14/04752 mr. G.R.B. van Peursem 25 september 2015 Conclusie in de zaak van: [eiser] , (hierna: [eiser] ), eiser tot cassatie, tegen Dakteam Dakbeheer B.V., (hierna: Dakbeheer), niet verschenen. In dit kort geding is in cassatie nog de vraag of het hof kon oordelen dat [eiser] niet tijdig (namelijk binnen de in art. 9 BBA genoemde termijn van zes maanden) zijn ontslag heeft aangevochten en of sprake was van berusting door [eiser] in beëindiging van het dienstverband. De tegen deze twee zelfstandig dragende gronden gerichte cassatieklachten falen volgens mij. 1. Feiten en procesverloop 1.1 [eiser] is per 28 februari 2011 als dakdekker/onderhoudsmonteur voor een periode van drie maanden in dienst getreden van Dakteam B.V. (verder: Dakteam). De arbeidsovereenkomst is hierna twee maal met een periode van zes maanden verlengd tot uiteindelijk 31 mei 2012. 1.2 [eiser] is vervolgens per 1 juni 2012 als dakbedekker/onderhoudsmonteur in dienst getreden van Dakbeheer. Deze arbeidsovereenkomst is verlengd met een periode van zes maanden tot 28 februari 2013. 1.3 Bij brief van 12 februari 2013 schreef Dakbeheer aan [eiser] het volgende: "Hierbij bevestigen we dat jij bij ons in dienst bent geweest voor de periode 28 januari 2011 tot en met heden en dat jij de werkzaamheden in de functie van dakdekker/onderhoudsmonteur naar volle tevredenheid hebt uitgevoerd voor Dakteam B.V. en Dakteam Beheer B.V. Beëindiging van het huidige contract is alleen te wijten aan de economische omstandigheden. We wensen je veel succes toe met toekomstige sollicitaties en nieuwe dienstbetrekking." 1.4 Dakbeheer heeft [eiser] een eindafrekening per 28 februari 2013 gestuurd. 1.5 In de periode van 28 februari 2013 tot 3 juni 2013 heeft [eiser] een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontvangen. 1.6 Op 3 juni 2013 is [eiser] als uitzendkracht in dienst getreden van Rijnmond Payroll Service B.V. om als dakdekker voor Dakteam werkzaam te zijn. De uitzending is gestart op 3 juni 2013 en is geëindigd op 10 januari 2014. 1.7 Bij brief van 29 januari 2014 van zijn advocaat heeft [eiser] zich tot Dakbeheer gewend en zich op het standpunt gesteld dat hij vanaf 10 januari 2014 aanspraak maakt op loon en wedertewerkstelling, omdat hij op grond van de zogenoemde ketenregeling (artikel 7:668a BW) een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft bij Dakbeheer, als opvolgend werkgever van Dakteam. 1.8 In dit kort geding heeft [eiser] gevorderd Dakbeheer te veroordelen tot loondoorbetaling en wedertewerkstelling. De kantonrechter heeft bij vonnis in kort geding van 18 april 2014 Rijsdijks vorderingen afgewezen. De kantonrechter overwoog daartoe onder meer (rov. 9)dat uit de vaststaande feiten moest worden afgeleid dat [eiser] het initiatief van Dakbeheer om de arbeidsovereenkomst te discontinueren heeft aanvaard, althans daarin heeft berust, waarbij het niet van betekenis is of dit juridisch moet worden gekwalificeerd als een opzegging van het dienstverband waartegen de werknemer niet binnen zes maanden heeft gereageerd, of als een beëindiging met onderling goedvinden, omdat de uitkomst ervan hetzelfde is. 1.9 In het hiertegen door [eiser] ingestelde hoger beroep is het bestreden vonnis in kort geding door het gerechtshof Den Haag bij arrest van 22 juli 2014 bekrachtigd. 1.10 Op 15 september 2014 is namens [eiser] tijdig cassatieberoep ingesteld. Dakbeheer heeft aanvankelijk tot verwerping geconcludeerd. Nadien heeft haar advocaat (mr. Aantjes) zich onttrokken. Vervolgens is niemand in cassatie namens Dakbeheer verschenen. 