14/02658 mr. De Vries Lentsch-Kostense Zitting 11 september 2015 Conclusie inzake 1. [eiseres 1] 2. [eiser 2] 3. [eiser 3] tegen 1. [verweerster 1] 2. [verweerder 2] Inleiding 1. Centraal in deze zaak betreffende de afwikkeling van de nalatenschap van de in 2004 overleden erflater [erflater] staat het beding (een ‘cautio Socini’) dat is opgenomen in zijn – in 1997 verleden – testament. In dit beding heeft de erflater bepaald dat indien een van zijn vier kinderen (die gezamenlijk en voor gelijke delen tot erfgenaam zijn benoemd) “zich verzet tegen enige bepaling van het testament of tegen de uitvoering daarvan”, het erfdeel van dat kind wordt beperkt tot zijn wettelijk erfdeel en dat het ten gevolge hiervan vrijkomende deel van de nalatenschap zal toekomen aan zijn echtgenote (moeder van zijn vier kinderen) die voor dat deel tot erfgename wordt benoemd. In zijn testament heeft de erflater aan zijn echtgenote twee legaten vermaakt, een keuzelegaat van alle goederen tegen inbreng van de waarde en een legaat vruchtgebruik over de rest van de nalatenschap. Voorts heeft de erflater in zijn testament een executeur benoemd. Eisers tot cassatie (de echtgenote en twee zonen van erflater) vorderen in dit geding – kort gezegd – te verklaren voor recht dat het litigieuze beding jegens verweerders in cassatie (de dochter en de andere zoon van erflater) in vervulling is gegaan en van toepassing is. Het hof heeft tot uitgangspunt genomen dat de cautio Socini onder vigeur van het huidige recht een geldige rechtsfiguur is onverminderd de mogelijkheid voor een erfgenaam gebruik te maken van de hem toekomende erfrechtelijke bevoegdheden. Mede tegen die achtergrond is het hof, evenals de rechtbank, tot de slotsom gekomen dat de verwijten die aan verweerders worden gemaakt niet kunnen leiden tot de slotsom dat verzet is gepleegd. 2. In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die door de rechtbank zijn vastgesteld bij vonnis van 2 maart 2011 (rov. 2.1-2.8) en waarvan het hof in zijn arrest van 11 februari 2014 ook is uitgegaan (rov. 10):
(1992), nr. 129 dat de strekking van art. 4.1.3b, waarop de Hoge Raad van 25 oktober 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9070, NJ 1986/308, m.nt. W.M. Kleijn zou hebben geanticipeerd, meebrengt dat de cautio Socini niet meer mogelijk is. De Commissie Erfrecht heeft daarbij aangetekend dat de kwestie voor de praktijk van groot belang is. (Zie Eindverslag II, Parl. Gesch. Invoeringswet Boek 4, p. 1179 en 1180.) In de Nota II wordt daarop als volgt geantwoord (Nota II, Parl. Gesch. Invoeringswet Boek 4, p. 1180): “De commissie vraagt zich af of de reikwijdte van artikel 4.1.3b zover gaat dat de cautio Socini niet meer mogelijk zou zijn, zoals wordt aangenomen in Asser-Meijers-van der Ploeg (thans Asser-Van der Ploeg-Perrick), nr.
- De schrijver leidt dit voor het huidige erfrecht reeds af uit het arrest van de Hoge Raad van 25 oktober 1985, NJ 1985, 308, waarin de formulering van artikel 4.1.3b wordt gebezigd. De cautio Socini wordt in testamenten wel opgenomen wanneer de erflater aan een legitimaris méér dan zijn legitieme portie nalaat, echter bezwaard met een last of voorwaarde die op de gehele making rust. Doet de legitimaris een beroep op zijn legitieme dan ontvangt hij in elk geval zijn legitieme portie onbezwaard; de rest van de making zou hij zonder nadere regeling eveneens ontvangen, zij het met de door de erflater gemaakte voorwaarde of last. Met de als cautio Socini aangeduide clausule bewerkstelligt de erflater nu dat aan de erfgenaam die ervoor kiest zijn legitieme in te roepen, wordt onthouden hetgeen uitgaat boven zijn legitieme portie. Artikel 4.1.3b verklaart een voor het openvallen der nalatenschap verrichte rechtshandeling nietig voorzover die de strekking heeft iemand te belemmeren de hem toekomende rechten uit Boek 4 uit te oefenen. Naar de letter genomen zou de bepaling ook betrekking kunnen hebben op de cautio Socini. Aldus reeds de memorie van antwoord bij artikel 4.1.3b (kamerstukken II 1962/63, 3771, nr. 6, blz. 4-5). Juist omdat dit onwenselijk werd geacht, is de geldigheid van de cautio Socini buiten twijfel gesteld door opneming van een uitzonderingsbepaling art. 4.3.3.14b. Wat onder het huidig recht wordt bewerkstelligd met de cautio, ligt voor het nieuwe recht reeds besloten in artikel 4.3.3.8a. Wanneer een legitimaris een beroep doet op zijn legitieme, komt ingevolge artikel 4.3.3.8a de waarde van al hetgeen hij krachtens erfrecht verkrijgt in mindering op zijn legitieme portie. In het geval van een testamentaire making onder een bezwaar kan de legitimaris door een beroep op zijn legitieme dus nooit meer krijgen dan de onbezwaarde legitieme portie. Bij een dergelijke regeling bestaat voor het opnemen van de cautio Socini in testamenten geen reden meer. Om die reden kon artikel 4.3.3.14b worden geschrapt (zie kamerstukken II 1981/82, 17 141, nr. 3, blz. 50 en 56). Vastgesteld kan dan ook worden dat de cautio, die nog in tal van onder het huidige recht gemaakte testamenten is opgenomen, een erfgenaam onder het nieuwe recht niet belemmert in zijn bevoegdheden als legitimaris: de legitimaris heeft geen verdergaande aanspraken wanneer de cautio ontbreekt. Derhalve zal de cautio onder het nieuwe recht haar betekenis verliezen. Wat het huidige recht betreft moet worden opgemerkt dat het arrest van de Hoge Raad uit 1985 een geval betrof waarin de cautio Socini geen rol speelde. Het is derhalve niet zeker dat dit arrest, op de enkele grond dat daarin dezelfde woorden voorkomen als in artikel 4.1.3b, zo moet worden begrepen dat daarin een afwijking van de eerdere rechtspraak van de Hoge Raad die de cautio Socini toeliet, moet worden gelezen.”
