14/04432 mr. J.C. van Oven 25 september 2015 Conclusie inzake: het Bureau Beheer Landbouwgronden eiser tot cassatie (mrs. M.W. Scheltema en R.T. Wiegerink) tegen [verweerder] verweerder in cassatie (mr. J.A.M.A. Sluysmans) De zaak betreft de schadeloosstelling wegens onteigening van 06.14.08 ha weiland in de gemeente Lansingerland. Het middel (met klachten die grotendeels ook in de zaken 14/04378 (BBL/ […] ) en 14/04383 (BBL/ […] ) zijn aangevoerd) klaagt erover dat de rechtbank bij de waardebepaling van het onteigende ten onrechte niet alleen de op de peildatum vigerende planologische bestemming maar ook nog twee eerdere planologische bestemmingen met toepassing van art. 40c Onteigeningswet heeft weggedacht, waardoor aan het onteigende een te hoge waarde zou zijn toegekend, en over het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de te vergoeden waardevermindering van het overblijvende. Aan de orde is de leer van Uw Raad in het arrest van 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1634 ( […] c.s./Zuid-Holland). Ik houd het ervoor dat de rechtbank inderdaad te ver is gegaan met elimineren en dat het cassatieberoep dan ook gegrond is. 1Procesverloop 1.1 Op verzoek van de publiekrechtelijke rechtspersoon Bureau Beheer Landbouwgronden (hierna: BBL) heeft de rechtbank Rotterdam bij beschikking van 19 november 2012 op de voet van art. 54a Ow een rechter-commissaris en deskundigen (A.C. Rommelse, mr. E. van der Schans en ing. L.L.M. de Lorijn) benoemd. Vervolgens heeft zij op vordering van BBL bij vonnis van 30 januari 2013 vervroegd de onteigening uitgesproken ten behoeve en ten name van BBL van de onroerende zaken, omschreven als: - het gedeelte van het perceel, kadastraal bekend als gemeente Berkel en Rodenrijs, sectie [A] nummer [001] , ter grootte van 02.99.69 ha, omschreven als terrein (grasland), grondplannummer [002] ; - het gedeelte van het perceel, kadastraal bekend als gemeente Berkel en Rodenrijs, sectie [A] nummer [001] , ter grootte van 03.14.39 ha, omschreven als terrein (grasland), grondplannummer [003] . 1.2 In hetzelfde vonnis heeft de rechtbank het voorschot op de schadeloosstelling voor [verweerder] , die in het Koninklijk onteigeningsbesluit als eigenaar van de voormelde onroerende zaken was aangewezen, bepaald op € 401.417, en een datum bepaald voor de neerlegging van het deskundigenrapport. 1.3 Het vonnis van vervroegde onteigening is op 21 februari 2013 in de openbare registers ingeschreven. 1.4 De deskundigen hebben bij rapport van 9 september 2013 geadviseerd de waarde van het onteigende te bepalen op € 732.816 en een vergoeding voor de waardevermindering van het overblijvende toe te kennen van € 246.
(2)niet is voldaan, omdat (niet die vierde en vijfde herziening, maar) slechts het bestemmingsplan ‘Groenzone Berkel-Pijnacker’ de juridisch-planologische onderbouwing en regeling vormt voor de aanleg van het werk waarvoor onteigend wordt in de zin van de arresten van Uw Raad van 9 juli 2010 en 8 februari 2013. 3.3 Over de arresten van Uw Raad van 9 juli 2010 (hierna: de 9 juli-arresten) en de commentaren daarop heb ik het een en ander geschreven in de nrs. 3.19-3.28 van mijn conclusie van 4 september j.l. in de zaak met nummer 14/03918 ( […] /Gorinchem), waarnaar ik gaarne verwijs. 3.4 Het lijkt mij goed om allereerst te bezien wat in deze zaak als ‘het werk waarvoor onteigend wordt’ valt aan te merken. De rechtbank heeft zich daarover niet uitdrukkelijk uitgelaten. De deskundigen hebben het werk waarvoor naar hun mening onteigend wordt beschreven op blz. 48-50 van hun rapport, en spreken op blz. 43 van hun rapport (geciteerd in rov. 2.11 op blz. 6, onderaan, van het vonnis) over “een (…) plan, gericht op de aanleg van de Groenzone als werk waarvoor onteigend wordt”, en hebben dus, naar valt aan te nemen, (kort gezegd) ‘de aanleg van de Groenzone’ aangemerkt als het werk waarvoor onteigend wordt. Klaarblijkelijk heeft de rechtbank hetzelfde ‘werk waarvoor onteigend wordt’ voor ogen gestaan. 