Nr. 13/04888 Zitting: 16 juni 2015 Mr. T.N.B.M. Spronken Conclusie inzake: [verdachte] Verdachte is bij arrest van 26 september 2013 door het Gerechtshof Den Haag wegens de voortgezette handeling van 1. “medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden”, 2. medeplegen van mishandeling”, 3. “medeplegen van bedreiging met zware mishandeling”, en 4. “medeplegen van een ander door geweld en bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen”, veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf. Er bestaat samenhang tussen de zaken 13/04753 en 13/06181. Het cassatieberoep in zaak 13/04753 is ingetrokken. In de andere zaak zal ik vandaag eveneens concluderen. Mr. J.S. Nan, advocaat te Dordrecht, heeft namens verdachte vijf middelen van cassatie voorgesteld. De eerste drie middelen hebben betrekking op het afzien van het horen van door de verdediging verzochte getuigen. Het vierde middel richt zich tegen de verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van de betrouwbaarheid van de getuige/aangever [aangever] . Het laatste middel betreft de redengevendheid van tapgesprekken die voor de bewezenverklaring zijn gebruikt. Voordat ik op de middelen inga, zal ik de bewezenverklaring en de daarbij door het hof gebezigde bewijsmiddelen weergeven. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: “1. hij op 1 april 2004 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [aangever] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij verdachte en zijn mededaders met dat opzet - onder valse voorwendselen (zijnde de belofte dat die [aangever] aan een nieuwe zakenrelatie zou worden voorgesteld) naar een (kantoor)ruimte (van [medeverdachte 1] ) gelokt en - in die (kantoor)ruimte (van [medeverdachte 1] ) de uitweg geblokkeerd (door er voor te gaan staan) en - de deur op slot gedaan en - die [aangever] in een stoel gedrukt en gedrukt gehouden en - die [aangever] getrapt tegen het lichaam en - die [aangever] geslagen tegen het hoofd en het lichaam en - die [aangever] dreigend een schaar en een briefopener getoond en voor het gezicht van die [aangever] gehouden en - met een briefopener stekende bewegingen gemaakt in de richting van die [aangever] en - tegen die [aangever] gezegd dat die [aangever] de waarheid moest zeggen anders zou hij niet meer uit het kantoor komen en/of dat een zakelijk geschil (met de Claridenbank) moest worden opgelost anders zou geweld worden gebruikt, althans woorden van gelijke bedreigende aard en/of strekking; en aldus voor die [aangever] een dreigende situatie gecreëerd waaraan hij zich niet kon onttrekken en die [aangever] gedurende enige tijd belet te gaan en te staan waar hij wilde; 2. hij op 1 april 2004 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen [aangever] opzettelijk heeft getrapt tegen het lichaam en heeft geslagen tegen het hoofd en het lichaam, tengevolge waarvan [aangever] pijn heeft ondervonden; 3. hij op 1 april 2004 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen [aangever] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk dreigend een schaar en een briefopener getoond en voor het gezicht van die [aangever] gehouden en met die briefopener stekende bewegingen gemaakt in de richting van die [aangever] en tegen die [aangever] gezegd dat die [aangever] de waarheid moest zeggen anders zou hij niet meer uit het kantoor komen en dat een zakelijk geschil (met de Clariden Bank) moest worden opgelost anders zou geweld worden gebruikt en/of woorden van gelijke bedreigende aard en/of strekking; 4 tweede cumulatief/alternatief: hij op 1 april 2004 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen [aangever] door geweld en door bedreiging met geweld gericht tegen [aangever] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, immers hebben verdachte en zijn mededaders die [aangever] gedwongen verklaringen (betreffende een zakelijk geschil met- [medeverdachte 1] ) te tekenen terwijl het geweld en die bedreiging met geweld bestond uit het trappen tegen het lichaam en het slaan tegen het hoofd en het lichaam en het dreigend tonen van een schaar en een briefopener en het maken van stekende bewegingen naar die [aangever] met die briefopener;” 5. Die bewezenverklaringen steunen op de volgende bewijsmiddelen: “1. Een geschrift, zijnde een door een beëdigd vertaler in de Duitse taal vertaald proces-verbaal van de rechter-commissaris in de arrondissementsrechtbank van het district Bülach (kanton Zürich) d.d. 16 juli 2004 met betrekking tot de beschikking tot voorlopige