Nr. 14/05450 Mr. Harteveld Zitting 15 september 2015 Conclusie inzake: [verdachte] 1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 6 oktober 2014 - na vernietiging in cassatie van het arrest van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch van 4 december 2012 en verwijzing van de zaak - de verdachte, met vrijspraak van het primair ten laste gelegde (moord), ter zake van subsidiair. “doodslag”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek van voorarrest. 2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, heeft een schriftuur ingezonden, houdende vijf middelen van cassatie. 3.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: “hij op 06 april 2007 te Tilburg opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een mes negen maal in de rug van [slachtoffer] gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.” 3.2. Deze bewezenverklaring steunt op 34 bewijsmiddelen, die door het Hof zijn opgenomen in de aanvulling op het verkorte arrest. In een uitvoerige bewijsoverweging in de aanvulling heeft het Hof het volgende overwogen: “Het hof heeft uit voornoemde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd de volgende feiten en omstandigheden vastgesteld: a. Het slachtoffer, [slachtoffer] , was op 6 april 2007 vanaf omstreeks 16.30 uur thuis in haar woning aan de [a-straat] 27 te Tilburg (hierna: de woning). b. Op enig moment daarna is de dader in de woning gekomen. De dader heeft slippers, toebehorend aan verdachte, aangedaan, heeft een breekijzer ter hand genomen en heeft met het breekijzer (in de hal van de woning) [slachtoffer] enkele malen op haar hoofd geslagen ten gevolge vvaarvan zij hevig gewond is geraakt en is gaan bloeden. c. De dader is vervolgens op de slippers naar de keuken gelopen, heeft daar een mes gepakt en is vervolgens teruggelopen naar de hal en heeft daar [slachtoffer] negen maal in haar rug gestoken. d. De dader heeft na zijn daad de slippers in de hal, naast het slachtoffer dat op de grond lag, achtergelaten en is kennelijk naar boven gegaan om zich te ontdoen van de bloedsporen. De dader heeft vervolgens de woning verlaten. e. Het slachtoffer [slachtoffer] wordt om 21.32 uur door de politie liggend in de hal van de woning met een mes in haar rug in een grote plas bloed aangetroffen. Zij blijkt negen maal in haar rug te zijn gestoken en is ten gevolge daarvan overleden. f. Verdachte is op 6 april 2007 in de periode na 16.30 uur in de woning geweest tot 17.00 waarna hij zijn schoondochter en dochter naar Drunen heeft gebracht waarna hij van 17.45/18.00 uur tot ongeveer 18.00/18.15 uur wederom thuis is geweest. g. Rond 19.00 uur arriveren een tweetal neven bij de woning. Zij bellen en kloppen enkele keren maar er wordt niet open gedaan. De woning is donker en er wordt geen teken van leven in de woning waargenomen. Ook de buurvrouw (die een bordje brood wil brengen) krijgt om 19.00 uur geen reactie na enkele keren op de ruit van de woning te hebben getikt. h. Verdachte komt omstreeks 21.15 wederom thuis. Hij gaat dan naar de woning van de buren aan de [a-straat] 25, klopt op de vooruit en vraagt zijn buurvrouw de ambulance te bellen omdat zijn echtgenote in de gang lag. i. Omstreeks 21.30 uur arriveren de politie en de ambulance bij de woning. Verdachte zit op dat moment nog bij de buren. De voordeur van de woning is aan de binnenzijde slotvast afgesloten met de sleutels (van slachtoffer [slachtoffer] ) in het slot. Terwijl deze op dat moment niet van buiten kan worden afgesloten. De achterdeur van de woning is eveneens slotvast afgesloten, zodat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de woning aan de achterzijde heeft verlaten. j. Naast verdachte en het slachtoffer, hebben de zoon [betrokkene 1] , zijn vrouw [betrokkene 2] , dochter [betrokkene 3] en dochter [betrokkene 4] een sleutel van de woning. Deze personen zijn niet in de woning geweest op 6 april 2007 na het tijdstip van vertrek van verdachte naar Drunen en hebben hun sleutels niet uitgeleend. k. In het eerste gesprek tussen de politie en verdachte (in de woning van de buren) wordt waargenomen dat verdachte bloedvlekken op zijn broek heeft. Dit bloed is afkomstig van het slachtoffer [slachtoffer] . Het blijken verdunde bloedvlekken te zijn die aan de buitenzijde op de broek terecht zijn gekomen. l. Nadat verdachte is aangehouden wordt een bloedvlek op de enkel van verdachte onder de door hem gedragen sok waargenomen. Dit bloed blijkt eveneens afkomstig van het slachtoffer [slachtoffer] . m. Verdachte droeg bij zijn aanhouding sportschoenen en witte sportsokken. Zowel op de schoenen als op de sokken wordt geen enkel spoor van bloed aangetroffen. De handen van verdachte zijn uitzonderlijk schoon. n. De persoon [slachtoffer] om het leven heeft gebracht droeg de slippers die in eigendom toebehoorden aan verdachte. Verdachte heeft de slippers op 6 april 2007 gedragen toen hij in de woning was vanaf het moment dat hij terugkwam uit Drunen en het huis weer verliet. Volgens de verklaring van verdachte droeg iedereen in huis zijn eigen slippers en waren er aparte slippers voor visite. Alleen als er veel visite was dan werden eigen slippers aangeboden. o. De schoenafdruksporen die in de woning zijn aangetroffen zijn afkomstig van de slippers van verdachte en er zijn geen fragmenten