordening luidt: “Als het verschil tussen de betrokken reactieprijs (…) en de cif-invoerprijs van de betrokken partij:
- a)niet groter is dan 10 % van de reactieprijs, is het aanvullend recht gelijk aan 0;
- b)groter is dan 10 %, maar niet groter dan 40 % van de reactieprijs, bedraagt het aanvullend recht 30 % van het verschil boven 10 %;
- c)groter is dan 40 %, maar niet groter dan 60 % van de reactieprijs, bedraagt het aanvullend recht 50 % van het verschil boven 40 %, plus het aanvullend recht op grond van het bepaalde onder b);
- d)groter is dan 60 %, maar niet groter dan 75 % van de reactieprijs, bedraagt het aanvullend recht 70 % van het verschil boven 60 %, plus de aanvullende rechten op grond van het bepaalde onder
- b)en c);
- e)groter is dan 75 %, van de reactieprijs, bedraagt het aanvullend recht 90 % van het verschil boven 75 %, plus de aanvullende rechten op grond van het bepaalde onder b),
- c)en d).”. Zie artikel 3, lid 3, van de Uitvoeringsverordening: “In het in lid 2 bedoelde geval moet de importeur (…) zekerheid stellen, die gelijk is aan het bedrag aan aanvullende invoerrechten dat hij zou hebben betaald indien deze berekend waren op basis van de toepasselijke representatieve prijs voor het betrokken product (…)”. Zie artikel 3, lid 5, van de Uitvoeringsverordening. Ik ga ervan uit dat de zending die wordt genoemd in (punt 5.2.1 van) het controlerapport representatief is voor de andere zendingen. De berekening van de utb’s is overigens niet in geschil (zie punt 3 van de uitspraak van de Rechtbank). HvJ 21 februari 2006, Halifax, C-255/02, ECLI:EU:C:2006:121. HvJ 21 februari 2008, Part Service, C-425/06, ECLI:EU:C:2008:108. HvJ 22 december 2010, Weald Leasing, C-103/09, ECLI:EU:C:2010:804. HvJ 22 december 2010, RBS Deutschland, C-277/09, ECLI:EU:C:2010:810. In dit arrest kwam het HvJ tot het oordeel dat geen sprake was van misbruik van recht. Zie punt 27 van het arrest Emsland-Stärke. MvH: In het arrest Part Service was de vraag gerezen of met ‘wezenlijk doel’ bedoeld is ‘enig doel’. Dat is niet het geval. Ik verwijs naar de punten 40-45 van het arrest Part Service. Vgl. punt 21 van het arrest: “Zoals opgemerkt door verzoekster in het hoofdgeding en de Commissie, kan het [MvH: te weten geen toepassing van positieve monetair compenserende bedragen (mcb’
- s)bij wederuitvoer van Nieuw-Zeelandse Cheddar-kaas, die geïmporteerd is zonder toepassing van een minimumprijsregeling of negatieve mcb' s bij invoer] enkel anders zijn wanneer kwam vast te staan, dat de invoer en de wederuitvoer van deze kaas niet in het kader van normale handelstransacties hebben plaatsgevonden, maar uitsluitend met het doel misbruik te maken van de mcb-regeling (zie arrest van 27 oktober 1981, zaak 250/80, Töpfer, Jurispr. 1981, blz. 2465). De feitelijke beoordeling die noodzakelijk is om het reële karakter van deze transacties te verifiëren, behoort tot de bevoegdheid van de verwijzende rechter.”. In het vermelde arrest Töpfer sprak het HvJ over misbruik van het communautaire stelsel bij een export van de ene naar de andere lidstaat, die geen enkel economisch doel dient en er enkel op is gericht voordeel te behalen uit de verschillen tussen de door de Gemeenschap vastgestelde compenserende bedragen. Zie punt 5.4 van de uitspraak van het Hof. Tegen het oordeel dat geen sprake is van schijntransacties, wordt in cassatie niet opgekomen. Zie punt 4.2.1 van het controlerapport. De uitsplitsing in basisbedrag en douanerechten is ook opgenomen in punt 5.3 van de uitspraak van het Hof (zie punt 3.2.2 van deze conclusie). Zie