hechtenis. Dit geschrift houdt onder meer in, zakelijk weergegeven: als de op 16 juli 2004 afgelegde verklaring van de verdachte [medeverdachte 1] : V: Hoe heeft die "affaire" van 1 april 2004 zich volgens u afgespeeld? S: Ik heb een bespreking gehad met [aangever] over verschillende zaken. Het doel was om te zoeken, hoe hij een mogelijkheid zou kunnen vinden om weer een zakelijk relatie met elkaar te onderhouden. De dag met [aangever] begon na 11:00 uur. We hebben eerst koffie gedronken. Toen zijn we even naar mijn kantoor gegaan. Bij dat gesprek is ook duidelijk geworden, dat oude zaken in orde gebracht moesten worden. Dat wat zich nog afspeelde bij de Clariden Bank. Ik geloof dat ik duidelijk heb gemaakt dat deze zaak moet zijn opgelost. Ik heb met [betrokkene 1] getelefoneerd en gevraagd of hij langs kon komen. Toen is [betrokkene 1] gekomen en hij heeft met [aangever] gesproken. [aangever] was employé bij de Clariden Bank en het is een zaak die de bank aangaat. 2. Een geschrift, zijnde een door een beëdigd vertaler in de Duitse taal vertaald proces-verbaal van verhoor inzake bedreiging met geweld d.d. 13 april 2004 van de Kantonspolizei Zürich. Dit geschrift houdt onder meer in, zakelijk weergegeven : als de op 13 april 2004 afgelegde verklaring van [aangever] : Tijdens de vakantie werd ik door [betrokkene 2] gebeld. Hij legde mij uit dat hij mij graag bij een nieuwe Nederlandse klant zou introduceren. Ik zei tegen hem dat ik in de week van 29 maart tot en met 2 april 2004 in België en Nederland zou zijn. Daarop kwamen we een afspraak overeen en wel op 1 april 2004 om 11:00 uur in Restaurant Saur in Den Haag. Toen ik op 1 april 2004 om ongeveer 10:55 uur daar arriveerde, was daar de [medeverdachte 1] , een voormalige cliënt van de Claridenbank, mijn voormalige werkgever. [medeverdachte 1] zei mij dat de tweede heer nog moest komen en dat wij nog maar een kopje koffie moesten drinken. Na ongeveer een kwartier zei hij tegen mij dat we ook zijn kantoor konden wachten tot de genoemde heer zou komen. Deze is op de vierde etage gelegen. Wij hebben daar ongeveer een half uur over een nieuwe zaak gesproken. Plotseling wisselde [medeverdachte 1] van thema en begon over een kredietplafond te praten, die bij mijn vorige werkgever in 1999 was uitgewerkt en verleend. Hij wilde nogmaals de toedracht uiteengezet hebben en hield vol dat hij dit nooit zo in opdracht had gegeven. [medeverdachte 1] beweert dat ik deze documenten oneigenlijk en zonder toestemming heb gebruikt. Deze discussie duurde ongeveer 10 minuten. Toen doken er ineens drie mannen en een vrouw met een kleine hond (met boxer neus) in het kantoor op. Een negroïde man stond voor de deur en sloot deze met een sleutel af. De beide andere heren gingen links en rechts naast mij op de bank zitten. Ze begonnen hevig mee te discussiëren en bevestigden de uitspraken van [medeverdachte 1] . Na circa 10 minuten werd ik verzocht aan het bureau plaats te nemen. Kort nadat ik was gaan zitten hield één van de twee mij vast en de tweede trapte mij met een sportschoen tegen de borst. Daarna sloeg dezelfde kerel mij met zijn handen in de nek, in het gezicht en op het achterhoofd en riep steeds weer dat ik eindelijk de waarheid moest zeggen en de uitspraak van [medeverdachte 1] moest bevestigen of ik zou niet meer uit het kantoor komen. De tweede kerel hield mij in de tussentijd een schaar voor het gezicht en zwaaide hiermee in het rond. Vervolgens nam de vent die mij had geslagen de briefopener en wilde op mij insteken. Die vent werd tegengehouden door [medeverdachte 1] , waarbij hij twee schriftelijke stukken op het bureau legde die ik diende te tekenen. Na het zetten van de handtekening werd ik gesommeerd een identiteitskaart te tonen opdat ze de handtekening konden controleren. De identiteitskaart hebben ze vervolgens gekopieerd. Daarna werd mij opnieuw een van tevoren opgestelde tekst onder de neus gehouden, die ik in mijn handschrift over moest schrijven. Ik kan me herinneren dat er een vals adres van ene [aangever] in [plaats] op stond. Dit schrijven moest ik eveneens ondertekenen. Na de lange tijdsspanne met steeds maar weer nieuwe bedreigingen en klappen, verlieten de beide heren, de vechtersbaas, de neger en de dame het kantoor. Daarna was ik enkele minuten alleen aan het bureau. Kort daarop werd er getelefoneerd en kwam de advocaat [betrokkene 1] binnen in het kantoor. Hij controleerde documenten en keurde ze goed. We spraken kort met elkaar. Tijdens deze gelegenheid verliet de overgebleven heer van de knokploeg kort de ruimte en liet hierbij de deur open. Ik heb daarna overhaast de ruimte verlaten, heb op de liftknop gedrukt om de lift te halen en ben vervolgens via de trap naar beneden gerend, alwaar de dame voor de lift stond te wachten. Ik heb vervolgens hollend de parkeergarage bereikt en heb deze zo snel mogelijk verlaten. Onder hevige pijnen en in paniek heb ik het volgende vliegtuig naar Zürich genomen. 