3.5 De klacht van het onderdeel dat de vierde en de vijfde herzieningen van het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’ niet kunnen worden aangemerkt als de juridisch-planologische onderbouwing en regeling die de aanleg van het werk waarvoor onteigend wordt mogelijk moeten maken, lijkt mij gerechtvaardigd. Het moge zo zijn dat de ratio van deze herzieningen daarin lag dat de gemeentelijke overheid de glastuinbouw ter plaatse wilde beteugelen teneinde (in de woorden van de rechtbank in rov. 2.20:) “mogelijke hindernissen voor de realisatie van toekomstige plannen” – te weten de plannen voor de Groenblauwe Slinger – “reeds in een vroeg stadium” te blokkeren, maar dat kan niet meebrengen dat die herzieningen de aanleg van het werk waarvoor thans onteigend wordt (t.w. de aanleg van de Groenzone, die ter plaatse van het (zuidwestelijke deel van het) onteigende kennelijk zal moeten worden ingericht voor recreatieve doeleinden en natuur) toelieten, nu immers bij die twee herzieningen de agrarische bestemming van kracht bleef. Deze herzieningen kunnen volgens mij dan ook, zoals onderdeel 1.2 terecht betoogt, niet zijn vastgesteld als de ‘juridisch-planologische onderbouwing’ voor het werk waarvoor thans is onteigend. Reeds daarom meen ik dat in de onderhavige zaak de vierde en vijfde herzieningen van het bestemmingsplan, die lang voor de onteigening van toepassing zijn geworden, niet behoren te worden geëlimineerd bij de waardering van de onteigende gronden. 3.6 De rechtbank heeft in rov. 2.20 een ratio gegeven voor haar verregaande elimineringsdrang. Het gevolg van bestemmingsplanwijzigingen die mogelijke hindernissen voor de realisatie van toekomstige plannen reeds in een vroeg stadium voorkomen, mag niet zijn (aldus de redenering van de rechtbank) dat de onteigeningsvergoeding daardoor lager (of in een omgekeerde situatie hoger) wordt. “Ware dit anders dan zou degene die onteigend wordt onredelijk nadeel (of voordeel) ondervinden van de omstandigheid dat de planologische onderbouwing van een plan voor het werk waarvoor wordt onteigend, niet in één keer plaats vindt maar gefaseerd.”, aldus de rechtbank. 3.7 Deze ratio spreekt mij niet aan. De hoofdregel is nog steeds dat bij de waardering rekening moet worden gehouden met de ter plaatse geldende voorschriften (art. 40d lid 1 Ow; zie ook het historisch overzicht in de nrs. 3.35-3.43 van mijn onder 3.3 reeds genoemde conclusie van 4 september j.l. in de zaak […] /Gorinchem). Eliminatie op de voet van Matser-Markus en/of de 9 juli-arresten is de uitzondering. Bestemmingsplanwijzigingen kunnen van invloed zijn op de waarde van de grond waarvoor die wijzigingen gelden. Een nieuwe bestemming die ten gevolge heeft dat grond minder lucratief kan worden geëxploiteerd, zal in het algemeen resulteren in een waardedaling van die grond. Die waardedaling blijft voor rekening van de eigenaar, behoudens diens eventuele aanspraak op planschade. De onteigeningsrechter die bij het vaststellen van de schadeloosstelling de op de peildatum op het onteigende rustende waardedrukkende planologische bestemming (op de voet van Matser-Markus dan wel van de 9 juli-arresten) wegdenkt, wijst een schadevergoeding toe waarin een vergoeding van planschade, veroorzaakt door de op de peildatum geldende bestemmingsplanvoorschriften, is inbegrepen. Wanneer de rechter ook nog bestemmingplanvoorschriften uit kracht van eerdere bestemmingsplanwijzigingen wegdenkt, ontvangt de onteigende daarboven nog planschade in verband met die eerdere bestemmingsplanwijzigingen. De laatstbedoelde planschade staat, naar mijn mening, in een te ver verwijderd verband met de onteigening om nog te kunnen worden aangemerkt als schade die de onteigende rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn zaak (art. 40 Ow) lijdt. 