Nr. 14/03445 Zitting: 9 juni 2015 Mr. Hofstee Conclusie inzake: [verzoeker = verdachte] 1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft - nadat de uitspraak van het Hof Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 31 mei 2012 door de Hoge Raad bij arrest van 10 december 2013 met de betrekking tot uitsluitend de beslissingen ter zake van het in de zaak met parketnummer 16/711030-08 onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging is vernietigd en verwezen - bij arrest van 6 juni 2014 verzoeker voor 1 meer subsidiair “medeplegen van doodslag” veroordeeld tot veertien jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de met dit feit verband houdende vordering van de benadeelde partij [betrokkene 2] toegewezen tot een bedrag van € 16.068,77 en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander als nader in het arrest omschreven. Tenslotte heeft het Hof voor de feiten die naar het oordeel van het Hof op grond van art. 423, vierde lid, Sv niet meer aan het oordeel van het Hof waren onderworpen, de straf bepaald op vier jaren. 2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de rolnummers 14/03445 en 14/03847. In beide zaken zal ik vandaag concluderen. 3. Namens verzoeker heeft mr. H.O. den Otter, advocaat te Utrecht, het cassatieberoep bij akte van 20 november 2014 partieel ingetrokken, te weten voor zover het beroep was gericht tegen de in de zaak met parketnummer 16/711030-08 gegeven vrijspraken van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. Vervolgens heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld. 4. Namens de benadeelde partij is door mr. J.M. Walther, advocaat te Utrecht, een middel van cassatie voorgesteld. De middelen voorgesteld door verzoeker 5. Het eerste en het tweede middel van verzoeker richten zich tegen de bewezenverklaring. Het eerste middel valt uiteen in een aantal motiveringsklachten en deelklachten. Betwist wordt in de eerste plaats dat uit de bewijsconstructie kan worden afgeleid dat sprake is van opzet. De tweede klacht is dat de bewijsconstructie van het Hof de alternatieve lezing van de verdediging, te weten dat sprake is van een “ongeluk”, niet uitsluit. Een derde klacht is dat de in de schriftuur vermelde redengevende feiten en omstandigheden niet kunnen worden afgeleid uit de bewijsconstructie. Het tweede middel komt op tegen het bewezenverklaarde medeplegen. Het derde middel van verzoeker klaagt over de verwerping door het Hof van het beroep op noodweer(exces). Het vierde middel keert zich tegen de opgelegde straf. 6. Ten laste van verzoeker is onder 1 meer subsidiair bewezenverklaard dat: “hij op 13 januari 2008 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk meermalen, met een vuurwapen op/door het (boven-)lichaam van [slachtoffer 1] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden.” 7. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering (hier weergegeven zonder voetnoten): “Bewijsoverzicht Op 13 januari 2008, omstreeks 20.00 uur, kreeg de politie een melding van een vechtpartij op de Dickenslaan te Utrecht. Ter plaatse trof de politie op de hoek van de Dickenslaan met de Cervanteslaan een gewonde man aan, liggend op de grond. Het slachtoffer werd met een ambulance naar het Universitair Medisch Centrum te Utrecht gebracht, waar hij later die avond overleed. Het slachtoffer is nadien geïdentificeerd als [slachtoffer 1] . Door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna telkens: NFI) is een pathologisch onderzoek uitgevoerd naar de doodsoorzaak van [slachtoffer 1] . Bij sectie op het lichaam is gebleken van een doorschot door de borstkas met een inschot links op de rug, doorschot door de onderkwab van de long links, door de wervelkolom en door de onderkwab van de long rechts, en met een uitschot rechts zijwaarts onder de oksel. De dood is ingetreden ten gevolge van verbloeding en daardoor opgetreden weefselschade, ontstaan door de genoemde