3. Een geschrift, zijnde een door een beëdigd vertaler in de Duitse taal vertaald proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 14 juli 2004, opgemaakt door lic. iur. [betrokkene 7] van het Bezirksanwaltschaft Bülach. Dit geschrift houdt onder meer, zakelijk weergegeven: als de op 14 juli 2004 afgelegde verklaring van [aangever] : We hebben normaal gediscussieerd tot het tijdstip toen de kantoordeur openging en drie heren en een dame met een hond het kantoor binnenkwamen. [medeverdachte 1] verklaarde dat nu tijd was de zaak opnieuw te bediscussiëren en dat deze personen eraan zouden bijdragen dat het tot een verklaring zou komen die [medeverdachte 1] als juist zou ervaren. Vanaf dit moment trok [medeverdachte 1] zich uit het gesprek terug en voerde de leider, die op [betrokkene 8] leek, het verdere gesprek. De leider zei tegen mij dat ik het verloop zo zou moeten opschrijven, dat [medeverdachte 1] niet voor de kredietverstrekking verantwoordelijk kon worden gehouden. Ik heb vervolgens aan het bureau plaatsgenomen en ben begonnen het verloop op papier te zetten. Ik had ongeveer een derde van een A4 bladzijde volgeschreven, toen [medeverdachte 1] een geste maakte. De leider heeft mij vervolgens vastgehouden en in de stoel gedrukt. De tweede vent, een soort Kojak, heeft mij vervolgens met beide voeten op de borst getrapt. Na de trappen werd ik met handen en vuisten op het achterhoofd, in de nek en in het gezicht geslagen. Terwijl ik door het type Kojak werd geslagen hield de leider mijn handen vast en drukte mij in de bureaustoel. Hierna pakte de leider een bureauschaar en het type Kojak een briefopener. 4. Een proces-verbaal van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank 's-Gravenhage d.d. 30 januari 2008, inhoudende de op 30 januari 2008 ten overstaan van deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [aangever] : Zij hebben een nieuw geschrift gehaald. Er stond wel mijn naam op maar een verkeerd adres van iemand in [plaats] . Ik was blij dat het verkeerd was. [medeverdachte 1] vroeg mij of dit mijn woonadres was. Ik heb daarop geantwoord dat het correct was. Vervolgens hebben ze (het hof begrijpt: [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] ) op die bank daar gezeten en ze hebben die twee geschriften doorgegaan en ze hebben erover gediscussieerd. U vraagt mij wie er over discussieerden. [medeverdachte 1] heeft voornamelijk met die dame gesproken over of de formulering goed was. U vraagt mij of die andere heren daarbij aanwezig waren. [betrokkene 8] , [medeverdachte 1] en die dame zitten daar op de bank. Kojak was altijd bij mij en de zwarte man stond altijd bij de deur. U vraagt mij of ik kan beschrijven wat mijn fysieke toestand was toen ik weg ging van het kantoor van [medeverdachte 1] . Ik had in eerste instantie overal pijn van de klappen. U vraagt waar ik pijn had. Primair in de borst en ook in mijn nek. U vraagt mij hoe lang ik de klachten heb gehad. De pleisters had ik ongeveer een week. U vraagt of de klachten toen over waren. Nee, ik heb zelfs vandaag nog pijn. Het hangt van het weer af . 5. Een geschrift, zijnde een tap pv-gesprek in het Projekt Madras (dossierpagina 390). Dit geschrift houdt onder meer in : Getapt persoon: [verdachte] Telefoonnummer [0003] (GSM1 [verdachte] ) belt met [0004] op 31 maart 2004 om 15:09 uur. [verdachte] belt uit met [betrokkene 6] I : Zit jij thuis? R: Nou nog wel maar ik ga nu weg. I: Waar ga jij naar toe? R: Ik moet naar Den Haag 6. Een geschrift, zijnde een tap pv-gesprek in het Projekt Madras (dossierpagina 392). Dit geschrift houdt onder meer in : Getapt persoon: [verdachte] Telefoonnummer [0003] (GSM1 [verdachte] ) belt met [0005] op 31 maart 2004 om 19:33 uur. [verdachte] belt uit naar NN man en geeft aan dat hij er om acht uur is . 7. Een geschrift, zijnde een tap pv-gesprek in het Project Madras (dossierpagina 395). Dit geschrift houdt onder meer in: Getapt persoon: [verdachte] Telefoonnummer [0003] (GSM1 [verdachte] ) belt met [0007] op 31 maart 2004 om 21:22 uur. Er komt geen verbinding tot stand. Op de achtergrond is te horen dat [verdachte] in gesprek is en het heeft over een microfoon, over het openspringen. 