- In Asser-Meijers-Perrick, 1996 (twaalfde druk), nr. 129 werd nog verdedigd, zoals ook in de hiervoor aangehaalde passages uit de parlementaire geschiedenis wordt gememoreerd, dat art. 1370 lid 2 (oud) BW in overeenstemming met art. 4.1.3b (art. 4:4 BW) naar nieuw recht maar ook reeds naar het voordien geldende recht leidt tot nietigheid van de cautio Socini. In de vijftiende druk van dit handboek wordt benadrukt dat onder het nieuwe recht (het huidige recht) geen behoefte meer zal bestaan aan de cautio Socini zodat de vraag onbesproken kan blijven of dit beding als in strijd met art. 4:4 lid 1 BW nietig is. Wat de erflater met deze clausule zou willen bereiken, wordt reeds bewerkstelligd door de wet in art. 4:71 BW. Verwerpt een legitimaris hetgeen hem als erfgenaam of legataris toekomt, dan verkrijgt hij immers, als hij daarop aanspraak maakt, een vordering op de nalatenschap ter grootte van zijn legitieme. Zie Asser/Perrick 4 2013, nrs. 144 en
- Zoals vermeld in de hiervoor besproken parlementaire geschiedenis, is de cautio Socini nog opgenomen in tal van testamenten die onder vigeur van het oude erfrecht zijn opgemaakt. Uit die parlementaire geschiedenis blijkt dat ook de wetgever deze cautio, die wordt omschreven als “de privatieve clausule waarbij de erflater een making aan een legitimaris afhankelijk stelt van het al dan niet inroepen van zijn legitieme”, op zichzelf genomen niet als nietig kwalificeert. Dat blijkt in het bijzonder ook uit het nieuw ingevoerde art. 4:71 BW, waarin ligt besloten hetgeen de erflater in de regel met de cautio Socini wilde bewerkstelligen. Deze bepaling brengt immers mee dat de erfgenaam die met een beroep op zijn legitieme verzet tegen de door de erflater gemaakte uiterste wilsbeschikking, niet meer kan krijgen dan de onbezwaarde legitieme portie. Art. 4:71 BW gaat in wezen nog verder dan hetgeen de erflater met de cautio Socini naar oud recht bereikte nu naar huidig recht de legitimaris die zich beroept op zijn legitieme, slechts een vordering op de boedel verkrijgt. Art. 4.3.3.14b lid 1 waarin expliciet was bepaald dat een erflater een uiterste wilsbeschikking ervan afhankelijk kan stellen dat een legitimaris van een hem als zodanig toekomende bevoegdheid (de bevoegdheid zich op de legitieme te beroepen) afstand doet, is als “overbodig” vervallen en niet als strijdig met art. 4:4 lid 1 BW. Aangenomen moet dan ook worden dat art. 4:4 lid 1 BW niet meebrengt dat de cautio Socini op zichzelf genomen nietig is op de grond dat dit beding de legitimaris door de ‘sanctie’ op het beroep op de legitieme zou beperken in een hem toekomende erfrechtelijke bevoegdheid. De legitimaris kan immers geen recht doen gelden op meer dan zijn onbezwaarde legitieme portie, zodat in zoverre geen sprake is van een belemmering van de legitimaris in het uitoefenen van een erfrechtelijke bevoegdheid. Hetzelfde moet gelden voor de voorgangers van art. 4:4 lid 1 BW, art. 1370 lid 2 (oud) BW en later art. 4:921 (oud) BW.
- Blijkt uit de parlementaire geschiedenis dat de wetgever de cautio Socini – daar omschreven als “de privatieve clausule waarbij de erflater een making aan een legitimaris afhankelijk stelt van het al dan niet inroepen van zijn legitieme” – op zichzelf genomen als geldig beschouwt, uit de tekst van art. 4:4 lid 1 BW en de hiervoor aangehaalde parlementaire geschiedenis blijkt ook dat een cautio Socini nietig is voor zover deze cautio de strekking heeft een erfgenaam te belemmeren in zijn vrijheid om bevoegdheden uit te oefenen die hem krachtens Boek 4 BW met betrekking tot die nalatenschap toekomen, zoals de bevoegdheid een erfenis beneficiair te aanvaarden en de bevoegdheid om het ontslag van een executeur wegens gewichtige redenen te verzoeken. De ‘klassieke’ cautio Socini, inhoudende dat de erflater een making aan een legitimaris afhankelijk stelt van het al dan niet inroepen van zijn legitieme, belemmert de legitimaris niet in het uitoefenen van een erfrechtelijke bevoegdheid aangezien hij, als gezegd, geen recht kan doen gelden op meer dan zijn onbezwaarde legitieme portie. Van een belemmering van de legitimaris in het uitoefenen van een erfrechtelijke bevoegdheid is daarentegen wel sprake ingeval in een cautio Socini is bepaald dat een making aan een legitimaris afhankelijk wordt gesteld van een zuivere aanvaarding, dat wil zeggen zonder voorrecht van boedelbeschrijving. Naar oud erfrecht gold evenzeer dat een cautio Socini gelet op art. 1370 lid 2 (oud) BW en art. 4:921 (oud) BW nietig is voor zover deze cautio de strekking heeft een erfgenaam te belemmeren in zijn vrijheid om bevoegdheden uit te oefenen die hem krachtens het oude erfrecht toekomen.
- Moet aldus een cautio Socini als nietig worden aangemerkt voor zover deze de strekking heeft een erfgenaam te belemmeren in zijn vrijheid om bevoegdheden uit te oefenen die hem krachtens Boek 4 BW respectievelijk het voordien geldende erfrecht toekomen, bedacht moet worden dat art. 3:13 BW meebrengt dat ook van een erfrechtelijke bevoegdheid geen misbruik mag worden gemaakt zodat het maken van misbruik van een erfrechtelijke bevoegdheid wél door een cautio Socini kan worden gesanctioneerd. Een cautio Socini kan dan ook wel als geldig worden aangemerkt voor zover deze cautio de strekking heeft dat van dergelijke bevoegdheden geen misbruik mag worden gemaakt. Ingeval de erflater, zoals in casu, een making aan een legitimaris afhankelijk stelt van ‘verzet’ tegen enige bepaling in het testament of tegen de uitvoering daarvan, rijst de vraag wat moet worden verstaan onder ‘verzet’. Moet onder dit begrip bijvoorbeeld ook worden verstaan het verzoeken van ontslag van de bij testament benoemde executeur wegens gewichtige reden, dan is het beding in zoverre nietig omdat het de erfgenaam beperkt in een hem toekomende erfrechtelijke bevoegdheid. Het beding kan evenwel als geldig worden aangemerkt ingeval het begrip ‘verzet’ wordt verstaan dat daaronder slechts valt het maken van misbruik van de bevoegdheid om ontslag te verzoeken. Daarbij bedenke men dat een afwijzing van het verzoek door de rechter, niet impliceert dat van misbruik sprake is. Van misbruik is eerst sprake ingeval aan de strenge maatstaf van art. 3:13 BW is voldaan.
