Zaak nummer: 15/02876 Parketdatum: 31 juli 2015 [betrokkene] , verzoekster tot cassatie, advocaat: mr. G.E.M. Later tegen Officier van Justitie Den Haag, verweerder in cassatie. In deze Bopz-zaak is een machtiging tot voortgezet verblijf als bedoeld in artikel 15 Wet Bopz verleend, nadat de rechtbank de Officier van Justitie op grond van art. 8a Wet Bopz had verzocht zijn verzoek tot het verlenen van deze machtiging te heroverwegen. De verlening van de machtiging wordt in cassatie bestreden. 1De feiten en het procesverloop 1.1. Op 6 februari 2015 heeft de officier van justitie in het arrondissement Den Haag aan de rechtbank aldaar verzocht een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis (art. 15 e.v. Wet Bopz). Betrokkene verbleef toen onvrijwillig in het psychiatrisch ziekenhuis Parnassia te Den Haag.() Bij het verzoekschrift was onder meer een verklaring d.d. 5 februari 2015 gevoegd van de waarnemend geneesheer-directeur, die betrokkene heeft laten onderzoeken door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [A]. 1.2. Op 2 maart 2015 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De rechtbank heeft betrokkene en haar advocaat gehoord, alsmede verpleegkundig specialist [B] en een medewerkster van de afdeling personeel en verzorging. In haar beschikking van dezelfde datum stelt de rechtbank vast dat met de verzochte machtiging kennelijk niet wordt beoogd dat betrokkene wordt opgenomen met het oog op een feitelijk verblijf in het ziekenhuis, zodat er voor verlening van de verzochte machtiging geen ruimte is. De rechtbank besluit de behandeling van het verzoek aan te houden ten einde onder toepassing van art. 8a Wet Bopz de Officier van Justitie de gelegenheid te bieden zich uit te laten over de vraag of het verzoek wordt gehandhaafd of wordt ingetrokken dan wel wordt vervangen door een verzoek tot voorwaardelijke machtiging. Bij brief van 18 maart 2015 heeft de Officier van Justitie te kennen gegeven zijn eerdere verzoek te handhaven onder verwijzing naar bij de brief gevoegde informatie, bestaande uit een door de verpleegkundig specialist en psychiater [C] ondertekende brief d.d. 17 maart 2015 en een geneeskundige verklaring d.d. 11 juli 2014.() 1.3. Op 26 maart 2015 heeft wederom een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De rechtbank heeft betrokkene en haar advocaat gehoord, alsmede de verpleegkundig specialist. Bij beschikking van dezelfde datum heeft de rechtbank de verzochte machtiging tot voortgezet verblijf verleend tot en met 6 februari 2016. 1.4. Namens betrokkene is – tijdig() – beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend. 2Bespreking van het cassatiemiddel 2.1. Het cassatiemiddel omvat twee onderdelen. Onderdeel 1 2.2 Onderdeel 1 bevat, kort samengevat, de klacht dat het rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk is dat de rechtbank in haar beschikking van 26 maart 2015 niet tot uitgangspunt heeft genomen haar tussenbeschikking van 2 maart 2015, waarin zij naar aanleiding van haar vaststelling dat met de verzochte machtiging kennelijk niet wordt beoogd te komen tot een feitelijk verblijf van betrokkene in het ziekenhuis de Officier van Justitie in de gelegenheid heeft gesteld zich erover uit te laten of het ingediende verzoek wordt gehandhaafd dan wel wordt ingetrokken dan wel wordt vervangen door een verzoek tot het verlenen van een voorwaardelijke machtiging. In verband hiermee had het volgens het onderdeel in de rede gelegen dat een onafhankelijk arts zou zijn ingeschakeld om betrokkene te onderzoeken en dat met betrokkene over voorwaarden zou zijn gesproken. Dat is niet is gebeurd. Op het verweer van de advocaat van betrokkene dat dit onafhankelijk psychiatrisch onderzoek niet heeft plaatsgevonden, is de rechtbank in haar beschikking van 26 maart 2015 niet ingegaan. 2.3 De klacht in onderdeel 1 is te beoordelen tegen de achtergrond van de inhoud en strekking van artikel 8a Wet Bopz. Op grond van dat artikel heeft de rechtbank immers in haar beschikking van 2 maart 2015 aan de Officier van Justitie de gelegenheid geboden zich nader over het door hem ingediende verzoek uit te laten. Art. 8a Wet Bopz() bepaalt: “Indien de rechtbank op grond van het door haar ingestelde onderzoek zich afvraagt of in de gegeven omstandigheden een andere maatregel dan de verzochte niet passender is, kan zij dit gevoelen aan de officier van justitie kenbaar maken; zo nodig bepaalt de rechtbank daarbij dat de behandeling op een later tijdstip wordt voortgezet.” Deze