Nr. 13/05034 P Zitting: 9 juni 2015 Mr. Hofstee Conclusie inzake: [betrokkene] 1. Het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 9 oktober 2013 aan de betrokkene de verplichting opgelegd om een bedrag van € 8.063,- aan de Staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. 2. Deze zaak hangt samen met de eveneens op de betrokkene betrekking hebbende strafzaak met nummer 13/05036. 3. Namens de betrokkene heeft mr. E. Maessen, advocaat te Maastricht, twee middelen van cassatie voorgesteld. 4. Het eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat het Hof ten onrechte een Meld Misdaad Anoniem-melding (hierna MMA-melding) voor het bewijs heeft gebezigd, nu het Hof in zijn uitspraak geen blijk heeft gegeven te hebben onderzocht of de anonieme verklaring betrouwbaar is, noch of aan de verdedigingsrechten van de betrokkene in voldoende mate is tegemoetgekomen, zodat de uitspraak gelet op het bepaalde in art. 360, vierde lid, Sv niet in stand kan blijven. 5. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, in: “De bewijsmiddelen en de berekening wederrechtelijk verkregen voordeel Het hof ontleent aan de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen, waarnaar wordt verwezen in de voetnoten, het oordeel dat de veroordeelde door het plegen van voormelde feiten voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten.1 Op 6 januari 2012 is er een anonieme melding gedaan van de aanwezigheid van een hennepkwekerij aan de [a-straat 1] te ([postcode]) Geleen.2 Mede naar aanleiding van deze melding zijn opsporingsambtenaren op 7 maart 2012 het pand gelegen aan de [a-straat 1] te ([postcode]) Geleen binnengetreden. Na het binnentreden bleek dat op voormeld adres een hennepkwekerij met hennepplanten aanwezig was. Volgens het GBA stond de verdachte sinds 23 november 2009 ingeschreven op voormeld adres.3 In de woning zijn alle relevante materialen in beslag genomen, onder meer 97 hennepplanten.4 Gelet op de afzetting van kalk op het zeil en aan de onderzijde van de plantenpotten in de kweekruimte, de mate van vervuiling van filterdoeken van de aangetroffen koolstoffilters, de stof op de kappen van armaturen van de assimilatielampen en het stoffilter van de koolstofcilinder, het aantreffen van knipschaartjes in (de directe nabijheid van) de kwekerij, met daarop hennepresten en het aantreffen van slaolie, welke onder andere gebruikt wordt om de handen en knipschaartjes schoon te maken na het knippen van de hennep, zijn de verbalisanten ervan uitgegaan dat er één eerdere oogst is gerealiseerd. De verbalisanten zijn hierbij uitgegaan van een gemiddelde kweekcyclus van tien weken.5 1 Hierna wordt, voor zover niet anders vermeld, telkens verwezen naar op ambtseed opgemaakte processen-verbaal, zoals opgenomen in het dossier met nummer 2012003383 van de Regiopolitie Limburg-Zuid, district Sittard, sluitingsdatum 10 mei 2012, opgemaakt door [verbalisant] (brigadier van politie), doorgenummerde pagina's 001 tot en met 120. 2 Het schriftelijke bescheid als bedoeld in artikel 244, eerste lid en onder 5°, van het Wetboek van Strafvordering d.d. 6 januari 2012 inhoudende een vertrouwelijk informatierapport, doorgenummerde pagina 009. 3 Het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij d.d. 10 mei 2012 met proces-verbaalnummer 2012003383, doorgenummerde pagina's 003 tot en met 008. 4 Het proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94 Sv) d.d. 7 maart 2012 met proces-verbaalnummer PL2444 2012003383-6 alsmede de bijbehorende ruimlijst hennep (RHL), doorgenummerde pagina's 020 tot met 022. 5 Het schriftelijk stuk inhoudende het 'Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex art 36 e, 2e lid Sr' van de Regiopolitie Limburg-Zuid, district Sittard, met nummer 201203383, doorgenummerde pagina's 089 tot en met 095 inclusief bijlagen.” 6. In zijn arrest van 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6002, NJ 2012/412 m.nt. Borgers heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen: “2.3. Uit het vorenstaande volgt dat het Hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel mede heeft ontleend aan de inhoud van de in een proces-verbaal van politie neergelegde anonieme melding dat op 4 maart 2008 de hennepkwekerij op de zolder van de woning van de betrokkene werd geoogst. Dat proces-verbaal moet in zoverre worden aangemerkt als een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt. 2.4. Het middel stelt de vraag aan de orde welke motiveringseisen moeten worden gesteld aan het gebruik van een dergelijk bewijsmiddel in een ontnemingsprocedure. 2.5. De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang. Art. 344a, derde lid, Sv: "Een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, kan (...) alleen meewerken tot het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, indien ten minste aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de bewezenverklaring vindt in belangrijke mate steun in andersoortig bewijsmateriaal, en b. door of namens de verdachte is niet op enig moment in het geding de wens te kennen gegeven om de in de aanhef bedoelde persoon te ondervragen of te doen ondervragen." Art. 360, eerste en vierde lid, Sv: "1. Van het gebruik als bewijsmiddel van het proces-verbaal van (...) [of van, EH] schriftelijke bescheiden als bedoeld in artikel 344a, derde lid, geeft het vonnis in het bijzonder reden. 