- In de literatuur wordt de cautio Socini in het algemeen – anders dan in het handboek Asser-Meijers-Perrick (1996, twaalfde druk) – als rechtsgeldig aangemerkt, in ieder geval als het gaat om de ‘klassieke‘ cautio Socini. Zie L.C.A. Verstappen, De turbo-legitieme, WPNR 1997
(6284), p. 650 en dezelfde in: Handboek Erfrecht (Van Mourik e.a. (red.)), Aanvaarding en verwerping, 2011, p. 436. Zie ook M.R. Kremer, Groene Serie Erfrecht, Deventer: Kluwer 2009, art. 4:4 BW, aant. 3 (losbl.)). Pitlo/Van der Burght, Ebben, Erfrecht 2004, nr. 316 en 328. Luijten/Meijer 2008, nr. 18. Over de vraag of ook rechtsgeldig is de cautio die inbreuk maakt op de erfrechtelijke bevoegdheden van de erfgenaam, zoals de bevoegdheid om beneficiair te aanvaarden, wordt wel verschillend geoordeeld. Zo betoogt Van Mourik dat ook een uiterste wilsbeschikking die erop is gericht de erfgenaam of legitimaris ervan te weerhouden erfrechtelijke bevoegdheden aan te wenden rechtsgeldig is nu – kort gezegd – aan uiterste wilsbeschikkingen ontbindende voorwaarden kunnen worden verbonden mits de legitieme maar wordt gerespecteerd en nu de erflater ook de mogelijkheid heeft om een ieder te onterven, al kan de legitimaris nog steeds aanspraak maken op zijn legitieme. Zie Handboek Erfrecht (Van Mourik e.a. (red.)), 2011, Algemene Bepalingen, p. 29 en Mon. Privaatrecht 1 (Van Mourik) 2013, III. 13.0. In deze zin ook F.W.J.M. Schols, in: Handboek Erfrecht (Van Mourik e.a. (red.)), 2011, Uitleg van uiterste wilsbeschikkingen, p. 220 (VII.4 (onder 4.8)). 19. Tot slot van deze vooropstelling ga ik volledigheidshalve nog kort in op een vraag van overgangsrecht. Bij uiterste wilsbeschikkingen die onder vigeur van het oude erfrecht zijn gemaakt door een erflater die na het in werking treden van het huidig recht is overleden, rijst de vraag of de geldigheid van een in die uiterste wilsbeschikking opgenomen cautio Socini moet worden beoordeeld naar oud of naar nieuw recht. Art. 127 Overgangswet nieuw BW schrijft voor dat de bepalingen omtrent nietigheid en vernietigbaarheid van het tevoren geldende recht “onverminderd het in art. 79 Overgangswet bepaalde” niet van toepassing zijn op een uiterste wilsbeschikking die vóór het tijdstip van inwerking treden van de wet is gemaakt door iemand die na dat tijdstip overlijdt. De zinsnede “onverminderd het in artikel 79 Overgangswet bepaalde” houdt in dat met het tevoren geldende recht in die zin rekening wordt gehouden dat wanneer de uiterste wilsbeschikking op het tijdstip waarop zij werd opgemaakt geldig tot stand is gekomen, zij dat blijft ook als zij onder het nieuwe recht niet meer is toegestaan. Voor het overige gelden de bepalingen omtrent nietigheid en vernietigbaarheid van het nieuwe recht. Deze regeling (geldig blijft geldig) is vooral van belang voor de in oude testamenten opgenomen ouderlijke boedelverdelingen. Zie MvT, Kamerstukken II 1999/2000, 26 822, nr. 3, p. 7. Is met andere woorden een cautio Socini die is opgenomen in een ‘oude’ uiterste wil naar oud recht geldig, dan blijft deze cautio geldig ingeval de erflater overlijdt na inwerkingtreding van het nieuwe erfrecht ook al zou de cautio Socini naar nieuw recht niet rechtsgeldig zijn. Het gaat hier om een ‘academische’ kwestie nu de cautio Socini naar huidig recht (en naar oud recht) rechtsgeldig is en de beperking die naar huidig recht voortvloeit uit art. 4:4 lid 1 BW in 1997, toen de in 2004 overleden erflater zijn testament opmaakte, voortvloeide uit het toen geldende art. 4:921 (oud) BW. Het hof heeft, als gezegd, geoordeeld dat de cautio Socini in elk geval onder vigeur van het huidige erfrecht een geldige rechtsfiguur is onverminderd de mogelijkheid voor een erfgenaam om gebruik te maken van de hem toekomende erfrechtelijke bevoegdheden. Volledigheidshalve teken ik hier nog aan dat de uitleg van een onder het oude erfrecht gemaakte uiterste wilsbeschikking en daarmee ook de uitleg van een daarin opgenomen cautio Socini dient te geschieden aan de hand van de maatstaf van art. 4:46 BW dat onmiddellijke werking heeft. Bij die uitleg dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wilsbeschikking wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt. Dat de uiterste wilsbeschikking is gemaakt onder vigeur van het oude erfrecht, is een omstandigheid waaronder de uiterste wil is gemaakt. Zie over de uitleg van uiterste wilsbeschikkingen Asser/Perrick 4 2013/168 e.v. Middelonderdeel I: de cautio Socini mag in beginsel ook uitoefening van wettelijke bevoegdheden door legitimaris met sanctie treffen 20. Onderdeel 1 van het principale cassatieberoep strekt ten betoge dat de cautio Socini in beginsel ook de uitoefening van wettelijke bevoegdheden door de legitimaris met een sanctie mag treffen. Het onderdeel richt zich tegen rov. 19, 25, 28, 32, 36, 54-55 en 69-70 van het arrest van het hof. In de onderdelen 1.1 t/m 1.3 wordt weergegeven wat het hof in genoemde rechtsoverwegingen overwoog. Zij bevatten geen klacht. Onderdeel 1.4 klaagt dat het hof met deze oordelen is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door in bedoelde rechtsoverwegingen ( al dan niet impliciet) te oordelen dat hoewel de cautio Socini op zichzelf een geldige rechtsfiguur is, zulks geldt onverminderd de mogelijkheid van de erfgenaam gebruik te maken van de hem toekomende wettelijke bevoegdheden en dat hooguit in het geval van misbruik van die erfrechtelijke bevoegdheden sprake kan zijn van sanctionering door de cautio Socini. Volgens het onderdeel valt niet in te zien waarom het de erflater, die immers bij testament het erfdeel van zijn kinderen kan beperken tot een omvang die overeenkomt met de legitieme portie, niet vrij zou staan een groter erfdeel van een of meer van zijn kinderen qua omvang tot de legitieme portie te beperken als sanctie op het overtreden van een in het testament opgenomen voorwaarde, zoals in casu het plegen van verzet tegen de inhoud of uitvoering van testamentaire bepalingen. De uitoefening van de erfrechtelijke bevoegdheid van art. 4:149 lid 2 BW om wegens gewichtige redenen aan de rechter het ontslag te verzoeken van de door de erflater in het testament benoemde executeur, wordt door zo’n voorwaarde resp. sanctie ook niet belemmerd, laat staan uitgesloten, maar slechts van tevoren en uitdrukkelijk in financieel opzicht minder aantrekkelijk gemaakt. Bovendien, zo betoogt onderdeel 1.5, is het ontwerp-artikel 4.3.3.14b lid 1 indertijd bewust in het ontwerp ingelast om duidelijk te maken dat art. 4:4 lid 1 (toen: 4.1.3b) niet beoogde een in de praktijk veel voorkomend en door de