schotverwonding. Het NFI heeft vastgesteld dat sprake is geweest van twee opgezette schoten (schootsafstand van 0 centimeter): één ter hoogte van de buik, door welk schot het slachtoffer mogelijk niet is geraakt, en één ter hoogte van het linker schouderblad. Bij de sectie zijn verder op het hoofd verscheidene oppervlakkige huidverscheuringen met omgevende, kleine bloeduitstortingen geconstateerd. De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 13 januari 2008, omstreeks 19.00 uur, in Utrecht bij "Sahara" aan de Vleutenseweg samen met [slachtoffer 1] in een auto is gestapt waar twee mannen in zaten. [slachtoffer 1] stapte in achter de bestuurder en de getuige stapte in achter de bijrijder. De auto reed naar de woning van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] stapte uit, verdween in een portiek, en bleef even weg. [slachtoffer 1] kwam na enige tijd terug en stapte weer achterin. [slachtoffer 1] ging achter de bijrijder zitten en de getuige achter de bestuurder. De auto reed vervolgens een stukje, ging de bocht om en werd geparkeerd ter hoogte van de Cervanteslaan 26/28. [slachtoffer 1] liet toen een handvol wit spul in een zakje zien. De bestuurder pakte het spul aan en zei: "Laat dit hier en ga de andere halen, dan betaal ik jou alles." [slachtoffer 1] wilde dat niet. Hij wilde eerst geld zien. De bestuurder deed moeilijk en gaf het zakje weer terug aan [slachtoffer 1] . De getuige zag aan het gezicht van de bestuurder dat hij boos was en hoorde dat de bestuurder tegen [slachtoffer 1] zei: "Ik neem het. Ik heb geld genoeg." Toen de bestuurder dat had gezegd, maakte hij zijn gordel los en boog voorover. De bestuurder pakte iets van onder zijn stoel vandaan. [getuige 1] zag dat het een vuurwapen was. [getuige 1] is vervolgens de auto uitgestapt en weggerend. Medeverdachte [medeverdachte] heeft (als getuige gehoord in de zaak van verdachte) bij de rechter-commissaris verklaard dat hij op 13 januari 2008 in Utrecht een afspraak had met [slachtoffer 1] . De afspraak ging over cocaïne. [medeverdachte] is samen met verdachte naar Utrecht gereden. [medeverdachte] en [slachtoffer 1] hebben elkaar bij theehuis Sahara getroffen. [slachtoffer 1] had iemand bij zich. [slachtoffer 1] ging achter [medeverdachte] in de auto zitten. De andere persoon ging achter verdachte zitten. [slachtoffer 1] zei waar [medeverdachte] heen moest rijden. Ze stopten ergens. [slachtoffer 1] zei dat [medeverdachte] even moest wachten en hij stapte uit. Het duurde een tijd. Daarna stapte [slachtoffer 1] weer in de auto, maar nu ging hij achter de bijrijder zitten en zat [getuige 1] achter [medeverdachte] . [slachtoffer 1] vroeg [medeverdachte] weg te rijden en rechtsaf te slaan. [medeverdachte] parkeerde de auto vervolgens op een parkeerplaats. [slachtoffer 1] haalde het zakje coke tevoorschijn en gaf het aan [medeverdachte] . [medeverdachte] keek ernaar en hij rook eraan. [medeverdachte] zei tegen [slachtoffer 1] dat het geen goede coke was. Ze kregen een discussie. [slachtoffer 1] zei dat het wel goed spul was en hij vroeg [medeverdachte] of hij geld bij zich had. In de auto werd het rumoerig en ontstond chaos. [getuige 1] rende weg. [medeverdachte] is als tweede uit de auto gestapt. Van onder de stoel pakte [medeverdachte] zijn eigen vuurwapen. [slachtoffer 1] pakte de autosleutels uit het contact van de auto. Op een gegeven moment stond [slachtoffer 1] buiten de auto op de stoep. [medeverdachte] heeft [slachtoffer 1] op zijn hoofd geslagen met de kolf van het wapen. [medeverdachte] hoorde een schot. Ze waren met zijn drieën bezig: [medeverdachte] , verdachte en [slachtoffer 1] . Op een gegeven moment, toen [medeverdachte] het schot hoorde, lag [slachtoffer 1] op de grond. [medeverdachte] en verdachte zijn vervolgens weggegaan. Ze zijn naar de getuige [getuige 2] gegaan. Daar heeft [medeverdachte] gecontroleerd hoeveel kogels er in zijn wapen zaten. De verdachte heeft (als getuige gehoord in de zaak tegen [medeverdachte] ) bij de rechter-commissaris verklaard dat hij met [medeverdachte] is meegereden naar Utrecht. [medeverdachte] en [slachtoffer 1] zouden elkaar treffen in coffeeshop Sahara en verdachte is meegegaan. [medeverdachte] zat op de bestuurdersstoel en verdachte op de bijrijdersstoel. [slachtoffer 1] ging achter [medeverdachte] zitten en [getuige 1] achter verdachte. Ze zijn vervolgens naar het huis van [slachtoffer 1] gereden. [medeverdachte] reed. Toen ze bij het huis van [slachtoffer 1] aankwamen, is [slachtoffer 1] uitgestapt. Hij ging een portiek in en bleef een tijdje weg. Daarna is [slachtoffer 1] weer ingestapt. Toen zat [slachtoffer 1] achter verdachte en [getuige 1] achter [medeverdachte] . Ze zijn een stukje doorgereden en vervolgens de bocht omgegaan. Daarna zijn ze gestopt langs de kant van de weg. [slachtoffer 1] is een gesprek gestart met [medeverdachte] over het spul. Hij haalde een zakje te voorschijn en gaf dat aan [medeverdachte] . [medeverdachte] rook eraan en zei dat het geen goed spul was en dat hij het niet wilde hebben. Er ontstond wrijving. [getuige 1] is uit de auto gestapt en weggerend. Op enig moment zijn [medeverdachte] , verdachte en [slachtoffer 1] uit de auto gestapt. Verdachte had toen een vuurwapen vast. [medeverdachte] liep naar [slachtoffer 1] toe voor de autosleutel. Er ontstond een vechtpartij met slaan en schoppen. Ze zijn met zijn drieën op de hoek van de straat beland. Het vuurwapen dat verdachte vasthield, is afgegaan. [medeverdachte] had op enig moment ook een vuurwapen. Uiteindelijk heeft [medeverdachte] de sleutel te pakken gekregen. [verdachte] en verdachte zijn in de auto gestapt en weggereden. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte deze verklaring in essentie bevestigd en nader aangevuld. Het proces-verbaal van de als getuige bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring is aan het procesdossier van verdachte toegevoegd. Bij een doorzoeking van de woning in Hoogvliet waar [medeverdachte] destijds verbleef, is op 16 april 2008 een vuurwapen van het merk Pietro Beretta aangetroffen. De getuige [betrokkene 3] heeft verklaard dat dit vuurwapen van haar vriend [medeverdachte] is. Op 2 april 2008 is in het kader van een onderzoek tegen [A] in een kelderbox van een woning te Rotterdam een vuurwapen van het merk Zastava aangetroffen. Met dit wapen heeft de politie proefschoten uitgevoerd. Hieruit bleek dat er overeenkomsten zijn met twee hulzen die op 13 januari 2008 op de plaats delict te Utrecht zijn aangetroffen. Het NFI heeft geconcludeerd dat de twee hulzen die op 13 januari 2008 zijn aangetroffen met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zijn verschoten met het onder [A] in beslag genomen vuurwapen. [A] heeft verklaard dat hij dit wapen heeft gekocht van ene [betrokkene 1] . De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij dit wapen op 13 januari 2008 uit de auto heeft gepakt en dat hij dit wapen later, in het bijzijn van [medeverdachte] , aan [betrokkene 1] heeft overgedragen. Door het NFI is onderzocht of de bij [slachtoffer 1] geconstateerde hoofdletsels (nader aangeduid met letsels G, H, I en K) veroorzaakt kunnen zijn door het slaan met een van de genoemde vuurwapens. Het NFI heeft geconcludeerd dat letsel G kan zijn opgeleverd door slaan of stoten met een puntig deel van één van beide wapens. De letsels H en I kunnen zijn opgeleverd door slaan of stoten met de uitstekende rand aan de voorzijde van de patroonhouder van het wapen Zastava en het letsel K kan worden toegeschreven aan met kracht slaan of stoten met de onderzijde van de kolf van hetzelfde wapen. De politie heeft een gesprek opgenomen tussen [medeverdachte] en zijn vriendin [betrokkene 3] , afgeluisterd op 10 juni 2008. [medeverdachte] zegt hierin, voor zover van belang, het volgende: "Serieus, ik heb niet op die man geschoten broeder, kijk ik ben