14/03318 mr. Keus Zitting 9 oktober 2015 Conclusie inzake: de stichting Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Groothandel in Levensmiddelen (hierna: Bpf GIL) eiseres tot cassatie advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven tegen 1) de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hanos-ISPC Breda B.V. 2) de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GOG Breda B.V. (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: ISPC) verweersters in cassatie advocaat: mr. N.T. Dempsey Het gaat in deze zaak om de vraag of ISPC onder de werkingssfeer van de besluiten tot verplichtstelling van deelname in het bedrijfstakpensioenfonds voor de groothandel in levensmiddelen valt. Meer in het bijzonder gaat het om de door het hof gegeven uitleg van de begrippen “aanverwante artikelen” in het verplichtstellingsbesluit 1999 en “groothandel in levensmiddelen gericht op de binnen- en buitenhuishoudelijke markt” in de verplichtstellingsbesluiten 2005 en
(2015), nr. 111 en de daar aangehaalde jurisprudentie met betrekking tot pensioenreglementen in de zin van de Wet verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling. Vgl. voorts College van Beroep voor het bedrijfsleven 31 maart 2015, ECLI: NL:CBB:2015:106, rov. 4.2, waar werd geoordeeld dat de civiele rechter de meest gerede rechter is om te oordelen over de vraag of een deelnemingsverplichting bestaat. Het moet blijkens het verplichtstellingsbesluit 1999 (onder *) gaan om een assortiment “bestaande uit tenminste acht van de onder a of zeven onder a en drie van de onder b genoemde groepen” van producten. De groepen die in verband met de assortimentseis van belang zijn, omvatten weliswaar mede niet-levensmiddelen, maar met die niet-levensmiddelen alleen kan niet een aan de eis van het verplichtstellingsbesluit beantwoordend assortiment worden samengesteld. Verplichtstelling op grond van het a-criterium vooronderstelt een assortiment dat (mede) meerdere levensmiddelen omvat. Vgl. ook de Unierechtelijke definitie van het begrip levensmiddel in art. 2, eerste alinea en tweede alinea, aanhef en onder f, van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden, PbEG 2002, L 31/1-24, nadien gewijzigd: “In deze verordening wordt verstaan onder “levensmiddel” (of “voedingsmiddel”): (…). Onder deze definitie vallen niet (…) tabak en tabaksproducten )(…).” Zie bijv.: HR 8 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9621, NJ 2010/546, rov. 3.6.1; HR 28 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4366, NJ 2003/111 m.nt. G.J.J. Heerma van Voss, rov. 3.4.2; HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2376, NJ 2003/110 m.nt. G.J.J. Heerma van Voss onder NJ 2003/111, rov. 3.
- Zie ook S.F. Sagel, De objectief-tekstuele uitleg van CAO-bepalingen: betekenis en reikwijdte (I), Arbeidsrecht 2003/49, p.
- Het verplichtstellingsbesluit 1999 bevatte wel de eis dat de betrokken ondernemingen “uitsluitend of in hoofdzaak” de daarin omschreven groothandelsactiviteiten uitoefenden. Het moet blijkens het verplichtstellingsbesluit 1999 (onder *) gaan om een assortiment “bestaande uit tenminste acht van de onder a of zeven onder a en drie van de onder b genoemde groepen” van producten. Het moet blijkens het verplichtstellingsbesluit 1999, tweede kolom onder b, gaan om groothandels in bakkerijgrondstoffen, specerijen, vleeswaren, visconserven, tabak en/of tabakproducten, zoetwaren en/of gedroogde zuidvruchten en aanverwante artikelen. Zie ook rov. 3.22 van het tussenvonnis van 2 maart 2011 van de kantonrechter. Zie HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2376, NJ 2003/110 m.nt. G.J. Heerma van Voss onder NJ 2003/111, rov. 3.8, waaruit volgt dat een eerdere (en vervallen) bepaling een rol kan spelen bij de uitleg van een nieuwe bepaling. Zie ook rov. 3.22 van het tussenvonnis van 2 maart 2011 van de kantonrechter. Zie ook rov. 3.15 van het tussenvonnis van 2 maart 2011 van de kantonrechter. Zie ook rov. 4.4.6 (laatste zin) van het bestreden arrest (hiervóór onder 2.8 geciteerd). Pleitaantekeningen in hoger beroep van mr. Lutjens onder
- Vgl. HR 10 januari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AG5172, NJ 1986/476 m.nt. W.C.L. van der Grinten. Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7