3.8 De onderdelen 1.1 en 1.2 acht ik dan ook gegrond. 3.9 Onderdeel 1.3 betoogt dat de rechtbank in rov. 2.18 rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, heeft geoordeeld dat reeds ten tijde van de vaststelling van de vierde en de vijfde herziening van het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’ (in de jaren 2000 en 2001) sprake was van een voldoende concreet plan voor het werk waarvoor onteigend is, dat voorafgaande aan die vierde en vijfde herziening tot stand was gekomen en de inhoud van die herzieningen heeft bepaald. De rechtbank wijst in de bestreden rov. 2.18 voor het door haar ontwaarde ‘voldoende concrete plan’ slechts naar een Streekplan uit 1996, een Nota uit 1999 over de wenselijk geachte Groenblauwe Slinger, een ontwikkelingsperspectief van de Provincie Zuid-Holland, doelstellingen van dezelfde provincie en het streven van die provincie ‘naar de ontwikkeling van een concreet ontwikkelingsplan’, in verband waarmee de Provincie ‘een intensieve bestuurlijke samenwerking tussen Provincie en gemeenten’ voorstond. Dit gaat onmiskenbaar allemaal over bestuurlijk planologisch beleid, hierin valt geen concreet plan te zien voor de aanleg (door BBL) van de Groenzone, die ter plaatse van het onteigende kennelijk zou moeten worden ingericht voor recreatieve doeleinden en natuur. Trouwens de rechtbank spreekt zelf ook (in rov. 2.20) over ‘de realisatie van toekomstige plannen’ waarvoor hindernissen (door de beide bestemmingsplanwijzigingen) in een vroeg stadium zouden moeten worden geblokkeerd. 3.10 Zoals ik in de nrs. 3.7-3.10 van mijn hierboven bij 3.3 bedoelde conclusie in de zaak […] /Gorinchem heb uiteengezet, meen ik dat onder het in de 9 juli-arresten en in het arrest Ballast Nedam/Staat bedoelde (voldoende) concrete plan geen ander plan moet worden verstaan dan het plan voor het werk waarvoor onteigend wordt als bedoeld in art. 40c, aanhef en onder 3o Ow. De rechtbank heeft met haar verwijzing naar de in rov. 2.13 vermelde stukken duidelijk gemaakt dat (met name) de Provincie streefde naar de realisering van de Groenblauwe Slinger, maar kan volgens mij niet het oog hebben gehad op een (concreet) plan voor het werk waarvoor onteigend wordt in de zin van art. 40c, aanhef en onder 3o Ow. Ik acht de rechtsklacht van het onderdeel dan ook gegrond. 3.10 In het verlengde hiervan acht ik ook gegrond onderdeel 1.4, dat zich keert tegen de gevolgtrekking van de rechtbank in rov. 2.19 dat ook uit de aanwijzing door de Provincie van het deelgebied Groenzone Berkel-Pijnacker als transformatiegebied en een brief van Gedeputeerde Staten van 13 juli 1999 aan burgemeester en wethouders van Berkel en Rodenrijs volgt dat toen al sprake was van een voldoende concreet plan voor het werk waarvoor onteigend wordt. 3.11 Onderdeel 1.5 klaagt dat de rechtbank een essentiële stelling van BBL onbesproken heeft gelaten, en wel de stelling dat de Gemeente geheel los van het plan voor het werk op het onteigende al geruime tijd concentratie van glastuinbouw nastreeft in de Noordpolder en de Overbuurtse Polder. Volgens het onderdeel doet die stelling, indien waar, afbreuk aan het oordeel van de rechtbank dat dat de vierde en de vijfde herziening van het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’ de concrete planologisch-juridische onderbouwing vormen voor het plan waarvoor wordt onteigend en dus alleen was ingegeven door de wens het gebied te transformeren naar een natuur- en recreatiegebied. Indien Uw Raad, met mij, de hiervoor besproken onderdelen gegrond acht, behoeft deze klacht geen behandeling. Voor het geval Uw Raad toch aan deze klacht toekomt, meen ik dat die niet gegrond is omdat het niet gaat om een zodanig essentieel en klemmend argument dat de rechtbank, die dit argument kennelijk niet overtuigend vond, daarop met zoveel woorden had behoren in te gaan. 3.12 Onderdeel 1.6 klaagt over de reactie van