gegaan... (...) we zijn naar de man toe gegaan, daarna...puntje bij paaltje is die man een spel aan het spelen, snap je? De man wil ons verkloten, we wilden de man "droppen", eindstand: één van de mannen is uitgestapt en weggerend, de Marokkaanse man... (...) eindstand; we zijn uitgest... ik wilde op hem schieten, snap je? (...) We zijn uit de auto gestapt, die man is uit de auto gestapt... en die man is heel groot, broeder.., ik heb die man gewurgd, ik heb hem met de kolf van het pistool geslagen, die man wilde de sleutel niet loslaten." Overwegingen De getuige [getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat de bestuurder van de auto (het hof begrijpt: [medeverdachte] ) in de auto als eerste een vuurwapen pakte. [medeverdachte] zou dit wapen vervolgens op [getuige 1] en [slachtoffer 1] hebben gericht. Volgens de getuige had [slachtoffer 1] geen wapen bij zich. Bij de rechter-commissaris is de getuige bij deze verklaring gebleven. [medeverdachte] en verdachte hebben verklaard dat [slachtoffer 1] wel een wapen bij zich had en dat hij als eerste een wapen trok. In zoverre staat de verklaring van de getuige dus lijnrecht tegenover die van verdachte en [medeverdachte] . Het hof heeft op zichzelf geen reden om te twijfelen aan het waarheidsgehalte van de verklaring van de getuige [getuige 1] . De verdediging heeft evenwel aangevoerd dat uit het gegeven dat op één van de op de plaats delict gevonden hulzen een DNA-spoor (mengprofiel) van [slachtoffer 1] is aangetroffen, dient te worden afgeleid dat [slachtoffer 1] degene is geweest die het wapen heeft geladen en bij zich heeft gehad. Dit scenario is niet onmogelijk, maar ook niet onomstotelijk juist. Er zijn immers ook andere manieren denkbaar waarop DNA-materiaal van [slachtoffer 1] op één van de hulzen is terechtgekomen. Zo kan bij een opgezet schot als waarvan in de onderhavige zaak sprake was de huls eenvoudig in contact komen met kleding en/of lichaamsmateriaal van het slachtoffer. Het hof kan niet vaststellen welke lezing de juiste is. Dit wordt niet anders door de door de verdediging aangehaalde passage uit het opgenomen gesprek tussen [medeverdachte] en zijn vriendin [betrokkene 3] , afgeluisterd op 10 juni 2008, te weten: "de Marokkaanse man... groot... hij heeft het schietding in zijn andere hand genomen, hij hield het schietding vast.., zus en zo, eindstand; we zijn uitgest... ik wilde op hem schieten, snap je? Want hij had het schietding genomen, ik had zoiets van misschien pakt hij wel het schietding en gaat hij op de "bro" schieten." Naar het oordeel van het hof is deze passage voor verschillende uitleg vatbaar. Uit deze passage zou namelijk kunnen worden afgeleid dat [slachtoffer 1] zelf een wapen bij zich had, maar ook dat [slachtoffer 1] het wapen van [medeverdachte] of verdachte probeerde af te pakken. Nu het hof niet kan vaststellen welke van de twee scenario's het juiste is, wordt in het midden gelaten of [slachtoffer 1] een wapen bij zich had en/of in de auto als eerste een vuurwapen heeft getoond. Op grond van de hierboven weergegeven bewijsmiddelen stelt het hof het volgende vast: - Op enig moment waren [medeverdachte] , verdachte en [slachtoffer 1] uit de auto. - [medeverdachte] en verdachte hadden op dat moment ieder een vuurwapen vast. - [slachtoffer 1] is vervolgens weggelopen. - [medeverdachte] en verdachte hebben [slachtoffer 1] gewapend achtervolgd. - [medeverdachte] is op [slachtoffer 1] gesprongen. - [medeverdachte] en verdachte hebben [slachtoffer 1] met een vuurwapen op zijn hoofd geslagen. - [slachtoffer 1] is op de grond terechtgekomen. - [medeverdachte] en verdachte hebben [slachtoffer 1] geschopt, terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag. - Verdachte heeft tweemaal op [slachtoffer 1] geschoten met 0 cm schootsafstand. - [slachtoffer 1] is tengevolge van de schotverwonding aan zijn bovenlichaam overleden. - [slachtoffer 1] is aangetroffen op een aantal