8. Een geschrift, zijnde een tap pv-gesprek in het Project Madras (dossierpagina 406). Dit geschrift houdt onder meer in: Getapt persoon: [verdachte] Telefoonnummer [0003] (GSM1 [verdachte] ) belt met [0007] op 1 april 2004 om 10:18 uur. [verdachte] belt uit naar voornoemd telefoonnummer en vraagt aan een NN vrouw op de achtergrond om op de bank te gaan zitten en normaal te gaan praten. 9. Een geschrift, zijnde een tap pv-gesprek in het Project Madras (dossierpagina 435). Dit geschrift houdt onder meer in: Getapt persoon: [verdachte] Telefoonnummer [0001] (GSM2 [verdachte] ) belt met [0002] op 1 april 2004 om 11:04 uur. [verdachte] wordt gebeld door NN man Man: Ik ga nu koffie met hem drinken beneden. [verdachte] : OK. 10. Een geschrift, zijnde een tap pv-gesprek in het Project Madras (dossierpagina 407). Dit ge-schrift houdt onder meer in: Getapt persoon: [verdachte] Telefoonnummer [0003] (GSM1 [verdachte] ) belt met [0007] op 1 april 2004 om 11:11 uur. [verdachte] belt uit. Achtergrondgesprek tussen twee mannen. [verdachte] is even later op de achtergrond te horen. [verdachte] zegt in het Nederlands: die zit buiten volgens mij. 11. Een geschrift, zijnde een tap pv-gesprek in het Project Madras (dossierpagina 408 en verder). Dit geschift houdt onder meer in : Getapt persoon: [verdachte] Telefoonnummer [0003] (GSM1 [verdachte] ) belt met [0007] op 1 april 2004 om 11:18 uur. [verdachte] belt uit. Je hoort een rits van een tas, geritsel van papier, gemompel van mannenstemmen. [verdachte] hoor je iets in het Nederlands zeggen. 12. Een geschrift, zijnde een tap pv-gesprek in het Project Madras (dossierpagina 437). Dit geschrift houdt onder meer in: Getapt persoon: [verdachte] Telefoonnummer [0001] (GSM2 [verdachte] ) belt met [0006] op 1 april 2004 om 11:59 uur. NN vrouw zegt: Ja wij komen eraan, wij liepen achter jou. 13. Een geschrift, zijnde een tap pv-gesprek in het Project Madras (dossierpagina 411). Dit geschrift houdt onder meer in : Getapt persoon: [verdachte] Telefoonnummer [0003] (GSM1 [verdachte] ) belt met [0006] op 1 april 2004 om 14:09 uur. [verdachte] belt uit met [medeverdachte 2] . [verdachte] vraagt of [medeverdachte 2] dadelijk de man buiten kan ontvangen. 14. Een geschrift, zijnde een tap pv-gesprek in het Project Madras (dossierpagina 412). Dit geschrift houdt onder meer in : Getapt persoon: [verdachte] Telefoonnummer [0003] (GSM1 [verdachte] ) belt met [0006] op 1april 2004 om 14:23 uur. [verdachte] zegt dat de man er over 1 minuut is. 15. Een geschrift, zijnde een tap pv-gesprek in het Project Madras (dossierpagina 413). Dit geschrift houdt onder meer in: Getapt persoon: [verdachte] Telefoonnummer [0003] (GSM1 [verdachte] ) belt met [0006] op 1 april 2004 om 14:43 uur. [verdachte] belt uit met [medeverdachte 2] . [verdachte] vraagt zich af waar [medeverdachte 2] staat. [medeverdachte 2] zegt dat ze net naar boven is gegaan om de sleutels te brengen. [verdachte] zegt dat hij buiten staat en met de trap is gegaan. 16. Een geschrift, zijnde een tap pv-gesprek in het Project Madras (dossierpagina 439). Dit geschrift houdt onder meer in : Getapt persoon: [verdachte] Telefoonnummer [0001] (GSM2 [verdachte] ) belt met [0002] op 1 april 2004 om 15:55 uur. [verdachte] wordt gebeld door NN man. [verdachte] heeft iets bij NN man laten staan en komt het ophalen. 17. Een geschrift, zijnde een tap pv-gesprek in het Project Madras (dossierpagina 440). Dit geschrift houdt onder meer in : Getapt persoon: [verdachte] Telefoonnummer [0001] (GSM2 [verdachte] ) belt met [0008] op 1 april 2004 om 16:08 uur. [verdachte] wordt gebeld door NN man. NN man vraagt of [verdachte] er bijna is. 18. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 januari 2008 van de Politie Haaglanden met nummer PL1512/2007/10021-99. Dit proces-verbaal houdt onder meer in : als relaas van de verbalisanten (pag. 609): Door mij, verbalisant werd het audiobestand uitgeluisterd van het telefoongesprek dd 1 april 2004 te 11.04, volgnummer 8, getapt nummer [0001] , bellend nummer [0002] Gebelde: [verdachte] ( [verdachte] stemherkenning) Beller: Ik ga nu koffie met hem drinken beneden ( [medeverdachte 1] stemherkenning) Gebelde: OK 19. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 december 2007 van de Politie Haaglanden met nummer PL1512/2007/10021-81. Dit proces-verbaal houdt onder meer in : als relaas van de verbalisanten (pag. 551): Door ons zijn in dit proces-verbaal de relevante gesprekken op chronologische volgorde weergegeven. 