de rechtbank in rov. 2.21 op het beroep van BBL op het gelijkheidsbeginsel. Ook dit onderdeel kan buiten behandeling blijven indien Uw Raad zal oordelen dat de onderdelen 1.1-1.4 slagen. Overigens acht ik het onderdeel niet gegrond. De rechtbank had tot taak de schadeloosstelling voor de onderhavige onteigening vast te stellen. Als zij dat op juiste wijze heeft gedaan, is de schadeloosstelling correct vastgesteld, en daaraan kan naar mijn mening niet afdoen dat de in het kader van de aanleg van de N470 onteigenden een lagere (mogelijk te lage) schadeloosstelling hebben gekregen of hun gronden voor lagere (mogelijk te lage) prijzen aan de overheid hebben verkocht. De vraag of BBL, zijnde een publiekrechtelijke rechtspersoon (zie art. 28 lid 3 Wet agrarisch grondverkeer), überhaupt een beroep op het gelijkheidsbeginsel (dat de burger tegen de overheid beschermt) kan doen, laat ik onbesproken. 3.13 Ook onderdeel 1.7 kan, tenslotte, buiten behandeling blijven indien Uw Raad de onderdelen 1.1-1.4 laat slagen. De door het onderdeel opgeworpen stelling dat ingevolge art. 40c Ow slechts één bestemmingsplan (het plan dat de grondslag vormt voor de onteigening) kan worden geëlimineerd en niet ook een of meer van de daaraan voorafgaande, lijkt mij in beginsel juist, maar er laten zich situaties denken, waarin het anders kan liggen. Wanneer bijvoorbeeld het bestemmingsplan dat de juridisch-planologische grondslag moet opleveren voor de voorgenomen aanleg van een verkeersweg, al vóór de onteigening wordt vervangen door een nieuw bestemmingsplan, dat in dezelfde verkeersweg op dezelfde traject voorziet, lijkt het mij wel mogelijk dat bij de waardering van het onteigende de daarop volgens beide bestemmingsplannen rustende verkeersbestemming moet worden weggedacht. 3.14 Onderdeel 2.1 behelst een rechts- en een motiveringsklacht tegen het oordeel (rov. 2.31 jo rov. 2.27) dat de eliminatie van het bestemmingsplan dient te worden doorgetrokken naar het bepalen van de waardevermindering van de overblijvende zuidwestelijke grond (rov. 2.31). Betoogd wordt dat bij de bepaling van de waarde van het overblijvende op de voet van art. 41 Ow art. 40c Ow niet kan worden toegepast (en dat de rechtbank dat heeft miskend). Volgens het onderdeel wordt het overblijvende (uiteraard) met de nieuwe bestemming geconfronteerd en kan, voor zover daardoor nadeel ontstaat, dat door middel van een planschadevergoeding worden gecompenseerd. 3.15 In hun schriftelijke toelichting (nr. 3.42) hebben de advocaten van BBL vooropgesteld dat dit onderdeel slechts aan de orde behoeft te komen indien het eerste onderdeel niet zou slagen. Hiermee ben ik het eens. De deskundigen en de rechtbank hebben de, door mij niet juist geachte, eliminatie van de vierde en vijfde herzieningen van het bestemmingsplan ’Landelijk Gebied’ ook op het overblijvende toegepast, voor zover daarop vóór die herzieningen de bestemming ‘A(zbkk)’), die glastuinbouwmogelijkheden bood, rustte. Als Uw Raad het eerste onderdeel gegrond zal achten, kan het in onderdeel 2.1 bestreden oordeel van de rechtbank, dat voortbouwt op de in onderdeel 1 bestreden redenering, evenmin in stand blijven. 3.16 Hierbij wil het echter niet laten, zulks niet alleen omdat Uw Raad misschien onderdeel 1 ongegrond zal achten, maar ook omdat het onderdeel een principieel punt aan de orde stelt, dat – als ik het goed zie – nog steeds moet worden beslist indien Uw Raad onderdeel 1 wel gegrond acht. Dat de rechtbank het bij de bepaling van de te vergoeden minderwaarde van het overblijvende verkeerd heeft gedaan, beantwoordt in dit geval nog niet hoe het wel moet. 3.17 Hoe zijn de deskundigen en de rechtbank op het punt van de minderwaarde van het overblijvende – uiteindelijk – te werk gegaan? Zoals de bij de inleidende dagvaarding als productie 1 gevoegde grondplantekening aanschouwelijk maakt, zijn er twee grondstukken onteigend, te