meters afstand van de plek waar [medeverdachte] de auto had geparkeerd. Op grond van deze feiten en omstandigheden acht het hof het uitgesloten dat er sprake is geweest van een ongeluk. De verdachte heeft [slachtoffer 1] door middel van een schot door het bovenlichaam van het leven beroofd. Uit de aard van de gedraging alsmede uit de omstandigheden zoals hiervoor genoemd, leidt het hof af dat de verdachte op dat moment het opzet heeft gehad om [slachtoffer 1] te doden. Voorts is naar het oordeel van het hof sprake van medeplegen, nu sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte] en [verdachte] . Daarbij neemt het hof onder meer in aanmerking dat het ging om een door [medeverdachte] geregelde ontmoeting met [slachtoffer 1] over drugs. [medeverdachte] had daarbij een vuurwapen bij zich dat hij op enig moment wilde gebruiken. [medeverdachte] en verdachte hebben beiden bewapend [slachtoffer 1] achtervolgd en ze hebben hem beiden geslagen en geschopt. Op het moment dat verdachte schoot, stond [medeverdachte] erbij en heeft hij niets gedaan om het (tweede) schieten te voorkomen. Nadat [slachtoffer 1] is neergeschoten, zijn verdachte en [medeverdachte] naar de auto gerend. Hieruit leidt het hof af dat verdachte en [medeverdachte] zo nauw en bewust hebben samengewerkt dat zij als medeplegers moeten worden aangemerkt.” 8. De bewijsconstructie van het Hof komt op het volgende neer. Medeverdachte [medeverdachte] en verzoeker halen in Utrecht het latere slachtoffer [slachtoffer 1] en [getuige 1] op in verband met een drugsdeal. [medeverdachte] zit op de bestuurdersstoel, verzoeker ernaast en de beide anderen achterin. Als de auto na een tussenstop bij de woning van [slachtoffer 1] verder rijdt ontstaat er ruzie. [getuige 1] ziet dat [medeverdachte] boos wordt en een vuurwapen van onder zijn stoel vandaan pakt. [getuige 1] stapt de auto uit en rent weg. Volgens ’s Hofs in cassatie niet bestreden overwegingen heeft [getuige 1] ook verklaard dat [medeverdachte] met zijn wapen op [slachtoffer 1] en hem, [getuige 1] , heeft gericht. Dat richten van het vuurwapen op [slachtoffer 1] en [getuige 1] moet dan al zijn gebeurd in de auto, nu [getuige 1] uit de auto is gestapt en is weggerend op het moment dat er wrijving in de auto ontstond. Ik vervolg. [medeverdachte] , verzoeker en [slachtoffer 1] komen uit de auto. Verzoeker heeft dan een vuurwapen vast. [slachtoffer 1] pakt de autosleutels. Er ontstaat een vechtpartij met slaan en schoppen. [medeverdachte] en verzoeker – “we”, zegt [medeverdachte] in het door de politie opgenomen gesprek met zijn vriendin [betrokkene 3] - willen [slachtoffer 1] “droppen”. [medeverdachte] wil (zo zegt hij tegen zijn vriendin) op [slachtoffer 1] schieten. [medeverdachte] springt op [slachtoffer 1] . Hij slaat met de kolf van zijn wapen op het hoofd van [slachtoffer 1] . [medeverdachte] had op dat moment een vuurwapen, aldus de verklaring van verzoeker. Ze belanden met zijn drieën op de hoek van de straat. Dan gaat het vuurwapen van verzoeker af. [medeverdachte] hoort een schot, terwijl [slachtoffer 1] al op de grond ligt. [slachtoffer 1] wordt aangetroffen op een aantal meters afstand van de plek waar [medeverdachte] de auto had geparkeerd. Er is, naar het NFI heeft vastgesteld, sprake van twee opgezette schoten (schootsafstand 0 cm), waarvan er een dodelijk blijkt te zijn. Voorts constateert het NFI verscheidene oppervlakkige huidverscheuringen met omgevende, kleine bloeduitstortingen op het hoofd van [slachtoffer 1] . [medeverdachte] pakt de autosleutels, als [slachtoffer 1] op de grond ligt, en rijdt samen met verzoeker weg. 9. Naar mijn inzicht treft geen van de klachten doel. 10. In de eerste plaats heeft het Hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd vastgesteld dat verzoeker en [medeverdachte] , beiden voorzien van een vuurwapen, een gevecht zijn aangegaan met [slachtoffer 1] waarbij deze is geslagen en geschopt, op