blz. 2 van het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van het Hof op 28 januari 2014. Ik merk op dat naar vaste jurisprudentie het proces-verbaal van de zitting – naast de uitspraak van het Gerechtshof, leidend is, in die zin dat het de enige kenbron is van hetgeen ter zitting is gebeurd en verklaard. Verwezen zij naar de arresten van de Hoge Raad van 22 april 2011, nr. 10/03541, ECLI:NL:HR:2011:BQ2098. De vastlegging in en vaststelling van het proces-verbaal zijn voorbehouden aan het Hof (zie onder meer HR 26 oktober 2012, nr. 11/05003, ECLI:NL:HR:2012:BY1238). Zie ook het arrest van 11 april 2014, nr. 12/02808, ECLI:NL:HR:2014:838, V-N 2014/19.14. Zie (de motivering van) het beroepschrift in cassatie, punten 9-11 bij middel 1. Zie ook HR 29 mei 2015, nr. 14/01134, ECLI:NL:HR:2015:1353 (Gemeente Nijkerk). Op grond van artikel 201, lid 2, van het CDW, ontstaat de douaneschuld op het tijdstip wanneer de aangifte is aanvaard. In de onderhavige zaak zijn, zo leid ik af uit het controlerapport, op grond van artikel 201, lid 3, eerste alinea, van het CDW de aangevers ( [AA] B.V. en [BB] B.V.) als douaneschuldenaars aangemerkt. Verwezen zij naar het controlerapport, blz. 6 en 8. Tegenwoordig is een bepaling van deze strekking opgenomen in artikel 7:4 van de Algemene douanewet. MvH: Artikel 58 van de Douanewet luidde als volgt: “Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter verzekering van een juiste toepassing van de wettelijke bepalingen nadere regels worden gesteld ter aanvulling van de in de wettelijke bepalingen geregelde onderwerpen.”. Dat wil zeggen: artikel 54 van het Douanebesluit. De Inspecteur maakt in zijn stukken echter voornamelijk melding van artikel 201, lid 3, van het CDW. Aangezien de nationale bepaling beoogt dezelfde strekking te hebben als de Unierechtelijke, en de uitlegging van de Unierechtelijke bepaling hier vooral aan de orde is, vermeld ik in het navolgende en in navolging van de Inspecteur, met name artikel 201, lid 3 van het CDW. Ook zijn aangesproken [D] , [B] , de aangevers, [F] en haar directeur ( [X] ). Met betrekking tot de douaneschulden die in de ‘tweede serie’ utb’s zijn nageheven zijn eveneens alle vorenvermelde (rechts)personen aangesproken. Ik verwijs naar het controlerapport, punt 5.2.4. In dezelfde zin punt 5.2.4 van het controlerapport. MvH: In de utb van 7 mei 2010 staat ‘bestuurder van’ [D] . MvH: Het Landelijke Waarde Team van de Belastingdienst/Douane. PB L 102, blz. 5. Vergelijk artikel 201, lid 1, van het CDW, artikel 2, lid 1 onder a van genoemde verordening luidde: “1. Er ontstaat een douaneschuld bij invoer:
- a)wanneer aan rechten bij invoer onderworpen goederen in het vrije verkeer worden gebracht (…)”. Deze bepaling regelde de vertegenwoordiging bij het doen van aangifte. Artikel 3, lid 1, onder c, van vermelde verordening luidde: “1. Wanneer de douaneaangifte schriftelijk wordt gedaan, kan de in artikel 2 bedoelde persoon deze aangifte, onverminderd de andere bepalingen van dit artikel, doen: (…)
- c)op eigen naam, doch voor rekening van een ander.”. Ook onder de werking van het Douanewetboek van de Unie (Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (herschikking)) is het punt van belang, nu artikel 77, lid 3, laatste alinea daarvan een gelijkluidende bepaling kent, die in zoverre verder gaat dan artikel 201, lid 3 van het CDW, dat zij niet facultatief – naar keuze van de lidstaten – is. Die bovendien weet of had moeten weten dat ‘het fout zat’. Overigens merk ik op dat ‘deelnemen’ ook voor verschillende interpretatie vatbaar is.