bepaling strekt er toe aan te geven hoe de verhouding tussen de officier van justitie en de rechter is met betrekking tot een door eerstgenoemde aan laatstgenoemde gedaan verzoek. Daaromtrent overweegt de Hoge Raad in rov. 3.2.2 van zijn beschikking d.d. 29 april 2005 onder meer het volgende: “Uit de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.8 en 2.9 weergegeven wetsgeschiedenis blijkt dat met deze bepaling is beoogd een oplossing te bieden voor het probleem dat volgens de opstellers van het (gewijzigde) amendement dat tot dit artikel heeft geleid, de rechtbank niet de bevoegdheid heeft en behoort te hebben ambtshalve een andere machtiging te verlenen dan door de officier van justitie is verzocht. Daarom is bepaald dat, indien de rechtbank een andere maatregel passender acht, zij op de voet van art. 8a Wet Bopz de officier van justitie hiermee kan confronteren, het aan hem overlatend te bezien of er grond is het verzoek te wijzigen dan wel het voorliggende verzoek nader te beargumenteren. (…)” Art. 8a Wet Bopz brengt mee, zoals uit deze passage valt af te leiden, dat de rechter niet ambtshalve kan overgaan tot verlening van een andere machtiging dan verzocht, indien hij die andere machtiging meer op zijn plaats acht. Hij dient de officier van justitie de gelegenheid te bieden om zijn eerdere verzoek in te trekken of om al dan niet met nadere onderbouwing bij zijn eerdere verzoek te blijven of om een gewijzigd verzoek met de vereiste onderbouwing in te dienen(). Blijft de officier van justitie bij zijn eerdere verzoek dan zal de rechter de toewijsbaarheid van dat verzoek alsnog hebben te beoordelen. 2.4 In het onderhavige geval is de Officier van Justitie bij zijn eerder gedane verzoek gebleven met een verdere onderbouwing. Daardoor heeft zich niet een ten opzichte van het eerste verzoek gewijzigde situatie voorgedaan die aanleiding gaf om nogmaals een onafhankelijk arts in te schakelen voor een onderzoek van betrokkene en om met betrokkene over voorwaarden te spreken. Hierop stuiten de klachten in onderdeel 1 af. Onderdeel 2 2.5 Aan het slot van onderdeel 2 wordt er over geklaagd dat de rechtbank in haar beschikking van 26 maart 2015 onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zij een zodanig klemmend, uit een stoornis van de geestvermogens voortvloeiend en niet buiten een ziekenhuis af te wenden gevaar aanwezig acht dat het gerechtvaardigd is te achten dat betrokkene voor een periode van een jaar van haar vrijheid wordt beroofd. Ter onderbouwing van die klacht wordt erop gewezen dat de rechtbank in haar tussenbeschikking van 2 maart 2015 heeft overwogen dat de behandelaar ter zitting heeft aangegeven dat het ziekenhuis psychiatrisch niet veel voor betrokkene kan doen, dat door de advocate van betrokkene is aangevoerd dat in het zorgplan vermelde medicatie in belangrijke mate somatische medicatie is en betrokkene geen gevaar voor anderen via HIV-besmetting meer kan zijn, dat er geen recent onafhankelijk medisch onderzoek heeft plaatsgevonden en dat de behandelaars voornamelijk teruggrijpen op niet meer actuele informatie uit 2014. 2.6 Art. 15 lid 2 Wet Bopz bepaalt dat de machtiging tot voortgezet verblijf slechts kan worden verleend indien naar het oordeel van de rechter: a. de stoornis van de geestvermogens van de betrokkene ook na verloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging aanwezig zal zijn en deze stoornis betrokkene ook dan gevaar zal doen veroorzaken, en b. het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten het ziekenhuis kan worden afgewend. Uit de tweede alinea van de in de beschikking van 26 maart 2015 opgenomen ‘Beoordeling’ blijkt dat deze voorwaarden voor verlening van een machtiging tot voortgezet verblijf door de rechtbank tot uitgangspunt zijn genomen. 2.7 In verband met genoemde voorwaarden verdient nog opmerking dat, zoals ook in de formulering van de voorwaarden ligt besloten, het doel van de rechterlijke machtiging tot onvrijwillige opneming niet zozeer gelegen is in het komen tot een genezen/behandelen van de geestesstoornis zelf maar in het beschermen van de betrokkene tegen de aan de geestesstoornis verbonden gevaren voor hem en/of anderen.() Voorwaarde b ziet op de eis van proportionaliteit, nl. dat de kans op verwezenlijking van het gevaar zo groot dient te zijn dat uit dien hoofde de vrijheidsbeneming te rechtvaardigen valt.() 2.8 Uit de stukken van het geding blijkt het volgende. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.