Hoge Raad goedgekeurd gebruik van een cautie tegen te gaan. Deze bepaling is indertijd uiteindelijk geschrapt, niet als gevolg van een veranderde rechtsopvatting maar als gevolg van de overbodigheid van één bepaalde vorm van de cautie namelijk het in de legitieme stellen als sanctie op verzet tegen een testamentaire beschikking. De wetgever heeft daarbij kennelijk geen oog gehad voor een onder ontwerpartikel 14b geoorloofde en in de praktijk ook gebruikelijke variant als de onderhavige, waarin het gaat om een in beginsel gave aanvaarding die gepaard gaat met verzet tegen de concrete invulling van de executele terwijl de sanctie daarop is een (evenredige) beperking van de omvang van het erfgenaamschap tot het minimale wettelijk erfdeel. De onderhavige sanctie op verzet tegen de door de erflater bewust gekozen figuur van een executele met de persoonlijke invulling ervan door zijn vaste financiële adviseur en vertrouwenspersoon is – zo betoogt onderdeel 1.6 – van een geheel andere orde dan het geval waarop de specifieke dwingende regeling van art. 4:190 lid 2 BW ziet waarin het aan de erflater verboden wordt de erfgenaam te beperken in de vrijheid te kiezen voor beneficiaire aanvaarding. Onderdeel 1.7 is gericht tegen rov. 20 waar het hof – in het kader van de vraag of de cautio van rechtswege werkt dan wel dient te worden ingeroepen en door wie – oordeelt dat de onderhavige cautio Socini bewerkstelligt dat een kind/erfgenaam door het plegen van verzet “in de legitieme wordt gesteld” en dat daarom naar oud recht sprake is van een erfgenaamschap onder ‘gedeeltelijke’ ontbindende voorwaarde doch naar het thans geldende erfrecht van een erfgenaamschap onder volle ontbindende voorwaarde. Het hof oordeelt dat de omvang thans niet aan de orde is zodat het zich van enig oordeel daaromtrent zal onthouden. Het onderdeel klaagt dat het hof miskent dat de testamentaire wilsbeschikking in dit geval uitdrukkelijk bepaalt dat in geval van verzet van de erfgenaam (slechts) het erfdeel wordt beperkt tot zijn wettelijk erfdeel, zodat steeds sprake is van een ‘gedeeltelijke’ ontbindende voorwaarde. Het onderdeel betoogt dat niet valt uit te sluiten dat ’s hofs onjuiste althans onbegrijpelijke uitleg van het testament ’s hofs oordeel over de grenzen en het effect van de cautio Socini heeft beïnvloed. Het voert aan dat eisers bovendien belang erbij hebben dat dit misverstand na cassatie en verwijzing geen rol meer kan spelen. Daarbij wijzen zij erop dat geen van partijen ’s hofs lezing die niet, laat staan ondubbelzinnig uit de tekst ervan blijkt, heeft verdedigd, zodat minst genomen sprake is van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing. Onderdeel 1.8 betoogt – kennelijk als aanvulling op de onderdelen 1.4 en 1.5 – dat aan het bovenstaande niet afdoet dat [eisers] hebben verwezen naar de misbruikbepaling van art. 3:13 BW, aangezien die verwijzing immers subsidiair was bedoeld. Het plegen van verzet tegen de inhoud en/of uitvoering van het testament, ook als dat de aanwending van erfrechtelijke en andere wettelijke bevoegdheden betreft, levert voldoende grond op voor inwerkingtreding van de in de cautio voorziene sanctie. Dat is slechts anders, aldus het onderdeel, als de cautio zelf een voorwaarde stelt die in strijd is met de openbare orde/goede zeden of dat een beroep op die voorwaarde in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Onderdeel 1.9 voegt hieraan toe dat ook volgens [eisers] een erfgenaam een ontslagverzoek tegen de executeur wegens gewichtige redenen moet kunnen indienen zonder dat tegen hem/haar een beroep op de cautie kan worden gedaan bijvoorbeeld als de executeur fraudeert of opzettelijk discrimineert, doch dat een prematuur ingediend ontslagverzoek niet anders dan als verzet in de zin van de onderhavige cautie kan worden aangemerkt. 21. Middelonderdeel I strekt in al zijn onderdelen ten betoge dat de cautio Socini niet alleen een rechtsgeldige rechtsfiguur is, zoals het hof althans voor het huidige erfrecht aannam, maar dat de cautio Socini, anders dan het hof oordeelde, in beginsel ook de uitoefening van de aan een erfgenaam toekomende erfrechtelijke bevoegdheden mag treffen. Tegen de achtergrond van het hiervoor onder 10-19 vooropgestelde, kom ik tot de slotsom dat dit betoog moet falen. Het staat een erflater niet vrij een erfgenaam te beperken in de mogelijkheid gebruik te maken van zijn erfrechtelijke bevoegdheden. Anders dan onderdeel 1.4 veronderstelt, is ook van een zodanige beperking sprake ingeval het uitoefenen van die bevoegdheden door de sanctie van de cautie wordt getroffen en daardoor “slechts” financieel minder aantrekkelijk wordt gemaakt maar niet onmogelijk. De wetgever heeft de testeervrijheid van de erflater in zoverre beperkt. Slechts het maken van misbruik van erfrechtelijke bevoegdheden zou met een sanctie getroffen kunnen worden. Het ontwerp-artikel 4.3.3.14b lid 1 is indertijd inderdaad geschrapt als gevolg van ‘overbodigheid’ omdat aan het in de legitieme stellen als sanctie op verzet tegen een testamentaire beschikking geen behoefte meer bestond bij de hernieuwde regeling van de legitieme. Onjuist is evenwel de aan onderdeel 1.5 ten grondslag liggende veronderstelling dat een variant als de onderhavige, waarin het gaat om de sanctie van een (evenredige) beperking van de omvang van het erfgenaamschap op ‘verzet tegen enige bepaling van het testament of de uitvoering daarvan’, geoorloofd zou zijn ook ingeval onder ‘verzet’ verstaan zou moeten worden de uitoefening van aan de erfgenaam toekomende erfrechtelijke bevoegdheden die niet naar de maatstaf van art. 3:13 BW als misbruik van bevoegdheid kan worden gekwalificeerd. Zoals hiervoor uiteengezet, staat art. 4:4 lid 1 BW daaraan in de weg, evenals naar oud recht art. 1370 lid 2 (oud) BW en art. 4:921 lid 2 (oud) BW. Daaraan doet niet af dat een sanctie op verzet tegen de door de erflater gekozen figuur van een executele met benoeming van zijn vaste financiële adviseur en vertrouwenspersoon als executeur, van een andere orde is – zoals onderdeel 1.6 betoogt – dan de door art. 4:190 lid 2 BW verboden sanctie op beperking van de bevoegdheid beneficair te aanvaarden. De aan een erfgenaam toekomende bevoegdheid om zich tot de kantonrechter te wenden met het verzoek een executeur wegens gewichtige reden te ontslaan, is van belang omdat deze bevoegdheid de erfgenaam in de gelegenheid stelt tegen de executeur op te treden ingeval deze misbruik maakt van zijn van bevoegdheid, zijn verplichtingen verwaarloost of niet in staat is tot een behoorlijke uitoefening