← Nederland

ECLI:NL:PHR:2015:193

Nr. 11/03897 B Mr. Harteveld Zitting 20 januari 2015 Conclusie inzake: [klaagster]

  1. De Rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 9 augustus 2011 het klaagschrift van klaagster, strekkende tot teruggave aan haar van een inbeslaggenomen woning op de [a-straat] te [woonplaats] alsmede tot teruggave van een reeks inbeslaggenomen goederen als in de beschikking vermeld, ongegrond verklaard.
  2. Namens klaagster is beroep in cassatie ingesteld. Mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft in deze zaak bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. 3.
  3. Aan de bespreking van het middel kom ik niet toe aangezien klaagster naar mijn oordeel in haar cassatieberoep niet-ontvankelijk is. 3.
  4. Voor een goed begrip van de zaak schets ik eerst kort de gang van zaken. [betrokkene], partner van klaagster, is op 11 januari 2010 door het gerechtshof Borgarting te Oslo (Noorwegen) onherroepelijk veroordeeld ter zake van de Noorse variant van ‘witwassen’ en ter zake van handel in 108 kilo amfetamine tot een gevangenisstraf van 16 jaren en daarbij is hem de betaling van een tweetal bedragen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel opgelegd van respectievelijk 1.600.000 Noorse Kronen en 7.569.405 Noorse Kronen. De Noorse autoriteiten hebben ten behoeve van de opgelegde ontnemingen tegen [betrokkene] de Nederlandse autoriteiten verzocht om rechtshulp. In het kader van dat verzoek is door het Openbaar Ministerie op 21 september 2006 beslag gelegd op goederen waaronder een woning in Nederland, waarvan het Noorse Openbaar Ministerie van mening is dat die aan [betrokkene] toebehoren. Daartegen heeft klaagster, die stelt eigenaar van de in beslag genomen goederen te zijn, op 22 juli 2010 op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift ingediend met het verzoek tot teruggave van de inbeslaggenomen goederen. Bij beschikking van 9 augustus 2011 is de Rechtbank tot ongegrondverklaring van het beklag gekomen. In de zaak tegen [betrokkene] heeft de Rechtbank Rotterdam op 16 april 2014 op de voet van art. 31a WOTS verlof verleend tot tenuitvoerlegging van de uitspraak van het gerechtshof Borgarting te Oslo van 11 januari 2010 voor zover dit betreft de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van de veroordeelde voor een bedrag van 1.600.000 Noorse Kronen, alsook opgelegd de verplichting tot betaling van de waarde van dit bedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, een en ander beperkt tot de tenuitvoerlegging van dat gedeelte dat de waarde vertegenwoordigt van het hier in Nederland uiteindelijk na executie van deze beslissing verkregen bedrag. Tegen deze uitspraak is namens [betrokkene] cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad heeft op 25 november jongstleden [betrokkene] niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep. Daardoor is het vonnis van de Rechtbank onherroepelijk geworden. 3.
  5. Het voorgaande brengt het volgende mee. In de fase van de uitwinning van de inbeslaggenomen voorwerpen zal uitvoering worden gegeven aan de Noorse confiscatiesanctie. Krachtens art. 14, tweede lid, van het Witwasverdrag was de Rechtbank bij het verlenen van het verlof gebonden aan de vaststelling van feiten, voor zover deze feiten zijn uiteengezet in de rechterlijke onherroepelijke uitspraak van het gerechtshof Borgarting te Oslo waarvan de tenuitvoerlegging is verzocht. Ook in art. 28, derde lid, WOTS is bepaald dat de rechter bij beoordeling van een verzoek over een vordering tot tenuitvoerlegging is gebonden aan de vaststelling van de feiten die de buitenlandse rechter kennelijk aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd. De beslissing van de Rechtbank tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging van de ontnemingsvorderingen ziet derhalve veeleer op de executie(fase) teneinde aan de verhaalsmogelijkheden te voldoen. Met de uitgesproken niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep door de Hoge Raad, kan bezwaarlijk anders worden gesteld dan dat de beslissing van de Rechtbank aangemerkt dient te worden als een onherroepelijke einduitspraak waarbij de opgelegde ontnemingsmaatregelen tegen [betrokkene] (gedeeltelijk) zijn overgenomen. Hierdoor gaat het conservatoir (derden)beslag over in executoriaal beslag en kan het Openbaar Ministerie de inbeslaggenomen voorwerpen uitwinnen (art. 577b jo. 574 Sv jo. art. 430 jo. 704 Rv). Een en ander betekent dat de ontnemingsvorderingen betreffende [betrokkene] door een onherroepelijk vonnis zijn geëindigd. Aldus is, nu sprake is van conservatoir beslag, de regel van art. 574, derde lid, Sv van toepassing. Dat artikellid bepaalt dat, na een onherroepelijke einduitspraak, ten aanzien van de rechten van derden die geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben op de ex art. 94a Sv inbeslaggenomen voorwerpen de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing zijn. Strafvorderlijke remedies staan dan niet meer open en een cassatieberoep tegen een beslissing ex art. 552a Sv zal dan ook moeten afstuiten op het ontbreken van processueel belang - de burgerlijke rechter is na het onherroepelijk worden van de annexe hoofdzaak immers bij uitsluiting bevoegd geworden over de klacht te oordelen. Derhalve resteert voor klaagster thans enkel de gang naar de burgerlijke rechter, alwaar zij op de voet van art. 438 Rv een executiegeschil aanhangig kan maken.
  6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad klaagster niet-ontvankelijk zal verklaren in het door haar ingestelde cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG De strafzaak tegen [betrokkene] is op 30 april 2010 onherroepelijk geworden. Zie uitspraak van de Noorse Hoge Raad van 30 april 2010 in het dossier (niet-ontvankelijkverklaring van het door [betrokkene] ingestelde rechtsmiddel). Ontleend aan o.a. de uitspraak van het Gerechtshof Borgarting van 11 januari
  7. HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:
  8. Het verzoek om rechtshulp vermeldt als grondslag: ‘het Europees Verdrag inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven, 8 november 1990’.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.