van schoenafdruksporen aangetroffen die mogelijk afkomstig zijn van andere schoenen dan de onderzochte slippers (van verdachte). p. Volgens verklaringen van de getuige [getuige 1] zou verdachte op 6 april 2007 een halflange leren jas hebben gedragen. Deze jas is niet aangetroffen. q. In de woning op de bovenverdieping worden met behulp van Luminol (verwijderde) bloedsporen aangetroffen op de spiegel in de badkamer en op de vloer voor de kast in de slaapkamer. Het bloed in deze sporen is afkomstig van [slachtoffer] . In de prullenbak op de badkamer wordt een opgevouwen kniebroek aangetroffen die doordrenkt is met bloed van [slachtoffer] . Het hof acht op grond van deze feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het slachtoffer om het leven heeft gebracht. Daartoe heeft het hof in aanmerking genomen dat, buiten hetgeen verdachte zelf heeft verklaard, in het dossier geen enkele aanwijzing of zelfs een begin van een aanwijzing te vinden is dat het slachtoffer [slachtoffer] nog in leven was op 6 april 2007 na het moment van vertrek van verdachte uit zijn woning om ongeveer 18.00/18.15 uur. In tegendeel, zowel de neven als de buurvrouw krijgen geen enkele reactie als zij aanbellen en op het raam tikken omstreeks 19.00 uur en het is dan donker in de woning. Er is voorts geen enkele aanwijzing dat er tussen het vertrek van verdachte om ongeveer 18.00/18.15 uur en 19.00 uur, wanneer tevergeefs contact wordt gezocht met het slachtoffer door de neven en de buurvrouw, nog een ander persoon in de woning is geweest die het slachtoffer om het leven heeft gebracht. Geen van de overige personen die een sleutel van de woning hadden (zoon [betrokkene 1] , schoondochter [betrokkene 2] , dochter [betrokkene 3] en dochter [betrokkene 4] ) zijn op 6 april 2007 in de woning geweest na het tijdstip van vertrek van verdachte naar Drunen. De mogelijkheid van een ander (onbekend of bekend) persoon anders dan de vaste bewoners van de woning acht het hof evenmin aannemelijk nu de dader slippers van verdachte heeft gebruikt, de dader op de bovenverdieping bloedsporen heeft achtergelaten én deze heeft willen verwijderen. Daarbij komt dat verdachte geen aannemelijke verklaring heeft voor de op zijn kleding aangetroffen bloedsporen mede in relatie tot zijn schone handen en schone sportschoenen die hij bij zijn aanhouding droeg. Dat maakt het scenario waarin de bloedsporen op zijn kleding slechts terecht zijn gekomen toen verdachte het slachtoffer vond (bijvoorbeeld bij het verplaatsen van het slachtoffer zoals de verdachte heeft verklaard) onaannemelijk. Dan had het immers voor de hand gelegen dat er ook sporen op zijn handen en schoenen waren aangetroffen. Verdachte heeft evenmin een aannemelijke verklaring voor het op zijn enkel aangetroffen bloedspoor; immers, zijn stelling dat dit menstruatiebloed van zijn vrouw zou zijn dat in bed op zijn enkel terecht zou zijn gekomen, wordt reeds door de inhoud van de brief van het Nederland Forensisch Instituut van 26 juni 2007, inhoudende dat ten tijde van het overlijden geen sprake was van menstruatie bij het slachtoffer en dat er geen aanwijzingen waren dat er sprake is geweest van menstruatie kort vóór het overlijden, weerlegd; Gelet op het feit dat de kortste weg tussen de woning van verdachte en die van de buren via de beide voordeuren is, bevreemdt het dat verdachte, toen hij het slachtoffer in de gang van zijn woning zag liggen en naar de woning van de buren ging om de ambulance te (laten) bellen, zijn woning achterom heeft verlaten en daarbij de achterdeur op slot heeft gedaan. Het is ook in strijd met verdachtes eigen verklaring inhoudende dat hij de woning via de voordeur heeft verlaten. Het hof heeft daarnaast in aanmerking genomen dat de jas die verdachte om ongeveer 18.30 uur droeg toen verdachte de getuige [getuige 1] tegenkwam niet is aangetroffen. Ook daarvoor heeft verdachte geen (aannemelijke) verklaring. Bovenal en ten slotte is verdachte diegene geweest die tot ongeveer 18.00/18.15 uur alleen met het slachtoffer in de woning was en heeft verdachte verklaard dat hij tot die tijd zijn slippers heeft gedragen en deze daarna heeft verruild voor zijn witte sportschoenen.” 4.1. Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat het slachtoffer op 6 april 2007 van het leven is beroofd. 4.2. Het middel is duidelijk tevergeefs voorgesteld omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen in samenhang met de nadere bewijsoverwegingen van het Hof wel degelijk kan worden afgeleid dat het slachtoffer [slachtoffer] op 6 april 2007 van het leven is beroofd. Ik volsta met de verwijzing naar onder meer de bewijsmiddelen 1 tot en met 4 en 28. 5.1. Het tweede middel klaagt dat het Hof in zijn nadere bewijsoverweging heeft vastgesteld dat het donker was in de woning toen twee neven rond 19.00 uur bij de woning arriveerden, terwijl deze omstandigheid niet kan volgen uit de gebezigde bewijsmiddelen. 5.2. Wanneer de rechter zich in een nadere overweging beroept op bepaalde feiten of omstandigheden die door hem redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, moeten deze feiten of omstandigheden zijn vervat in de gebezigde bewijsmiddelen. Indien zij niet in de bewijsmiddelen zijn vermeld, moet de rechter met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.