4. Alles op straffe van nietigheid." Art. 511e, eerste lid, Sv: "Op de beraadslaging en de uitspraak zijn de bepalingen van de vierde afdeling van Titel VI van het tweede Boek van overeenkomstige toepassing (...)." Art. 511f: "De rechter kan de schatting van het op geld waardeerbare voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht slechts ontlenen aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen." 2.6 Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat ingevolge art. 511e Sv op de behandeling van een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de bepalingen van de vierde afdeling van Titel VI van het tweede Boek van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing zijn en dat art. 511e ingevolge art. 511g Sv op de procedure in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is. Van deze vierde afdeling van Titel VI van het tweede Boek maakt art. 360, eerste lid, Sv deel uit, welke bepaling, voor zover hier van belang, inhoudt dat het vonnis van het gebruik als bewijsmiddel van schriftelijke bescheiden als bedoeld in art. 344a, derde lid, Sv in het bijzonder de reden opgeeft. De niet-naleving van dit voorschrift is in art. 360, vierde lid, Sv met nietigheid bedreigd. 2.7. In de hoofdzaak wordt aan het gebruik van een dergelijk bewijsmiddel op grond van art. 360, eerste lid, Sv als eis gesteld dat de rechter moet aangeven dat aan de eisen van art. 344a, derde lid, Sv is voldaan terwijl hij tevens ervan dient blijk te geven zelfstandig de betrouwbaarheid van de anonieme verklaring te hebben onderzocht (vgl. HR 11 mei 1999, LJN ZD 1460, NJ 1999/526 en HR 9 december 2008, LJN BF2082). De in de derde afdeling van Titel VI van het tweede Boek opgenomen regeling van art. 344a Sv, die het gebruik van anonieme verklaringen voor het bewijs slechts onder voorwaarden toestaat, is evenwel niet van toepassing op de ontnemingsprocedure. In het geval een anonieme verklaring in een ontnemingsprocedure als bewijsmiddel wordt gebezigd, dient echter wel gewaarborgd te zijn dat aan de verdedigingsrechten van de betrokkene in voldoende mate wordt tegemoetgekomen (vgl. HR 22 januari 2008, LJN BA7648, NJ 2008/406). De "overeenkomstige toepassing" van art. 360, eerste lid, Sv in de ontnemingsprocedure betekent dat indien de rechter in de ontnemingsprocedure de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel mede ontleent aan een schriftelijk bescheid houdende een anonieme verklaring, hij in zijn uitspraak ervan dient blijk te geven te hebben onderzocht of de anonieme verklaring betrouwbaar is, alsmede of aan de verdedigingsrechten van de betrokkene in voldoende mate is tegemoetgekomen. 2.8. Van een dergelijk onderzoek blijkt niet. 2.9. Het middel slaagt.” 7. Hoewel in ontnemingszaken de bewijsminimumregels en de eisen door art. 344a Sv aan het ‘schriftelijke bescheid houdende de verklaring van een anonieme getuige’ gesteld, niet (rechtstreeks) van toepassing zijn, gelden die eisen via overeenkomstige toepassing van art. 360, eerste lid, Sv toch ook in de ontnemingsprocedure, hetgeen betekent dat bedoeld schriftelijk bescheid in belangrijke mate steun dient te vinden in andersoortig bewijsmateriaal. 8. Goed beschouwd dient dat schriftelijk bescheid in het hier bedoelde geval in tweeërlei zin aan een betrouwbaarheidstoets te worden onderworpen. In de eerste plaats moet de MMA-melding een plus status hebben, wil zij überhaupt tot enige verdenking in de zin van de wet (hier de Opiumwet) leiden en, na vastlegging in het proces-verbaal van de verbalisant, enige bewijskracht kunnen verkrijgen. Een plus status volgt wanneer de informatie door opsporingsambtenaren op juistheid is geverifieerd: de locatie heeft inderdaad de gemelde kenmerken, het stroomverbruik is inderdaad aan een opmerkelijk hoge kant, etc. Deze verificatie moet maken dat de MMA-melding als voldoende concreet en naar de feitelijke omstandigheden bezien intrinsiek als voldoende betrouwbaar kan worden aangemerkt. Maar daarnaast moet de ‘MMAplus-melding’ ook nog de juridische, bewijstechnische betrouwbaarheidstoets (kunnen) doorstaan. Want hoewel op de schatting en vaststelling van het te ontnemen bedrag de bewijsminimumregels uit het Wetboek van Strafvordering in beginsel niet van toepassing zijn, dient, als gezegd, het schriftelijk bescheid, waarin de MMA-melding en de check daarvan zijn gerelateerd, althans de bewezenverklaring, ingevolge het bepaalde in art. 344a Sv in verbinding met art. 360, eerste lid, Sv en art. 511e Sv (alsmede art. 511g Sv in hoger beroep) in voldoende mate steun te vinden in andersoortig bewijsmateriaal. Daarbij gaat het om een beoordeling van de mate van overeenstemming van het schriftelijke bescheid, inhoudende de ‘MMAplus-melding’, met de overige voor het bewijs van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebezigde bewijsmiddelen. 9. In de zaak die tot het hiervoor aangehaalde arrest van 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6002, NJ 2012/412 heeft geleid, had het Hof onder meer als bewijsmiddel opgenomen het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar waarin was gerelateerd (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.