van zijn taak. Zie Asser/Perrick 4 2013/701, waar wordt aangetekend dat ook een ernstige mate van wantrouwen van de erfgenamen jegens de executeur een gewichtige reden kan zijn ingeval dat wantrouwen gegrond is bijvoorbeeld omdat de executeur de erfgenamen niet volledig informeert. Verwezen wordt daarbij naar Hof ’s-Hertogenbosch 21 november 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ4506, RFR 2007/23. Hiervoor wees ik reeds erop dat van een bevoegdheid geen misbruik mag worden gemaakt en voorts dat het een kwestie van uitleg is wat moet worden verstaan onder het begrip ‘verzet’ in een testamentaire bepaling als de onderhavige. Onderdeel 1.7 betoogt met recht dat de testamentaire wilsbeschikking in dit geval uitdrukkelijk bepaalt dat in geval van verzet van de erfgenaam, het erfdeel van die erfgenaam wordt beperkt tot zijn wettelijk erfdeel, zodat de verzet plegende erfgenaam – gelet op deze expliciete bepaling – erfgenaam blijft, zij het slechts voor zijn wettelijk erfdeel. De klacht mist evenwel feitelijke grondslag voor zover zij ervan uitgaat dat het oordeel van het hof omtrent de geldigheid van de onderhavige cautio Socini beïnvloed zou zijn door de onjuiste rechtsopvatting dat de verzet plegende erfgenaam slechts een vordering op de voet van art. 4:71 BW verkrijgt. De onderdelen 1.8 en 1.9 bevatten kennelijk een aanvulling op de onderdelen 1.4 en 1.5. Benadrukt wordt dat het plegen van verzet tegen de inhoud en/of uitvoering van het testament, ook als dat de aanwending van erfrechtelijke en andere wettelijke bevoegdheden betreft, slechts voldoende grond oplevert voor inwerkingtreding van de in de cautie voorziene sanctie ingeval de cautie zelf een voorwaarde stelt die in strijd is met de openbare orde/goede zeden of ingeval een beroep op die voorwaarde in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Als gezegd, geldt hier de maatstaf van art. 4:4 lid 1 BW die inhoudt dat een beding nietig is voor zover het ertoe strekt een erfgenaam te beperken in de mogelijkheid gebruik te maken van zijn erfrechtelijke bevoegdheden en kan slechts het maken van misbruik als bedoeld in art. 3:13 BW van erfrechtelijke bevoegdheden met een sanctie worden getroffen. Middelonderdeel II: verzet door [verweerder 2] en [verweerster 1] tegen de benoeming resp. het functioneren van de executeur en de ontslagverzoeken tegen hem 22. Onderdeel II richt klachten tegen rov. 23-26 juncto 28-29, 36 en 38 en bouwt voort op middelonderdeel I voor zover het betreft het oordeel dat de in de cautio Socini voorziene sanctie ingeval het gaat om erfrechtelijke bevoegdheden slechts kan intreden als misbruik wordt gemaakt van deze bevoegdheden. In de door het onderdeel bestreden overwegingen heeft het hof de door [eisers] aangevoerde feiten en omstandigheden op grond waarvan zij stellen dat het door erflater in zijn uiterste wilsbeschikking genoemde 'verzet' is ingetreden, beoordeeld met inachtneming van de door hen gegeven onderbouwing daarvan en van het gemotiveerde verweer van [verweerder 2] en [verweerster 1] daartegen. Het hof is tot de slotsom gekomen dat de gestelde feiten en omstandigheden geen grond opleveren voor het oordeel dat sprake is geweest van verzet als bedoeld in de uiterste wilsbeschikking aangezien deze feiten en omstandigheden ofwel zien op een aan [verweerder 2] en [verweerster 1] als erfgenamen toekomende erfrechtelijke bevoegdheid terwijl van misbruik niet is gebleken, ofwel onvoldoende zijn onderbouwd mede gelet op de gemotiveerde betwisting door [eisers] 23. Onderdeel 2.1 stelt voorop dat de in onderdeel II opgenomen klachten allereerst voortbouwen op onderdeel I. Onderdeel 2.2 klaagt dat het hof ten onrechte althans zonder toereikende motivering de vier omstandigheden zoals aangehaald in rov. 23 onder a t/m d geïsoleerd en niet in onderlinge samenhang heeft beoordeeld. Het gaat daarbij om (
- a)de omstandigheid dat [verweerder 2] enkele dagen na de crematie van erflater zonder reden of grond de benoeming van Van Strien als executeur als onacceptabel heeft omschreven, (
- b)de omstandigheid dat [verweerder 2] zich na het overlijden van erflater tegenover de executeur onbeschoft heeft gedragen en het hem onmogelijk heeft gemaakt zijn werk als executeur te verrichten, in welk handelen [verweerster 1] is meegegaan, (
- c)de omstandigheid dat [verweerder 2] buiten medeweten van [eisers] oud-notaris mr. Kroes bereid heeft weten te vinden de functie van executeur van mr. Van Strien over te nemen en (
- d)de omstandigheid dat bij de kantonrechter te Rotterdam diverse verzoeken zijn ingediend om te komen tot vervanging van mr. Van Strien als executeur en geen van deze verzoeken heeft geleid tot vervanging van de executeur. Betoogd wordt dat uit een beoordeling in onderlinge samenhang onmiskenbaar blijkt van de “dadelijke en niet aflatende wens” van [verweerder 2] en [verweerster 1] om de executeur te laten ontslaan en intussen diens werk waar mogelijk te bemoeilijken. Daarbij heeft het hof ten onrechte althans zonder toereikende motivering nagelaten, aldus onderdeel 2.3, in aanmerking te nemen dat (
- i)de cautio Socini een kernbepaling van het testament vormt evenals de benoeming van de executeur, (
- ii)dat de cautio Socini bewust is opgenomen omdat de erflater oppositioneel gedrag vreesde, (iii) dat de term ‘verzetten’ in het licht van het voorgaande en het gewone spraakgebruik moet worden uitgelegd en (
- iv)dat de executeur in grote mate een autonome positie heeft en in het algemeen niet afhankelijk is van instemming van alle erfgenamen. De onderdelen 2.4 t/m 2.8 komen op tegen het oordeel van het hof dat geen van de drie door [eisers] genoemde en onder rov. 23 a t/m c weergegeven feiten en omstandigheden meebrengt dat verzet is gepleegd als bedoeld in de uiterste wilsbeschikking van erflater nu deze feiten en omstandigheden gelet op de betwisting door [verweerder 2] en [verweerster 1] onvoldoende zijn toegelicht. Geklaagd wordt dat dit oordeel onjuist en/of ontoereikend is gemotiveerd gelet op “bovenstaande algemene gezichtspunten/klachten” en op hetgeen naar voren is gebracht in de door deze onderdelen genoemde passages in de gedingstukken. Verwezen wordt voorts naar het door [eisers] gedane uitdrukkelijke en – aldus onderdeel 2.8 – voldoende gespecificeerde bewijsaanbod. Geklaagd wordt dat onbegrijpelijk is het oordeel van het hof in rov. 51 dat dat bewijsaanbod mede in aanmerking genomen hetgeen eerder is overwogen, een niet nader gespecificeerd bewijsaanbod betreft. De onderdelen 2.9 t/m 2.13 komen op tegen rov. 25, waar het hof als volgt