06- [0003] (in gebruik bij [verdachte] ) belt uit naar 06- [0004] (in gebruik bij [betrokkene 5] ) op 31 maart 2004 om 15:09 uur. Gespreksinhoud: [verdachte] belt uit met [betrokkene 6] . [verdachte] zegt in het gesprek dat hij naar Den Haag moet. 06- [0003] (in gebruik bij [verdachte] ) belt uit naar 06- [0005] (in gebruik bij [medeverdachte 1] ) op 31 maart 2004 om 19:33 uur. Gespreksinhoud: [verdachte] zegt tegen man ( [medeverdachte 1] ) dat hij er om 8 uur is. 06- [0003] (in gebruik bij [verdachte] ) belt uit naar 06- [0007] op 31 maart 2004 om 21:22 uur. Gespreksinhoud: Testen telefoonverbinding door [verdachte] . Telefoon gaat als microfoon gebruikt worden. 06- [0003] (in gebruik bij [verdachte] ) belt uit naar 06- [0007] op 1 april 2004 om 10:18 uur. Gespreksinhoud: [verdachte] test telefoonverbinding met [medeverdachte 2] . Zij moet op de bank gaan zitten en normaal praten. 06- [0009] (in gebruik bij [verdachte] ) belt uit naar 06- [0002] (in gebruik bij [medeverdachte 1] ) op 1 april 2004 om 11:04 uur. Gespreksinhoud: [medeverdachte 1] zegt: " [verdachte] , ik ga nu koffie met hem drinken beneden." 06- [0003] (in gebruik bij [verdachte] ) belt uit naar 06- [0007] op 1 april 2004 om 11:11 uur. Gespreksinhoud: Achtergrondgesprek tussen [medeverdachte 1] en [aangever] . Later in het gesprek zegt [verdachte] : "Ze zitten buiten volgens mij." 06- [0003] (in gebruik bij [verdachte] ) belt uit naar 06- [0007] op 1 april 2004 om 11:18 uur. Gespreksinhoud: Vervolg vorige gesprek, waarbij [verdachte] te horen is. 06- [0009] (in gebruik bij [verdachte] ) belt uit naar 06- [0006] (in gebruik bij [medeverdachte 2] ) op 1 april 2004 om 11:59 uur. Gespreksinhoud: [medeverdachte 2] zegt: "Ja wij komen eraan, wij liepen achter jou." 06- [0009] (in gebruik bij [verdachte] ) belt uit naar nummer in gebruik bij [medeverdachte 2] op 1 april 2004 om 14:09 uur. Gespreksinhoud: [verdachte] vraagt [medeverdachte 2] dadelijk de man buiten op te wachten. 06- [0009] (in gebruik bij [verdachte] ) belt uit naar nummer in gebruik bij [medeverdachte 2] op 1 april 2004 om 14:23 uur. Gespreksinhoud: [verdachte] zegt dat de man er over 1 minuut is. 06- [0009] (in gebruik bij [verdachte] ) belt uit naar 06- [0006] (in gebruik bij [medeverdachte 2] ) op 1 april 2004 om 14:43 uur. Gespreksinhoud: [verdachte] vraagt [medeverdachte 2] waar zij staat. [medeverdachte 2] zegt net naar boven te zijn gegaan om de sleutels te brengen. [verdachte] zegt met de trap naar beneden te zijn gegaan. 06- [0009] (in gebruik bij [verdachte] ) belt uit naar 06- [0002] (in gebruik bij [medeverdachte 1] ) op 1 april 2004 om 15:55 uur. Gespreksinhoud: [verdachte] heeft iets laten staan en komt het ophalen. 06- [0009] (in gebruik bij [verdachte] ) wordt gebeld door 010- [0008] (Kantoor [medeverdachte 1] ) op 1 april om 16.08 Gespreksinhoud: Man vraagt of [verdachte] er bijna is. 20. De verklaring van de getuige [betrokkene 1] . De getuige heeft ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 16 april 2008 verklaard (pag 73): VZ: kan men concluderen dat na augustus 2003 de zaak tussen uw cliënt en de Clariden Bank muurvast zat? B: ja , de zaak zat zeker i n een impasse. 21. Een geschrift, zijnde een bijlage bij het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 8 april 2007 van de Politie Haaglanden met nummer PL1512/2007/10021-43. Dit geschrift houdt onder meer in (pag 204): Von ( het hof begrijpt: van): [betrokkene 2] 18 Februar (het hof begrijpt februari) 2004 [medeverdachte 1] , details [aangever] : [aangever] [a-straat 1] [plaats] 22. Een geschrift, zijnde een bijlage bij het proces-verbaal van ambtshandeling d.d. 9 maart 2007 van de Belastingdienst/FIOD/ECD kantoor Utrecht dossiernummer 38661 . Dit geschrift houdt onder meer in: als relaas van de verbalisant (pag. 55 e.v.): Kopieën vermoedelijk van de agenda 2004 van [medeverdachte 1] , die ik als bijlage 2 bij dit proces-verbaal heb gevoegd. (pag 72) Du 29 mars/march au 4 avril/april Jeudi/Thursday 1er [medeverdachte 2] [0006] [0001] 23. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 24 oktober 2007 van de Politie Haaglanden met nummer PL1512/2007/10021-60.Dit proces-verbaal houdt onder meer in : als verklaring van de verdachte (pag. 468). U laat mij een gesprek horen, gevoerd op 1 april 2004, te 10.18 uur. Dit betreft een gesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] . Uit dit gesprek kan opgemaakt worden dat de telefoon getest wordt. U vraagt mij wie de vrouw is die te horen is in dit gesprek. Dat is zo te horen [medeverdachte 2] (het hof begrijpt: [medeverdachte 2] ) 24. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 5 april 2007 van de Politie Haaglanden met nummer PL1512/2007/10021-18. Dit proces-verbaal houdt onder meer in : als verklaring van de verdachte [medeverdachte 2] (pag. 173): [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ) en ik hebben een hond. Dit betreft een soort kleine boxer. Ik kan u vertellen dat ik regelmatig bij [medeverdachte 1] in het kantoor ben geweest. Af en toe nam ik mijn hond mee. 25. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 januari 2008 van de Politie Haaglanden met nummer PL1512/2007/10021-97. Dit proces-verbaal houdt onder meer in: als relaas van de verbalisanten (pag. 602 e.V.): Nummerkeuze [0006] Datum: 01.02.2004 Tijdstip 14.09 [verdachte] bun [medeverdachte 2] B: met [medeverdachte 2] R: kan jij zo naar buiten toe, die man effe ontvangen B: ja, wanneer, nu? R: Over een paar minuten is hij hier B: ik wacht beneden, ja R: Oke Nummerkeuze [0006] Datum: 01.04.2004 Tijdstip 14.23 B: Hallo R: Hij is er over 1 minuut B: Ja oke” 6. Voor een goed begrip van de middelen zet ik eerst aan de hand van de aan de Hoge Raad toegezonden gedingstukken uiteen wat aan de bestreden beslissingen van het hof is voorafgegaan. 7. De Rechtbank ’s-Gravenhage heeft in eerste aanleg (onbetwist) vastgesteld dat [medeverdachte 1] (die tevens als verdachte is aangemerkt in deze zaak) sinds eind 1996 bij Clariden Bank in Zwitserland bankierde in verband met de verkoop van Het Financiële Dagblad en [aangever] daar zijn relationship manager werd. [medeverdachte 1] heeft op een gegeven moment blanco pandbrieven ondertekend, die door Clariden Bank later werden ingeroepen als gevolg waarvan de banktegoeden van [medeverdachte 1] bij Clariden Bank zijn bevroren. Daarop is een geschil ontstaan tussen [medeverdachte 1] enerzijds en [aangever] en Clariden Bank anderzijds waarbij [medeverdachte 1] [aangever] verwijt de blanco pandbrieven zonder zijn toestemming te hebben gebruikt om een krediet ten behoeve van een zekere [betrokkene 10] af te dekken, met wie [medeverdachte 1] ook zakelijke betrekkingen onderhield en voor wie [aangever] eveneens als account manager bij Clariden Bank optrad. [aangever] heeft tot 1 april 2004, de dag waarop de tenlastegelegde feiten zouden hebben plaatsgevonden, geweigerd te verklaren dat de blanco pandbrieven oneigenlijk door hem zijn gebruikt. 8. Getuige en aangever [aangever] is over de door hem gedane aangifte van de vrijheidsbeneming, mishandeling en bedreiging op 1 april 2004 op het kantoor van [medeverdachte 1] in Den Haag in Zwitserland een aantal keren gehoord door de Zwitserse autoriteiten en in bijzijn van de verdediging bij de rechter-commissaris in Nederland. Vervolgens is hij in eerste aanleg ter terechtzitting van 14 april 2008 in aanwezigheid van de verdediging gehoord en heeft hij daar een groot aantal vragen beantwoord over de tenlastegelegde feiten, de personen die daarbij betrokken of aanwezig waren, de omstandigheden waaronder de feiten zouden hebben plaatsgevonden, hetgeen daaraan vooraf is gegaan en hetgeen daarna is gebeurd. Met betrekking tot de vragen over de bancaire en financiële voorgeschiedenis van het conflict tussen hem en [medeverdachte 1] heeft hij zich telkens beroepen op zijn verschoningsrecht in verband met het Zwitserse bankgeheim. 9. Het belang van de verdediging [aangever] over zijn werkzaamheden bij de Clariden Bank te ondervragen is gelegen in de veronderstelling dat hij kennelijk vreesde aansprakelijk te worden gesteld voor het plegen van valsheid in geschrift in zijn hoedanigheid als account manager bij Clariden Bank. Volgens de verdediging heeft hij daarom in Zwitserland bij de politie een valse aangifte gedaan over wat er op 1 april 2004 in Den Haag op het kantoor van [medeverdachte 1] zou zijn voorgevallen, met het doel de door hem toen ondertekende verklaringen te ontkrachten. Daartegenover staat de lezing van het Openbaar Ministerie dat dat [medeverdachte 1] als opdrachtgever en verdachte als 'sterke arm,' zich samen met anderen, op 1 april 2004 hebben schuldig gemaakt aan het opsluiten van [aangever] in het kantoor van [medeverdachte 1] , het mishandelen en bedreigen van [aangever] teneinde hem te dwingen verklaringen te schrijven c.q. te ondertekenen, met welke verklaringen [medeverdachte 1] zijn bevroren banktegoeden bij de Clariden Bank kon opeisen. 