weten de meergenoemde noordoostelijke grond (grondplannummer 94) en de zuidwestelijke grond (grondplannummer 118). Op die tekening is ook te zien dat er zowel in het noordoosten als in het zuidwesten een perceelsgedeelte buiten de onteigeningsgrens ligt, perceelsgedeelten die dus niet zijn onteigend. De deskundigen zijn ervan uitgegaan dat de noordoostelijke grond en de zuidwestelijke grond al op de peildatum niet meer een geheel vormden, omdat die grondstukken al door een eerdere onteigening (n.l. ten behoeve van de aanleg van de provinciale weg N470, die daar inmiddels is gerealiseerd) van elkaar gescheiden zijn. Bij de bepaling van de te vergoeden minderwaarde van het overblijvende hebben de deskundigen alleen acht geslagen op het onteigende en het overblijvende in het zuidwesten (ten zuidwesten van de N470), omdat bij het overblijvende in het noordoosten (erf en bebouwing met achtergelegen moestuin en weiland) geen sprake is van waardevermindering ten gevolge van de onteigening. Deze aanpak is in cassatie niet bestreden. 3.17 Ter bepaling van de te vergoeden minderwaarde van het overblijvende hebben de deskundigen de vergelijkingsmethode toegepast. Ik heb in mijn recente conclusie van 8 mei j.l. in de zaken 14/02051 en 14/02217, over die methode al het een en ander geschreven (zie nrs. 5.10 en 5.13-5.22) en acht het niet nodig om in herhaling te vallen. 3.18 De deskundigen hebben (zie rov. 2.27) met de volgende bedragen gewerkt: Totale waarde van de zuidwestelijke grond (t.w. het complex bestaande uit het gehele perceel 5250 en [verweerders] niet in de onteigening betrokken perceel 3375) € 741.191. Waarde van de onteigende zuidwestelijke grond: € 410.287. Waarde van het overblijvende: € 275.362. De berekening gaat dan als volgt: (
- a)waarde van het complex voor onteigening: € 741.191 (
- b)vergoede werkelijke waarde onteigende: € 410.287 (
- c)waarde van het overblijvende: € 275.362 + € 685.649 – te vergoeden waardevermindering van het overblijvende: € 55.542 3.19 De deskundigen hebben, zoals valt af te leiden uit hun uiteenzetting op blz. 5 van het aanvullende deskundigenrapport, zowel de hierboven bedoelde waarde (
- a)als de hierboven genoemde waarden (
- b)en (
- c)getaxeerd met eliminatie van de bestemming volgens het op de peildatum vigerende bestemmingsplan ‘Groenzone Berkel-Pijnacker’ en van de vierde en vijfde herzieningen van het eerder vigerende bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’. Op basis van hetgeen ik hierboven met betrekking tot de onderdelen 1.1 en 1.2 heb geschreven, lijkt mij de eliminatie van de bestemmingen die (de bestemming ingevolge het bestemmingsplan ‘Groenzone’ weggedacht) ingevolge de vierde en vijfde herzieningen van het oude plan ‘Landelijk Gebied’ op de gronden van [verweerder] rustten, niet juist. In zoverre acht ik het onderdeel, als gezegd, gegrond. Het onderdeel lijkt echter nog een stap verder te willen gaan en betoogt, als ik het goed begrijp, dat art. 40c Ow (de eliminatiebepaling) in het geheel niet kan worden toegepast bij het begroten van de waardevermindering van het overblijvende. Dit betoog lijkt mij in ieder geval onjuist voor zover het gaat om element (b). Zoals ik heb uiteengezet in nr. 5.10 van mijn eerdergenoemde conclusie in de zaken Staat/ […] en […] /Staat dient de thans in art. 41 Ow geregelde vergoeding van de mindere waarde van het overblijvende ertoe de onteigende in een vermogenstoestand te brengen gelijkwaardig aan die waarin hij zich zou hebben bevonden indien er van de onteigening nooit sprake zou zijn geweest. Naar mijn mening brengt dit mee dat bij de post (
- b)het bedrag moet worden ingevuld dat de onteigeningsrechter als vergoeding van de werkelijke waarde toekent, ook indien die waarde begroot is met toepassing van art. 40c. Aldus ook Uw Raad in rov. 3.2.2 van het hierna te citeren arrest […] /Rivierenland. 3.20 Thans de vraag of (
- a)en (