de grond is terechtgekomen en met schootsafstand nul door een schot uit het semi-automatisch vuurwapen van verzoeker, een Crvena Zastava (model 70), in zijn bovenlichaam is geraakt. Voorts heeft het Hof vastgesteld dat met dit vuurwapen twee opgezette schoten zijn gelost. Dat er tweemaal is geschoten en dat het vuurwapen van verzoeker niet behoefde te worden doorgeladen, vormen, mede in het licht van het overige bewijsmateriaal, zodanige contra-indicaties dat het alternatieve scenario van een ongeluk niet aannemelijk is. Daarin ligt tevens ’s Hofs verwerping van de alternatieve lezing van verzoeker besloten. Het Hof heeft op basis van de door hem genoemde feiten en omstandigheden uitgesloten - en gelet op de aard van de gedraging natuurlijk kunnen uitsluiten - dat een semi-automatisch wapen, dat verzoeker al een tijdje vasthield, “per ongeluk” afgaat in een worsteling, nog daargelaten dat [slachtoffer 1] al op de grond lag toen het eerste schot afging. Voor de volledigheid merk ik op dat ook de plaats van het inschot, de baan van het schot en de schootsafstand, een en ander als door het Hof vastgesteld, bij elkaar genomen in de richting van een opzettelijk handelen wijzen. 11. Het mag dan zo zijn dat voorbedachte raad niet kan worden aangenomen, het bewezenverklaarde opzet kan uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid, zodat de bewezenverklaring in dit opzicht naar de eis der wet met redenen is omkleed. 12. De derde deelklacht van het eerste middel klaagt, als gezegd, dat niet alle feiten en omstandigheden die het Hof heeft vastgesteld uit de bewijsconstructie kunnen worden afgeleid. 13. De steller van het middel doelt ten eerste op ’s Hofs vaststelling dat [slachtoffer 1] (van de auto) is weggelopen. Dit volgt naar mijn mening wel uit de bewijsconstructie, met name ook gelet op de afstand tussen de plek waar [slachtoffer 1] is aangetroffen en de plaats waar [medeverdachte] de auto had geparkeerd. Waarom dit niet verenigbaar zou zijn met de vaststelling van het Hof dat het slachtoffer enkele meters van de auto is aangetroffen, is mij niet duidelijk. Hoe ver er feitelijk gerend is, is irrelevant; bovendien kan sprake zijn geweest van heen en weer rennen. 14. Dat zowel verzoeker als medeverdachte [medeverdachte] een vuurwapen bij zich had, kan worden afgeleid uit de inhoud van de hierboven door mij onder 8 weergegeven verklaringen. [medeverdachte] pakte een vuurwapen onder zijn bestuurdersstoel vandaan, zo luidt de verklaring van de getuige [getuige 1] en ook de verklaring die [medeverdachte] als getuige in de zaak van verzoeker heeft afgelegd. Voorts heeft [medeverdachte] verklaard dat hij buiten de auto [slachtoffer 1] met de kolf van zijn wapen op het hoofd heeft geslagen. En verzoeker heeft verklaard dat hij een vuurwapen vasthad toen hij, [medeverdachte] en [slachtoffer 1] uit de auto stapten. Daarbij wijs ik erop dat twee vuurwapens zijn aangetroffen, één op de plek waar [medeverdachte] destijds verbleef en één van het merk Zastava in het kader van het onderzoek tegen [A] , waarvan het NFI de conclusie heeft getrokken dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid met dat wapen de hulzen zijn verschoten die op 13 januari 2013 ter plaatse zijn aangetroffen. 15. Verder kan uit de bewijsconstructie van het Hof worden afgeleid dat verzoeker en [medeverdachte] met [slachtoffer 1] wilden vechten, hem wilden droppen, zij beiden voorzien waren van vuurwapens en zij (een stukje verderop) in gevecht zijn geraakt met [slachtoffer 1] waarbij [slachtoffer 1] werd geslagen en geschopt. Dat verzoeker [slachtoffer 1] (ook) met een vuurwapen heeft geslagen, volgt inderdaad niet expliciet uit de bewijsconstructie. Maar het belang van deze deelklacht ontgaat mij, nog daargelaten dat het slaan door verzoeker met een vuurwapen in de hand wellicht kan worden afgeleid uit de omstandigheden dat hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.