2Bespreking van het cassatieberoep 2.1 Na een weergave in rov. 3.2 van de grief van [eiser] tegen het vonnis van de kantonrechter en de prognose in rov. 3.5 dat naar voorlopig oordeel niet voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat het dienstverband nog voortduurt, volgt in de eerste rov. 3.6 de motivering van dat voorlopige oordeel. Hiertegen richten zich de klachten van onderdelen 1 en 2: “3.2 Met zijn grief komt [eiser] op tegen de overweging van de kantonrechter dat het initiatief van Dakbeheer om de arbeidsovereenkomst te beëindigen door [eiser] is aanvaard, althans dat hij daarin heeft berust. In de toelichting op deze grief stelt [eiser] dat het arbeidsrecht een gesloten ontslagstelsel kent. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd waarvan in deze sprake is, alleen had kunnen eindigen door opzegging na daartoe verkregen toestemming van het UWV, door ontbinding door de kantonrechter, door ontslag op staande voet, of door het sluiten van een beëindigingsovereenkomst. Nu in casu van geen van deze beëindigingsmogelijkheden gebruik is gemaakt, moet ervan worden uitgegaan dat het dienstverband per 28 februari 2013 niet is beëindigd en dus tot op heden voortduurt. De kantonrechter heeft er niet van mogen uitgaan dat [eiser] zijn vorderingen heeft prijsgegeven, omdat daartoe enkel tijdsverloop onvoldoende is. De door de kantonrechter genoemde omstandigheden maken dat niet anders, omdat hieruit slechts blijkt dat [eiser] niet op de hoogte was van de rechten die hij had. [eiser] meent dat hij rechten die hij niet kende, niet kan prijsgeven. Dat [eiser] zijn rechten niet kende komt voor risico van Dakbeheer, omdat Dakbeheer [eiser] onvoldoende heeft voorgelicht. Of Dakbeheer zich heeft gerealiseerd dat [eiser] door opvolgend werkgeverschap in vaste dienst was, doet daarbij niet ter zake, omdat van haar als werkgever verwacht mag worden dat zij zicht aan de geldende arbeidswetgeving houdt, alsdus nog steeds [eiser] . (…) 3.5 Dit betekent dat het hof thans de in het principaal appel aan de orde gestelde vraag dient te beantwoorden of voldoende aannemelijk is, dat in een eventuele bodemzaak zal komen vast te staan dat het dienstverband van [eiser] bij Dakbeheer nog steeds voortduurt. Naar het voorshands oordeel van het hof is dit niet het geval. Het hof overweegt daartoe als volgt. 3.6 Ook het hof neemt als uitgangspunt dat het dienstverband van [eiser] met Dakbeheer ingevolge de ketenregeling geduid moet worden als een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Dit betekent dat deze op initiatief van de werkgever alleen rechtsgeldig kan worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn en na vooraf gekregen toestemming van het UWV. Vaststaat enerzijds dat de arbeidsovereenkomst niet op de juiste wijze is opgezegd, maar anderzijds ook dat [eiser] niet tijdig, binnen zes maanden (artikel 9 BBA), de nietigheid van de opzegging heeft ingeroepen. De omstandigheid dat [eiser] zich pas na die datum bewust is geworden van het feit dat sprake was van opeenvolgende dienstbetrekkingen en dus van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, maakt dit niet anders. Het hof acht tevens van belang, dat [eiser] niets heeft gesteld waaruit valt af te leiden dat Dakbeheer zich indertijd bewust was van het feit dat het niet inroepen van de nietigheid van de opzegging slechts voortkwam uit onwetendheid van [eiser] en daarvan misbruik heeft gemaakt. De enkele omstandigheid dat van Dakbeheer als werkgever mag worden verwacht dat hij de geldende arbeidswetgeving kent en zich eraan houdt, is hiertoe niet toereikend. Nu [eiser] niet tijdig (binnen zes maanden) de nietigheid van de opzegging heeft ingeroepen, kan hij op die nietigheid geen beroep meer doen. Bovendien heeft Dakbeheer naar het voorlopig oordeel van het hof uit de door de kantonrechter genoemde omstandigheden, in redelijkheid mogen afleiden, dat [eiser] zich had neergelegd bij de beëindiging van de dienstbetrekking per 28 februari 2013.” 2.2 Uit deze rov. 3.6 blijkt dat dit oordeel op twee zelfstandig dragende gronden berust: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.