- c)moeten worden gewaardeerd met of zonder eliminatie. Hierbij is van belang Uw oordeel in de zojuist genoemde zaak […]/Rivierenland. Ik citeer (met mijn cursivering van de meest relevante passage): “3.2.2 De in art. 41 Ow bedoelde vergoeding van de mindere waarde van het overblijvende, die een onderdeel is van de in art. 40 Ow bedoelde volledige vergoeding voor alle schade die de eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn zaak lijdt, strekt ertoe te voorkomen dat de onteigende als gevolg van de onteigening in zijn vermogenspositie wordt aangetast doordat het overblijvende in waarde vermindert. Het gaat er hierbij om dat de onteigende ook die schade vergoed krijgt die daarin bestaat dat het complex (het geheel van het onteigende en het overblijvende) voor de onteigening meer waard was dan de som van de aan hem vergoede werkelijke waarde van het onteigende en de verkoopwaarde van het overblijvende. De te vergoeden waardevermindering van het overblijvende moet dan ook volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad worden begroot op dat verschil. 3.2.3 In het kader van de hiervoor in 3.2.2 bedoelde begroting zal, naast de bepaling van de werkelijke waarde van het onteigende, zowel de waarde van het complex voor de onteigening als de waarde van het overblijvende moeten worden bepaald. Het gaat daarbij, evenals bij de bepaling van de werkelijke waarde van het onteigende, telkens om de prijs, als in art. 40b lid 2 Ow bedoeld, die tot stand zou komen bij een onderstelde koop in het vrije commerciële verkeer tussen de onteigende als redelijk handelende verkoper en een redelijk handelende koper, zij het dat in bijzondere gevallen de waarde naar een andere objectieve maatstaf kan worden bepaald. De rechter zal daarbij de waarde van het complex moeten bepalen zonder rekening te houden met het werk waarvoor onteigend wordt (hierna: het werk) en de plannen daarvoor. Bij de waardebepaling van het overblijvende moet hij daarentegen wel rekening houden met de toekomstige aanwezigheid van het werk, maar alleen voor zover dat op het onteigende wordt aangelegd. Tevens moet hij daarbij rekening houden met het gebruik van het werk overeenkomstig het doel waartoe dat werk strekt, maar zulks alleen indien dat gebruik op het onteigende plaatsvindt. De waardevermindering van het overblijvende als gevolg van de aanwezigheid van het werk buiten het onteigende en van het gebruik daarvan dat niet op het onteigende plaatsvindt wordt niet vergoed omdat die waardevermindering geen schade is die de eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn zaak lijdt. Of ter zake daarvan wel aanspraak bestaat op planschadevergoeding, staat - uiteindelijk - ter beslissing aan de planschaderechter.” 3.21 Gezien de hierboven gecursiveerde woorden van Uw Raad meen ik dat element (
- a)(het complex) moet worden gewaardeerd met eliminatie van het (plan voor het) werk waarvoor onteigend wordt. Indien de aan het onteigende gegeven planbestemming te vereenzelvigen valt met het plan voor het werk waarvoor onteigend wordt, moet die bestemming eveneens worden weggedacht voor zover die op het complex rust. Ook in zoverre lijkt mij de opvatting van het onderdeel dat art. 40c niet mag worden toegepast bij het bepalen van de te vergoeden minderwaarde van het overblijvende onjuist. 3.22 Dan element (c). Bij de waardebepaling van het overblijvende moet volgens de hiervoor in 3.20 geciteerde uiteenzetting van Uw Raad in de zaak […] /Rivierenland rekening worden gehouden met de nieuwe situatie, waarbij de waardeverminderende invloed van het werk, voor zover aangelegd op het onteigende, mede in aanmerking moet worden genomen (ik neem aan dat hetzelfde geldt voor een eventuele waardevermeerderende invloed van het werk voor zover dat op het onteigende is aangelegd). Ik meen dan ook, als reeds gezegd, dat onderdeel 2.1 doel treft. 4Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Waarnemend Advocaat-Generaal Immers binnen de termijn van twee weken van art. 52 lid 2 jo. art. 54t lid 1 Ow. Immers binnen de termijn van twee plus zes weken van art. 53 lid 1 jo. art. 54t lid 1 Ow. Rov. 2.7. van het bestreden vonnis Rov. 2.11. van het bestreden vonnis. Zie het citaat uit het deskundigenrapport, blz. 6, voorlaatste alinea, van het vonnis. Rov. 2.23 en 2.26 van het bestreden vonnis. Bij de waardering is een splitsing gemaakt ten aanzien van de gronden die in het bestemmingsplan “Landelijk Gebied” van 1978 de bestemming hadden van “A(zb)” (Agrarische doeleinden, aan gebouwen alleen “kleine gebouwen” toegestaan) en van “A(zbkk)” (Agrarische doeleinden, aan gebouwen alleen toegestaan gebouwen t.b.v. de tuinbouw en “kleine gebouwen” t.b.v. andere agrarische bedrijven). De bestemming A(zbkk) bood naar het oordeel van deskundigen glastuinbouwmogelijkheden, hetgeen een hogere waardering rechtvaardigt dan de andere hier genoemde bestemming, aldus blz. 69, eerste alinea, van het deskundigenrapport. Het voormalige perceel C 3672 is kadastraal vernummerd (zie rov. 2.3 van het bestreden vonnis) met gevolg dat de onteigende perceelsgedeelten in het bestreden vonnis anders zijn aangeduid dan in het vonnis van vervroegde onteigening. Rov. 2.27. en 2.30. van het bestreden vonnis. Op blz. 11, bovenaan spreekt de rechtbank twee maal van ‘zuidoostelijke grond’; ik ga ervan uit dat dit een vergissing is en dat de rechtbank bedoelde ‘zuidwestelijke grond’. Rov. 2.27 van het bestreden vonnis. Zie ook het aanvullend deskundigenrapport, blz. 4, derde en vierde alinea. Rov. 2.28 van het bestreden vonnis. Rov. 2.29 van het bestreden vonnis. Zie ook de ter zitting van 2 december 2013 overgelegde pleitnota van mr. Van der Gouw, nrs. 12-14. Één van die arresten is dat in de zaak […] c.s. / Provincie Zuid-Holland, ECLI:NL:HR:2010:BL1634, NJ 2010/631 met noot P.C.E. van Wijmen, TBR 2010/204 met noot E. van der Schans, BR 2011/11 met noot E.W.J. de Groot. Zie voor het vervolg van de zaak na verwijzing Hof Den Haag 31 januari 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BY1944, TBR 2013/29 met noot E. van der Schans. Ballast Nedam / Staat, ECLI:NL:HR:2013:BY4119, NJ 2013/318 met noot P.C.E. van Wijmen, BR 2013/110 met noot E.W.J. de Groot, TBR 2013/44 met noot E. van der Schans. Gepubliceerd op rechtspraak.nl, nr. ECLI:NL:PHR:2015:1701. HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4119, NJ 2013/318 met noot P.C.E. van Wijmen, TBR 2013/44 met noot E. van der Schans, BR 2013/110 met noot E.W.J. de Groot. Zie het deskundigenrapport blz. 69-70 en het laatste stuk van de door de rechtbank in rov. 2.12 geciteerde visie van de deskundigen. De deskundigen hebben de waardevermindering van het overblijvende aanvankelijk begroot op € 28.362 (zie blz. 70 van het deskundigenrapport en vervolgens (naar aanleiding van kritiek van BBL!) op € 246.217 (zie blz. 85 van het deskundigenrapport). In hun aanvullende rapport (blz. 5) kwamen zij tenslotte uit op € 55.541. Zie het aanvullende deskundigenrapport blz.3-4 en rov. 2.27. Bij het aanvullende deskundigenrapport is een luchtfoto gevoegd die de onteigende en de overblijvende gronden aanschouwelijk maakt. Staat/ […] en […] /Staat; naar ik begrijp heeft Uw Raad in deze zaken op heden 25 september 2015 uitspraak gedaan. Nieuwe kadastrale aanduiding, zie noot 8 hierboven. Productie 3 bij de inleidende dagvaarding toont ook het bedoelde perceel 3375. Voor zover het onderdeel (slechts) wil betogen dat bij toepassing van de vergelijkingsmethode element (
- c)(de waarde van het overblijvende) moet worden bepaald zonder toepassing van enige eliminatie, zie hierna bij nr. 3.22. HR 21 december 1960, NJ 1961/115 (Van der Hoek/Ridderkerk). HR 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0415, NJ 2009/303 met noot P.C.E. van Wijmen, BR 2009/18 met noot I.P.A. van Heijst.