10. Ter terechtzitting van de rechtbank op onder meer 14 en 21 april 2008 is uitgebreid besproken of [aangever] zich al dan niet terecht op het bankgeheim heeft beroepen, of hem anderszins een verschoningsrecht toekomt, wat de reikwijdte van dat bankgeheim en/of verschoningsrecht is, en of hij gedwongen zou moeten worden om alsnog over de zaken te verklaren die volgens de getuige aan dat bankgeheim raken. Nadat de rechtbank desgevraagd nadere informatie heeft ontvangen van de Zwitserse autoriteiten omtrent dat verschoningsrecht en een en ander nogmaals uitvoerig is besproken ter terechtzitting, heeft de rechtbank op de terechtzitting van 2 oktober 2008 uiteindelijk geoordeeld dat de stelling dat [aangever] naar Zwitsers recht geen geheimhoudingsplicht meer zou hebben, geen bevestiging vindt in het dossier en dat de [aangever] op de zittingen die hebben plaatsgevonden in april 2008 zich kon beroepen op zijn verschoningsrecht en niet verplicht kon worden de vragen te beantwoorden die het bankgeheim raakten. De rechtbank heeft op grond daarvan de ondervraging van [aangever] gestaakt en overwogen dat zij “het zal moeten doen zonder dat de getuige [aangever] een aantal vragen heeft beantwoord”. Vervolgens zijn de pleidooien gehouden, is het requisitoir uitgesproken en heeft de rechtbank op 11 maart 2009 uitspraak gedaan, waarin zij onder meer, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, heeft geoordeeld dat er geen aanleiding was het onderzoek ter terechtzitting te heropenen teneinde [aangever] nogmaals te horen en het verzoek van de raadsman daartoe heeft afgewezen. Een groot deel van de verklaring van [aangever] is voor het bewijs gebezigd. 11. In hoger beroep heeft het hof het herhaalde verzoek van de verdediging om aangever [aangever] te horen afgewezen en heeft het een drietal verklaringen van die [aangever] tot bewijs gebezigd. Het betreft twee verklaringen die in Zwitserland tegenover respectievelijk de ‘Kantonspolizei Zurich’ en iemand van het ‘Bezirksanwaltschaft Bülach’ zijn afgelegd, en één verklaring die bij de rechter-commissaris in Nederland in bijzijn van de verdediging is afgelegd. 12. Het eerste middel bevat de klacht dat het het hof niet vrij stond de in het opsporingsonderzoek door aangever [aangever] afgelegde verklaring voor het bewijs te gebruiken, nu het hof in strijd met art. 6 EVRM niet (ambtshalve) de oproeping van die [aangever] als getuige heeft bevolen. 13. Ten aanzien van het gebruik voor het bewijs van die verklaringen heeft het hof als volgt overwogen: “Door de raadsman is betoogd - verkort en zakelijk weergegeven - dat de verklaringen van aangever [aangever] zonder nader verhoor niet voor het bewijs mogen worden gebezigd nu de verdediging geen volledig gebruik heeft kunnen maken van haar ondervragingsrecht en zijn verklaringen niet op alle punten geloofwaardig zijn. Het hof overweegt te dien aanzien als volgt. Aangever [aangever] is in eerste aanleg zowel bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Den Haag als ter terechtzitting in eerste aanleg in het bijzijn van de verdediging als getuige gehoord. De verdediging is naar het oordeel van het hof dan ook ruimschoots in de gelegenheid gesteld om vragen aan de getuige te stellen over de gebeurtenissen vermeld in de aan de verdachte ten laste gelegde feiten. De verdediging is daarmee naar het oordeel van het hof voldoende in de gelegenheid geweest om de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangever te toetsen. Voor zover de verdediging zich op het standpunt stelt onvoldoende van haar ondervragingsrecht gebruik te hebben kunnen maken omdat de getuige zich ten aanzien van vragen over de bancaire voorgeschiedenis meermalen op het bankgeheim en zijn daaraan verbonden verschoningsrecht heeft beroepen, overweegt het hof het volgende. Het enkele feit dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest de getuige te ondervragen over een bancaire kwestie waarbij een medeverdachte en de getuige betrokken zouden zijn geweest, maakt onder de gegeven omstandigheden het hiervoor weergegeven oordeel van het hof niet anders. Op vragen die betrekking hadden op de dragende onderdelen van de aan verdachte ten laste gelegde feiten, is door [aangever] steeds - ook bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting in eerste aanleg - naar het oordeel van het hof consistent verklaard. Nu verklaringen van [aangever] op belangrijke onderdelen steun vinden in andere gebezigde bewijsmiddelen, zijn bedoelde verklaringen naar het oordeel van het hof betrouwbaar en zal het hof die verklaringen van [aangever] voor het bewijs bezigen. Het verweer wordt mitsdien verworpen.” 