oordeelt. De door [verweerder 2] en [verweerster 1] aan de kantonrechter gedane verzoeken tot ontslag van de executeur Van Strien worden in beginsel niet getroffen door de cautio Socini nu het gaat om een aan de erfgenaam toekomende erfrechtelijke bevoegdheid. De omstandigheid dat de kantonrechter – na geruime tijd – heeft geoordeeld dat van 'gewichtige redenen' geen sprake is, neemt de bevoegdheid van een erfgenaam om een dergelijk verzoek te doen niet weg. Deze conclusie zou mogelijk anders zijn indien zou zijn gebleken dat deze verzoeken met het “oogmerk van misbruik” van recht zouden zijn gedaan. Door [eisers] is dat misbruik van recht wel gesteld doch naar het oordeel van het hof is van zodanig misbruik op grond van de door hen aangevoerde feiten en omstandigheden niet gebleken. Onder verwijzing naar middelonderdeel I bestrijdt onderdeel 2.10 dat het indienen van verzoekschriften tot ontslag slechts ‘verzet’ kan opleveren indien daarbij sprake is van misbruik van recht. Daarnaast klaagt dit onderdeel dat het hof met zijn overweging dat sprake zou moeten zijn van een “oogmerk van misbruik van recht”, ten onrechte een verdergaande eis stelt dan art. 3:13 BW. Verder klaagt dit onderdeel dat de motivering van het hof onjuist althans ontoereikend is nu daaruit niet blijkt dat het hof enig inhoudelijk onderzoek heeft verricht ten aanzien van enerzijds de juistheid of het gewicht van de door [verweerder 2] en [verweerster 1] aangevoerde ontslaggronden en anderzijds de daartegen door [eisers] en Van Strien aangevoerde verweren/argumenten. De onderdelen 2.11-2.13 werken deze klacht nader uit om tot de slotsom te komen dat in casu wel degelijk sprake is van misbruik en in ieder geval niet van een door art. 4:4 BW gelegitimeerd verzet gelet op alle vergeefse verzoeken van [verweerder 2] en [verweerster 1] . 24. De klachten van onderdeel II falen voor zover zij voortbouwen op onderdeel I, waar, zoals hiervoor uiteengezet, vergeefs wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de cautio Socini – in elk geval onder vigeur van het huidige erfrecht – een geldige rechtsfiguur is “onverminderd de mogelijkheid voor een erfgenaam gebruik te maken van de hem toekomende erfrechtelijke bevoegdheden” en dat tegen deze achtergrond het indienen van verzoekschriften tot ontslag slechts ‘verzet’ in de zin van de onderhavige cautio Socini kan opleveren indien daarbij sprake is van misbruik van recht. Daarnaast geldt het volgende. Met de klacht dat het hof ten onrechte althans zonder toereikende motivering de vier omstandigheden zoals aangehaald in rov. 23 onder a t/m d geïsoleerd en niet in onderlinge samenhang heeft beoordeeld en dat het hof daarbij onvoldoende heeft betrokken dat de benoeming van Van Strien tot executeur een “kernbepaling” van het testament is, zien de onderdelen 2.2 en 2.3 eraan voorbij dat het hof heeft geoordeeld dat geen van de omstandigheden zoals aangehaald onder a t/m c kan meebrengen dat verzet is gepleegd als bedoeld in de uiterste wilsbeschikking, omdat de daar genoemde feiten “door [verweerder 2] en [verweerster 1] – voor zover die al genoemd worden in de memorie van grieven – bestreden zijn en deze door [eiseres 1] cs niet nader zijn toegelicht.” Van een beoordeling van de aangehaalde omstandigheden in onderlinge samenhang kan – zo deze al voorgeschreven zou zijn – geen sprake zijn ingeval de omstandigheden niet zijn komen vast te staan. De onderdelen 2.4 t/m 2.8 komen met motiveringsklachten op tegen het oordeel van het hof dat – kort gezegd – de omstandigheden genoemd onder a t/m c – voor zover deze al genoemd worden in de memorie van grieven – bestreden zijn en door [eisers] niet nader zijn toegelicht. De vraag of voldoende feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht ter adstructie van een stelling en of deze feiten, gelet op de betwisting door de wederpartij, in voldoende mate van een nadere toelichting zijn voorzien, is van feitelijke aard en leent zich slechts in beperkte mate voor toetsing in cassatie. Dat het hof, gelet op hetgeen naar voren is gebracht in de door de cassatiedagvaarding genoemde passages in de gedingstukken en op hetgeen daartegen is aangevoerd in de door [verweerder 2] en [verweerster 1] in de schriftelijke toelichting genoemde passages in de gedingstukken, heeft geoordeeld dat [eisers] de in rov. 23 onder a-c genoemde omstandigheden onvoldoende nader hebben toegelicht komt mij niet onbegrijpelijk voor. Dat zo zijnde, behoefde het hof [eisers] ook niet toe te laten tot bewijslevering. De onderdelen 2.9 t/m 2.13 falen evenzeer. Als gezegd falen zij reeds voor zover zij onder verwijzing naar middelonderdeel I opkomen tegen het oordeel van het hof dat het indienen van verzoekschriften tot ontslag slechts ‘verzet’ kan opleveren indien daarbij sprake is van misbruik van recht. De klacht dat het hof met zijn overweging dat sprake zou moeten zijn van een “oogmerk van misbruik van recht” een verdergaande eis stelt dan art. 3:13 BW, moet falen omdat het hof naar mijn oordeel met deze zinswending niet heeft willen weergeven dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van recht als bedoeld in art. 3:13 BW, een andere maatstaf geldt dan die van art. 3:13 BW zelf. Het verwijt dat het hof niet heeft beoordeeld of sprake is van zodanig misbruik, kan evenmin slagen aangezien het hof dat wel heeft gedaan zoals blijkt uit de laatste zin van rov. 25 van zijn arrest waar het hof overweegt dat dat misbruik van recht door [eisers] wel is gesteld, doch dat naar het oordeel van het hof van zodanig misbruik op grond van de door hen aangevoerde feiten en omstandigheden niet is gebleken. Middelonderdeel III: verzet door [verweerder 2] en [verweerster 1] tegen de werkzaamheden van notaris Ringelesteijn ten behoeve van de uitvoering van het testament door de executeur 25. Onderdeel III komt op tegen rov. 30, waar het hof overwoog dat het verwijt dat [verweerder 2] zonder deugdelijke grondslag mr. Van Ringelesteijn via zijn raadsman heeft gesommeerd de hem door de executeur opgedragen werkzaamheden te staken, niet nader is onderbouwd nu de desbetreffende sommatie en de gronden daarvan ontbreken. De onderdelen 3.1 en 3.2 bevatten geen klacht. Onderdeel 3.3 klaagt dat ’s hofs motivering dat het onderhavige ‘verzetverwijt’ niet nader is onderbouwd nu de desbetreffende sommatie en de gronden daarvan ontbreken, onjuist althans ontoereikend is gelet op de in onderdeel 3.2 – onder verwijzing naar passages in de gedingstukken – genoemde stellingen en verwijten van [eisers] als onderschreven door executeur Van Strien en met name ook gelet op het aanbod om de executeur als getuige te horen terwijl ook het horen van notaris Van Ringelesteijn als getuige geacht moet worden te liggen binnen de vanzelfsprekende bedoeling van het bewijsaanbod. Een en ander klemt temeer, aldus de klacht, nu [verweerder 2] en [verweerster 1] niet gemotiveerd hebben weersproken dat zij Van Ringelesteijn hebben getracht af te houden van de uitvoering van de door de executeur aan hem opgedragen taken. 26. Het hof heeft met het overwogene in rov. 30 naar het mij voorkomt bedoeld aan te geven dat [eisers] onvoldoende hebben gesteld om voor bewijslevering in aanmerking te komen omdat naar zijn oordeel de ondeugdelijkheid van de sommatie onvoldoende is geadstrueerd terwijl zulks wel op de weg van [eisers] had gelegen gelet op het gemotiveerde verweer van [verweerder 2] dat van een ondeugdelijke sommatie geen sprake was en in zoverre ook niet van ‘verzet’ tegen de uitvoering van het testament. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Het hof behoefde gelet op zijn oordeel dat het aan [verweerder 2] gemaakte verwijt onvoldoende is onderbouwd, [eisers] niet toe te laten tot bewijslevering. Middelonderdeel IV: verzet door [verweerder 2] en [verweerster 1] tegen het voor de boedelafwikkeling willen aantrekken van liquiditeiten door de executeur 27. Onderdeel IV komt op tegen rov. 34 en 35. In rov. 34 oordeelt het hof onder het opschrift “Dreigementen aan de ABN AMRO en FORTIS” dat de stelling van [eisers] dat [verweerder 2] dreigementen jegens functionarissen van de ABN AMRO en FORTIS heeft geuit en hen niet heeft toegestaan effecten behorende tot de boedel te vervreemden en een lening te verstrekken onder hypothecair verband, bij gebreke van nadere onderbouwing niet leidt tot de conclusie dat [verweerder 2] verzet tegen de uitvoering van erflaters uiterste wilsbeschikking heeft gepleegd. Het hof overweegt voorts dat de brief van 26 november 2004 van [verweerster 1] aan de ABN AMRO niet leidt tot een andere conclusie, nu [verweerster 1] daarin aangeeft dat tot de nalatenschap behorende vermogensbestanddelen slechts mogen worden vervreemd met inachtneming van de wettelijke bepalingen van het Burgerlijk Wetboek. In rov. 35 oordeelt het hof onder het opschrift “Het vertragen en tegenwerken van het aantrekken van liquiditeiten door de executeur” dat ook hier door [eisers] niet, althans onvoldoende, wordt onderbouwd waarin het verzet van [verweerder 2] en [verweerster 1] tegen de uitvoering van de uiterste wilsbeschikking is gelegen. Onderdeel 4.3 (de onderdelen 4.1 en 4.2 bevatten geen klacht) acht het oordeel van het hof in rov. 34 en 35 onjuist althans niet toereikend gemotiveerd gelet op de stellingen en verwijten genoemd door [eisers] in de door het onderdeel aangegeven passages in de gedingstukken. Het onderdeel verwijt het hof dat enige nadere motivering ontbreekt en dat uit ’s hofs overwegingen zelfs niet, althans volstrekt onvoldoende blijkt of het hof überhaupt kennis heeft genomen van de aangevoerde stellingen/verwijten en het terzake gedane bewijsaanbod. Onderdeel 4.4 klaagt dat dit temeer klemt nu [verweerder 2] en [verweerster 1] de gemaakte verwijten wel hebben bestreden, maar slechts summier en niet door de onderliggende door [eisers] aangevoerde feiten te betwisten. Voor zover het hof zijn oordeel mede op dit verweer heeft gebaseerd, heeft het daarmee – gezien het ontbreken van enige motivering te dier zake – miskend dat het onderhouden van contact met en het instrueren van voor de boedel werkzame banken en vastgoedadviseurs, alsmede het oordeel over de vraag of in het kader van de boedelafwikkeling behoefte is aan liquiditeiten, allereerst de eigen verantwoordelijkheid van de executeur zijn gelet op de artt. 4:144-145 en 4:147 BW. Het doorkruisen van deze bevoegdheid vormt in elke redelijke uitleg van dit begrip ‘verzet’. Zo betoogt onderdeel 4.4. 28. Gelet op hetgeen in de door het onderdeel genoemde passages in de gedingstukken wordt aangevoerd, acht ik niet onbegrijpelijk het gewraakte oordeel van het hof in rov. 34 en in rov. 35 dat door [eiseres 1] niet, althans onvoldoende wordt onderbouwd waarin ‘verzet’ tegen de uitvoering van de uiterste wilsbeschikking is gelegen. Het hof behoefde bij gebreke van een nadere onderbouwing ook niet over te gaan tot het horen van getuigen. Uit ’s hofs overwegingen blijkt geenszins dat het zou hebben geoordeeld dat het onderhouden van contact met en het instrueren van voor de boedel werkzame banken en vastgoedadviseurs, alsmede het oordeel over de vraag of in het kader van de boedelafwikkeling behoefte is aan liquiditeiten niet in de eerste plaats de eigen verantwoordelijkheid van de executeur zijn. Uit het ontbreken van een nadere motivering mag niet worden afgeleid dat het hof geen kennis zou hebben genomen van de aangevoerde stellingen/verwijten en het ter zake gedane bewijsaanbod. Middelonderdeel V: verzet van [verweerder 2] en [verweerster 1] tegen passeren akte verdeling huwelijksgemeenschap 29. Onderdeel V bevat een motiveringsklacht tegen rov. 37 en 39, waar het hof is ingegaan op het aan [verweerder 2] en [verweerster 1] gemaakte verwijt dat zij niet hebben meegewerkt aan het passeren van de akte verdeling huwelijksgemeenschap en het verwijt dat [verweerder 2] en [verweerster 1] afspraken met de mediator hebben geschonden en de mediationafspraak hebben genegeerd. De onderdelen 5.1 t/m 5.3 bevatten geen klacht. Onderdeel 5.1 stelt voorop dat het onderhavige verzet-verwijt volgens [eisers] temeer klemt nu [verweerder 2] en [verweerster 1] daarmee hebben gehandeld in strijd met hun uitdrukkelijke toezegging dat zij medewerking zouden verlenen indien de ‘mediator’ mr. Mellema de door notaris Van Ringelesteijn op verzoek van de executeur opgestelde concept-akte zou goedkeuren. Aangevoerd wordt dat [verweerder 2] en [verweerster 1] uiteindelijk wel hebben bewilligd (ter kort gedingzitting) en medewerking hebben verleend, maar dat de eerdere weigering tot een vertraging van zes maanden en onnodige extra kosten geleid. Onderdeel 5.2 verwijst naar de diverse passages in de gedingstukken. Onderdeel 5.3 stelt vast dat het gemaakte verwijt door het hof is verworpen op de grond dat [eisers] niet nader hebben onderbouwd waarom – in het licht van de ontkenning van die weigering door [verweerder 2] en [verweerster 1] (conclusie van dupliek, onder 89) – sprake is van verzet. Onderdeel 5.4 klaagt dat [verweerder 2] en [verweerster 1] dit verzet-verwijt hebben bestreden (in met name hun conclusie van antwoord onder 44-52), doch dat dit verweer