14. In de toelichting op het middel wordt een beroep gedaan op arrest van de Hoge Raad van 1 februari 1994 en de zogenaamde Vidgen-jurisprudentie. De redenering is dat nu de belastende verklaring van [aangever] het enige bewijs is waaruit verdachtes betrokkenheid bij de bewezenverklaarde feiten kan volgen en hij in eerste aanleg heeft geweigerd te verklaren over de bancaire achtergrond van zijn geschil met [medeverdachte 1] en de Clariden Bank, het hof hem als getuige ter zitting had moeten horen. Omdat het hof dat niet (ambtshalve) gedaan heeft en de verklaringen van [aangever] afgelegd in het vooronderzoek voor het bewijs heeft gebruikt, kan het arrest niet in stand blijven. 15. Uit de Straatsburgse jurisprudentie die betrekking heeft op het recht van de verdachte de hem belastende getuigen te horen gelden sinds de zaak Al-Khawaja en Tahery tegen het Verenigd Koninkrijk in grote lijnen de volgende twee algemene uitgangspunten. De verdachte heeft in beginsel het recht getuigen die hem belasten op de zitting, of in ieder geval in enig stadium van de procedure, te ondervragen. Als dat niet mogelijk blijkt, dan moet daar in de eerste plaats een goede reden voor zijn. Is dat het geval (de getuige is overleden, beroept zich op zijn verschoningsrecht, is onvindbaar of is bedreigd) dan treedt de tweede regel in werking die geldt als de “sole or decisive rule”: berust het bewijs uitsluitend of in beslissende mate op de verklaring van een getuige die niet door de verdachte gehoord is kunnen worden, dan kan dit in strijd komen met art. 6 EVRM. De “sole or decisive rule” is echter niet absoluut maar afhankelijk van compenserende factoren die in iedere zaak afzonderlijk moeten worden gewogen. 16. In onderhavige zaak speelt niet zozeer de “sole or desicive rule”, maar de vraag of de verdachte voldoende in de gelegenheid is geweest de getuige op de zitting in eerste aanleg te ondervragen nu deze daar weliswaar alle vragen heeft beantwoord die betrekking hadden op de tenlastegelegde feiten, maar heeft geweigerd vragen te beantwoorden die zijn geheimhoudingsplicht raakten. In dit verband is het arrest van het EHRM in de zaak Vidgen tegen Nederland van belang, waarin het EHRM het uitgangspunt in de Nederlandse rechtspraak, dat het ondervragingsrecht voldoende is gerespecteerd als een gelegenheid tot het stellen van vragen is geboden, in strijd met art. 6 EVRM achtte. Daarbij moet wel in het achterhoofd worden gehouden dat in deze zaak de betrokken getuige (medeverdachte) in het geheel niet wilde verklaren over de feiten die aan Vidgen ten laste waren gelegd: “42. […] The evidence on which the applicant was convicted included statements made by M. to a German police officer. However, invoking his privilege against self-incrimination, M. refused to allow these statements to be tested or challenged by or on behalf of the applicant. […] 47. Although it must be accepted that, as the Government state, reasonable attempts were made to allow the applicant to obtain answers from M., his persistence to remain silent made such questioning futile. The handicaps under which the defence laboured were therefore not offset by effective counterbalancing procedural measures.” 17. In feite stelde het EHRM de situatie zoals deze zich in de zaak van Vidgen voordeed gelijk aan die waarin de verdediging in het geheel niet in de gelegenheid heeft gehad de getuige te ondervragen. Ook al kon de verdediging ter zitting haar vragen wel aan de getuige stellen, omdat zij hierop geen antwoorden kreeg, was een dergelijk ondervragingsrecht illusoir. In zijn arrest van 29 januari 2013 heeft de Hoge Raad naar aanleiding van deze uitspraak het volgende overwogen: “In het licht van de uitspraak EHRM 10 juli 2012, LJN BX3071, NJ 2012/649 nr. 29353/06 (Vidgen tegen Nederland) moet thans worden geoordeeld dat in een geval waarin een op verzoek van de verdediging opgeroepen en ter terechtzitting verschenen getuige heeft geweigerd antwoord te geven op de hem gestelde vragen, de verdachte niet het bij art. 6 lid 3 aanhef en onder d, EVRM voorziene recht heeft kunnen uitoefenen die getuige te (doen) horen omtrent diens niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende verklaring. Dat betekent dat in zo’n situatie niet sprake is van het in HR 1 februari 1994, LJN AB7528 onder 6.3.3 sub (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.