niet een rechtstreekse betwisting inhoudt van de feitelijke grondslag van het door [eisers] en Van Strien gemaakte verwijt, doch berust op het door [verweerder 2] en [verweerster 1] niet gedocumenteerde en niet verifieerbare verweer dat mr. Mellema zelf zou zijn teruggekomen van haar eerdere goedkeuring van de concept-akte en dat dit ook voor hen bevrijdend zou werken. De (enige) verwijzing die het hof in zijn motivering hanteert (conclusie van dupliek, onder 89) is in dit verband niet een relevant gegeven omdat die passage betrekking heeft op het gegeven dat [verweerder 2] en [verweerster 1] circa een half jaar na hun weigering medewerking te verlenen alsnog tot ondertekening van de akte zijn overgegaan, zulks onder dreiging van een kort geding. Het onderdeel komt tot de slotsom dat de door het hof gegeven motivering de verwerping van het verzet-verwijt niet kan dragen. Voor zover het hof de schending van de mediationafspraak afdoet met een verwijzing naar de conclusie van antwoord, onder 32-61 en de brief van mr. Mellema (productie 16) is dat onjuist en/of onbegrijpelijk, aldus onderdeel 5.5, dat betoogt dat [verweerder 2] en [verweerster 1] immers onder druk van een dreigend vonnis hun ongelijk hebben erkend en de akte hebben getekend. Het hof haalt in rov. 39 “de zaken ernstig door elkaar” door in dit kader van een op 14 september 2010 vernietigd kort geding-vonnis te spreken. 30. ’ s Hofs oordeel in rov. 37 en 39 dat ook het onderhavige verwijt niet leidt tot het in vervulling gaan van de in de cautio Socini vermelde sanctie omdat [eisers] niet nader hebben onderbouwd waarom – in het licht van de ontkenning door [verweerder 2] en [verweerster 1] – hier sprake is geweest van verzet, acht ik niet onbegrijpelijk. [verweerder 2] en [verweerster 1] hebben het door de onderdelen bedoelde verzet-verwijt in de conclusie van antwoord onder 32 t/m 61 gemotiveerd bestreden onder verwijzing naar de als producties overgelegde verslagen die mr. Mellema heeft opgemaakt van de onder haar leiding gevoerde gesprekken en naar de brief van mr. Mellema van 18 januari 2007 aan de kantonrechter te Rotterdam, zoals het hof in rov. 39 ook heeft overwogen. (Onderdeel 5.4 signaleert ook dat [verweerder 2] en [verweerster 1] het verzet-verwijt in de conclusie van antwoord onder 44-52 hebben bestreden). Het hof kon in het licht van deze betwisting komen tot het oordeel dat [eisers] in het licht van de ontkenning van [verweerder 2] en [verweerster 1] het verzet-verwijt onvoldoende hebben onderbouwd. Het in onderdeel 5.5 vervatte betoog dat [verweerder 2] en [verweerster 1] onder druk van een dreigend vonnis hun ongelijk hebben erkend en de akte hebben getekend, faalt omdat deze omstandigheid, wat daar verder van zij, niet afdoet aan het oordeel van het hof dat [eisers] niet nader hebben onderbouwd waarom – in het licht van de ontkenning door [verweerder 2] en [verweerster 1] – sprake is geweest van verzet. Middelonderdeel VI: verzet door [verweerder 2] in de vorm van het in beslag laten nemen van het in vruchtgebruik aan moeder toebehorende Niderviller servies 31. Onderdeel VI richt zich tegen rov. 47 waar het hof ingaat op de beslaglegging door [verweerder 2] op het servies dat aan [eiseres 1] (de moeder) in vruchtgebruik toebehoort. Onderdeel 6.1 betoogt dat het beslag geheel nodeloos was omdat moeder – nog afgezien van haar uitdrukkelijk in het testament voorziene vervreemdingsbevoegdheid – niet meer van plan was het servies te verkopen en dat het beslag bovendien strijdig met het haar in elk geval onbetwist toekomende vruchtgebruik. Door toch beslag te leggen levert dat verzet op in de zin van de cautio Socini, Onderdeel 6.2 verwijst voor een nadere onderbouwing van dit verzet-verwijt naar passages in de gedingstukken. Onderdeel 6.3 klaagt dat het hof dit uitvoerig toegelichte en gedocumenteerde verzet-verwijt slechts met één volzin afdoet te weten met de zin “Ook blijkt sedert dat arrest (het arrest van het hof ’s Gravenhage d.d. 14 september 2010; plv. P-G) niet van een onrechtmatige beslaglegging.” Het onderdeel klaagt dat het oordeel van het hof aldus onbegrijpelijk althans ontoereikend is gemotiveerd, temeer nu het arrest van 14 september 2010 is gewezen in kort geding en bovendien niet ingaat op de beschikkingsbevoegdheid van de moeder over het haar in vruchtgebruik toebehorende servies noch op de onrechtmatigheid van het beslag. 32. Op p. 9-10 van de memorie van grieven hebben [eisers] verwezen naar het door het hof genoemde arrest. In dat arrest werd het vonnis van 14 februari 2008 vernietigd waarin het litigieuze beslag op het servies werd opgeheven. [eisers] betogen in hun memorie van grieven dat de rechtsgang bij het hof in strijd was met een goede procesorde en dat dit alles de daden van verzet van HEL niet uitwist. Zoals het hof in rov. 44 overwoog, is niet gesteld of gebleken dat tegen dit arrest cassatieberoep is ingesteld. In rov. 56 en 57 heeft het hof de vijfde grief van [eisers] waarmee wordt opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat het beslag op het servies niet onrechtmatig was, onder verwijzing naar ook rov. 47 verworpen met de overweging dat niet, althans onvoldoende is gesteld of gebleken om tot de gevolgtrekking te komen dat van verzet tegen de uitvoering van de uiterste wilsbeschikking is gebleken. In het licht van het voorgaande begrijp ik de gewraakte overweging van het hof aldus dat naar het oordeel van het hof door [eisers] onvoldoende is gesteld om te kunnen oordelen dat [verweerder 2] door de beslaglegging op het servies verzet heeft gepleegd tegen enige bepaling van het testament of tegen de uitvoering daarvan. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, temeer niet nu [verweerder 2] geen verzet heeft gepleegd tegen de afgifte van het servies aan de moeder ter uitvoering van het keuzelegaat. Middelonderdeel VII: slotklacht 33. Onderdeel VII bevat geen zelfstandige klacht doch bouwt slechts voort op de aan dit onderdeel voorafgaande onderdelen. Nu geen van de andere middelonderdelen van het principale cassatieberoep tot cassatie kan leiden, faalt ook dit onderdeel. Slotsom in het principaal cassatieberoep 34. De slotsom is dat het principale cassatieberoep moet worden verworpen. Voorwaardelijk incidentele cassatieberoep 35. Nu het principale cassatieberoep dient te worden verworpen en daarmee de voorwaarde waaronder het incidentele cassatieberoep is ingediend niet is vervuld, behoeft dit voorwaardelijk ingestelde incidentele cassatieberoep geen bespreking. Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden